
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
atsumari・集
(集まり) zn. (1) [集合] samenkomen; bijeenkomen. (2) [凝結] samenpakken; zich verbinden. (3) [會議] vergaderen. (4) [集中] zich concentreeren.
au・逢ふ
(逢う、会う、遇う、遭う) i.w. (1) [出合] ontmoeten. (2) [邂逅] tegenkomen. (3) [面會] zich onderhouden met. (4) [經驗に] ondergaan; ondervinden; ervaren; lijden. ¶ 酷い目に遭う slecht behandeld worden; leed ondervinden. ¶ 難船に遭う schipbreuk lijden. ¶ 逢ひに行く tegemoet gaan; bezoeken. ¶ 二つの川が此處で會う twee rivieren komen hier samen. ¶ 彼に遭ったことがない ik heb hem nog nooit ontmoet.
ichiza・一座
zn. (1) [滿座] het gezelschap o.; al de aanwezigen (同席者) m. & v.mv. (2) [藝人の] een gezelschap o.; een troep v. ¶ 一座する in gezelschap zijn met; samenkomen met.
yoriai・寄合
zn. vergadering v.; samenkomst v. ¶ 寄合ふ samenkomen; vergaderen.
yoriatsumari・寄集り
zn. vergadering v.; bijeenkomst v. ¶ 寄集る samenkomen; vergaderen.
tsudoi・集
(集い) zn. vergadering v.; samenkomst v. ¶ 集ふ samenkomen; vergaderen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <samenkomen>
ぶつかる butsukaru (1) botsen (tegen; op); lopen (tegen); aanstoten; aanlopen (tegen); aanrijden; bonzen (tegen ~ aan); [golven enz.] beuken tegen; slaan (tegen); vallen tegen; knallen tegen; opknallen tegen; collideren; treffen; rammen; neerkomen op; aankomen tegen; (2) stoten op; stuiten op; tegen het lijf lopen; aantreffen; tegenkomen; komen op; vinden; ontmoeten; (3) vallen op; samenvallen; samenkomen; (4) trotseren; het hoofd bieden; tegemoet treden; onder ogen zien; (5) in aanvaring komen met; in botsing komen met; in conflict komen met; indruisen tegen; slaags raken met
一つになる hitotsuninaru één worden; samenvallen; samensmelten; samengaan; samenkomen; vergroeien; zich verenigen; zich bij elkaar aansluiten; een geheel vormen; een unie vormen; fuseren
交流する kōryūsuru zich mengen onder; in contact komen; uitwisselen; interageren; samenkomen; verbroederen
交 kō (1) omgang; betrekking; contact; (2) overgang; wisseling; (a) omgang; betrekking; contact; (b) elkaar kruisen; samenkomen; (c) gemengd raken; mengen; (d) wisselen; ruilen; uitwisselen; (e) leveren; (f) onderling; bij beurten
会する kaisuru (1) zich verzamelen; bijeenkomen; samenkomen; (2) convergeren; in één punt samenvallen; samenlopen; (3) verzamelen; bijeenbrengen; samenbrengen
会合する kaigōsuru samenkomen; zich verzamelen; bijeenkomen; vergaderen; elkaar ontmoeten; elkaar treffen
合す gassu (1) bijeenkomen; samenkomen; samengaan; zich verenigen; zich bij elkaar aansluiten; een geheel vormen; fuseren; één worden; (2) bijeenbrengen; samenbrengen; samenvoegen; verenigen; verenen; tot een geheel maken; één maken
寄る;凭る;倚る yoru (1) naderen; dichterbij komen; opschuiven; toekomen (op iem.); (2) samenkomen; bijeenkomen; zich verzamelen; elkaar ontmoeten; vergaderen; elkaar treffen; (3) (even) langskomen (bij iem.); langsgaan; even aanlopen; (terloops) kort bezoeken; aandoen; aankomen bij; (4) zich aan één kant verzamelen; uitwijken; opzij gaan; neigen naar; (5) leunen op; leunen tegen; rusten op; (6) worstelend voortduwen; (7) zich opstapelen; zich opeenhopen; (8) [m.b.t. markt;beurshandel] beginnen
屯する tamurosuru (1) [mil.] bivakkeren; zich legeren; kamperen; barakkeren; postvatten; (2) samenkomen; elkaar treffen; ontmoeten; uithangen; zich ophouden; samendrommen; [Belg.N.] samentroepen
性交する seikōsuru geslachtsgemeenschap hebben; geslachtelijke; echtelijke; [arch.] vleselijke; seksuele gemeenschap hebben; lijfsgemeenschap hebben; huwelijksgemeenschap hebben; geslachtelijke; echtelijke; [arch.] vleselijke; seksuele; intieme omgang hebben; geslachtsverkeer hebben; seksueel verkeer hebben; seks hebben; bedrijven; seksen; seksueel contact hebben; copuleren; de liefde bedrijven; paren; de geslachtsdaad verrichten; bedrijven; de liefdesdaad verrichten; bedrijven; de paringsdaad verrichten; bedrijven; de huwelijksdaad verrichten; bedrijven; de echtelijke; huwelijkse plicht(en) vervullen; vrijen; coïteren; cohabiteren; naar bed gaan; kroelen; krollen; uitwonen; [euf.] slapen; [euf.] de daad verrichten; bedrijven; [euf.;scherts.] voetjes warmen (met); [euf.] trouwen; [euf.;veroud.] naderen; [pregn.] aanraken; [pregn.] aanliggen; [form.] coïre; [form.] zonam solvere; [form.] samenkomen; [bijb.] bekennen; [bijb.;♂] (in)komen