日蘭辭典+

25 resultaten voor ‘trouw’
日蘭辭典 (trefwoord)
tateru立てる、樹てる
(建てる) t.w. (1) [立起す] laten staan; neerzetten; hijschen (旗を); overeind zetten (石を); spitsen (耳を). (2) [建造する] bouwen; oprichten. (3) [閉ぢる] sluiten; dichtdoen. (4) [設立する] stichten; (組織する) instellen; organiseeen. (5) [制定する] vaststellen. (6) [計畫を] beramen. (7) [議論を] opwerpen; aanvoeren. (8) [勳功を] tot stand brengen; presteeren. ¶ 忠義を立てる trouw zijn. ¶ 男を立てる zijn waardigheid als man handhaven. ¶ 腹を立てる boos worden. ¶ 噂を立てる gerucht verspreiden. ¶ を立てる zich een positie verovereren; carriere maken. ¶ 生計を立てる zijn brood verdienen. ¶ 聲を立てる geluid geven. ¶ を立てる zweren; gelofte doen. ¶ 使を立てる boodschap zenden. ¶ の目を立てる zaag scherpen. ¶ 棘を立てる zich aan doorn prikken.
teisō貞操
zn. kuischheid v.; echtelijke trouw v.
mameまめ
(マメ、忠実、忠實) zn. (1) [忠實] eerlijkheid v.; trouw v. (2) [壯健] goede gezondheid v.; flinkheid v. (3) [活動] activiteit v. ¶ まめな eerlijk (正直); flink (達者); ijverig (勤勉な). ¶ まめな een flinke vent (達者な); een ijverig werker (良く働く).
kusetsu苦節

zn. hechte trouw v.

kyojun恭順

zn. gehoorzaamheid v.; onderdanigheid v.; trouw v.

zen-i善意

zn. goede bedoeling v.; goede trouw v. ¶ 善意の te goeder trouw; bona fide (羅典語).

yome

zn. bruid v.; jonge vrouw v.; schoondochter (息子の妻) v. ¶ 嫁を取る gaan trouwen. ¶ 嫁にやる uithuwelijken; ten huwelijk geven.

tsuma

zn. vrouw v.; echtgenoote v. ¶ 妻を取る getrouwd zijn. ¶ 妻を迎へる trouwen; een vrouw nemen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <trouw>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
信義 shingi trouw; betrouwbaarheid; getrouwheid; trouwhartigheid; fideliteit; loyaliteit; [i.h.b.] erewoord; woord
尽忠 jinchuu trouw; getrouwheid; loyaliteit; loyauteit
常連 jouren (1) vast; trouw; regelmatig bezoeker; geregelde; vaste klant; stamgast; habitué; (2) vaste begeleider; gezworen kameraad; sidekick
chuu (1) oprechtheid; (2) trouw; getrouwheid; loyaliteit; toewijding; (3) [ritsuryō] chū [= derdegraadsambtenaar aan de Danjōdai 弾正台 ("Raad van censores")]; (a) oprechtheid; (b) trouw
忠実 chuujitsu trouw; loyaliteit; loyauteit; getrouwheid; oprechtheid; [w.g.] trouwheid
忠実な chuujitsuna trouw; loyaal; getrouw; toegewijd; trouwhartig; betrouwbaar
忠節 chuusetsu trouw; getrouwheid; loyaliteit; loyauteit; [i.h.b.] leenmanstrouw; verbondenheid (aan vorst; leenheer)
忠誠 chuusei loyaliteit; trouw; loyauteit; getrouwheid; [w.g.] trouwheid
恭順 kyoujun gehoorzaamheid; trouw; getrouwheid; onderdanigheid; aanhankelijkheid; [rel.] obediëntie; obsequium
misao (1) beginselvastheid; standvastigheid; vastberadenheid; (2) kuisheid; zedelijkheid; (echtelijke) trouw; eer; (3) verfijnd; elegant; (4) beginselvast; principieel; standvastig; vastberaden
神妙な shinmyouna (1) mak; gedwee; volgzaam; tam; meegaand; braaf; (2) bewonderenswaardig; lovenswaardig; lofwaardig; prijzenswaardig; loffelijk; verdienstelijk; aanbevelenswaardig; (3) trouw; getrouw; loyaal
神妙に shinmyouni (1) mak; gedwee; volgzaam; tam; meegaand; braaf; (2) bewonderenswaardig; lovenswaardig; lofwaardig; prijzenswaardig; loffelijk; verdienstelijk; aanbevelenswaardig; (3) trouw; getrouw; loyaal
神妙 shinmyou (1) mak; gedwee; volgzaam; tam; meegaand; braaf; (2) bewonderenswaard; bewonderenswaardig; lovenswaardig; lofwaardig; prijzenswaardig; loffelijk; verdienstelijk; aanbevelenswaardig; (3) trouw; getrouw; loyaal
節操 sessou constantheid; constantie; standvastigheid; beginselvastheid; trouw; getrouwheid; loyaliteit; integriteit; principieelheid
結婚 kekkon huwelijk; huwelijkssluiting; trouw; echtverbintenis; echt; [inform.] trouwerij
親孝行 oyakoukou piëteit; kinderzin; kinderlijke liefde; trouw; respect voor de ouders; gehoorzaamheid aan de ouders
貞淑 teishuku (1) trouw; eerbaarheid; zedigheid; kuisheid; pudiciteit; modestie; (2) trouw; eerbaar; zedig; kuis; pudiek; modest
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.39 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 17 treffers (zoekopdracht: 'trouw'). 
2005-2026