tot; [w.g.] bijslapen; [w.g.] bijwonen; [veroud.] zich te vleze begeven; [veroud.] elkaar gerieven; [arch.] (zich) verenigen; [arch.] zich vleselijk vermengen; [inform.] neuken; [inform.] rampetampen; [inform.] bonken; [inform.] vozen; [inform.] pezen; [inform.] platgaan; [inform.;♂] punten; [inform.;♂] rammen; [inform.] pielen; [inform.] afschroeven; [inform.] krikken; [inform.] wielen; [inform.] strijken; [inform.;Ind.N.] fieken; [inform.] doppen; [inform.] een dopje; doppie maken; [inform.] de koffer in duiken; kruipen; [inform.] voor Kaap Kont liggen; [inform.] een kind maken; [inform.] binnenbeens spelen; [inform.] een kransje breien; [inform.] de hongersnood verdrijven; [inform.;Belg.N.] het beest met de twee ruggen maken; [inform.;scherts.] het plafond witten; [inform.;scherts.;niet alg.] de koffie opschenken; [volkst.] een kunstje; wip(je); wippertje; nummertje maken; [volkst.;♂] een punt zetten; [volkst.;♂] op de veter nemen; [volkst.] wippen; [volkst.] van Wippenstein gaan; [volkst.] nummeren; [volkst.] pompen; [volkst.] schroeven; [volkst.] palen; [volkst.] palen laaien; [volkst.] potloden; [volkst.] tampen; [volkst.;♂] z'n platte tampie uitgooien; [volkst.] pennen; [volkst.] prikken; [volkst.] stiften; [volkst.] hompiekurken; [volkst.] sodemieteren; [volkst.] raggen; [volkst.] afraggen; [volkst.] kezen; [volkst.] kienen; [volkst.] jenzen; [volkst.] votsen; [volkst.] joekelen; joekeren; [volkst.] dreutelen; [volkst.] flensen; [volkst.] fleppen; [volkst.] piepjanknor gaan; [volkst.] de pijp uitkloppen; [gew.;inform.] strietsen; [gew.;inform.] vossen; [gew.;inform.] ketsen; [gew.;inform.;♂] vogelen; [gew.;inform.;♂] bedvogelen; [gew.;volkst.] kleunen; [gew.] meteen gaan; [gew.] vazelen; [gew.] haspelen; [vulg.] naaien; [vulg.;Belg.N.] poepen; [vulg.] emmeren; [vulg.] geilpompen; [vulg.] soppen; [vulg.] poken; [vulg.] kieren; [vulg.] afhakken; [vulg.] eiers in de pan slaan; [vulg.] op de muts; dot; stoffer; schroef gaan; [vulg.] van preut trekken; [vulg.;♂] een veeg geven; [vulg.;♂] vegen; [vulg.;♂] eroverheen gaan; [vulg.;♂] op z'n staart gaan staan; [Barg.] van bil gaan; [Barg.] op de kruk gaan; [Barg.] stoten; [Barg.] fikken; [Barg.] fietsen; [Barg.] piepelen; [Barg.] bibberen; [Barg.] latten; [Barg.] fluiten; [Barg.;volkst.] peunen; [Barg.;volkst.] pandoeren; [Barg.;volkst.] tokkelen
溜る;堪る tamaru (1) zich verzamelen; samenkomen; bijeenkomen; zich accumuleren; aanzwellen; (2) oplopen; zich ophopen; zich opstapelen; zich opkroppen; [i.h.b.] achterstallig raken; [i.h.b.] achterop raken
競合する kyōgōsuru (1) rivaliseren; wedijveren; concurreren; strijdig zijn; (2) samenlopen; samenkomen; samenvallen
結集する kesshūsuru (1) verzamelen; bundelen; concentreren; vergaren; bijeenbrengen; samenbrengen; samenvoegen; samenstellen; (2) zich samenvoegen; zich verzamelen; zich groeperen; samenkomen; bijeenkomen
群れる mureru zich verzamelen; samenkomen; bijeenkomen; samenscholen; samentroepen; samendrommen; samenhopen; bij elkaar hokken
集う tsudou zich verzamelen; samenkomen; bijeenkomen; bij elkaar komen; zich scharen; bijeenlopen; te hoop lopen; samenscholen; vergaderen
集まる atsumaru samenkomen; verzamelen; bijeenkomen
集る takaru (1) zich verzamelen rond; samendrommen; (krioelend; wemelend) samenkomen; bijeenkomen; samenscholen; zich ophopen; samenklieken; zwermen om; (2) afbedelen; afbietsen; aftroggelen; loskrijgen; (3) afpersen; opeisen; afdwingen; steamen
集会する shūkaisuru samenkomen; bijeenkomen; bij elkaar komen; zich verzamelen; vergaderen; elkaar treffen; een vergadering houden; rendez-vous geven; in vergadering bijeenkomen
集合する shūgōsuru (1) zich verzamelen; samenkomen; bijeenkomen; bij elkaar komen; zich scharen; bijeenlopen; te hoop lopen; [oneig.;m.b.t. mensenmassa] zich ophopen; [fig.] samenstromen; samenscholen; (2) verzamelen; samenbrengen; bijeenbrengen; bij elkaar brengen; bijeenroepen; samenroepen; vergaren
集結する shūketsusuru (1) verzamelen; samenbrengen; groeperen; concentreren; (2) zich verzamelen; samenkomen; bijeenkomen; zich concentreren; samentrekken; zich groeperen; zich samenvoegen
Tijd: 1.18 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 20 treffers (zoekopdracht: 'samenkomen').
2005-2026
