
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
ashimoto・足下
(足元, 足もと, 足許) zn. voet m.; stap m. ¶ 足下に vlak bij; vlak voor oogen. ¶ 足許御用心 kijk waar je loopt! ¶ 人の足下を見る gebruik maken van iemand’s zwakke positie. ¶ 足下にも寄りつけない niet te vergelijken zijn met; het haalt er niet bij.
tateru・立てる、樹てる
(建てる) t.w. (1) [立起す] laten staan; neerzetten; hijschen (旗を); overeind zetten (石を); spitsen (耳を). (2) [建造する] bouwen; oprichten. (3) [閉ぢる] sluiten; dichtdoen. (4) [設立する] stichten; (組織する) instellen; organiseeen. (5) [制定する] vaststellen. (6) [計畫を] beramen. (7) [議論を] opwerpen; aanvoeren. (8) [勳功を] tot stand brengen; presteeren. ¶ 忠義を立てる trouw zijn. ¶ 男を立てる zijn waardigheid als man handhaven. ¶ 腹を立てる boos worden. ¶ 噂を立てる gerucht verspreiden. ¶ 身を立てる zich een positie verovereren; carriere maken. ¶ 生計を立てる zijn brood verdienen. ¶ 聲を立てる geluid geven. ¶ 誓を立てる zweren; gelofte doen. ¶ 使を立てる boodschap zenden. ¶ 鋸の目を立てる zaag scherpen. ¶ 棘を立てる zich aan doorn prikken.
koshiben・腰辨
(腰弁)
zn. ambtenaar met bescheiden positie.
kurai・位
zn. (1) [帝位] troon m. (2) [位置] rang m.; positie v. (3) [品位] waardigheid v.
kurushii・苦しい
bn. (1) [苦痛] pijnlijk; bedroevend. (2) [困難] moeilijk; hard; zwaar. (3) [困窮] ellendig. ¶ 苦しい思をする zich kwellen; zijn hersens pijnigen. ¶ 苦しい仕事 zware taak. ¶ 苦しい境遇 droevige omstandigheden; ellende. ¶ 苦しい立場 vergezochte grap. ¶ 苦しい立場 moeilijke positie. ¶ 苦し紛れに door wanhoop gedreven. ¶ 苦します pijnigen; martelen; plagen; kwellen.
kyokugai・局外
zn. buitenkant m.; positie buiten den kring. ¶ 局外者 buitenstaander. ¶ 局外者の意見 onafhankelijk oordeel; het oordeel van de derde. ¶ 局外中立 neutraliteit. ¶ 局外中立國 neutraal land.
yōshoku・要職
zn. gewichtig ambt o.; verantwoordelijke positie v.
SUPPLEMENT (trefwoord)
chōzai・長座位
zn. postitie waarbij men met gestrekte benen zit; met gestrekte benen zitten.
zenkutsu・前屈
zn., suru-ww. voorovergebogen; een voorovergebogen positie; vooroverbuigen. ¶ 足を開いて前屈のポーズ Ashi wo hiraite zenkutsu no pōzu Een voorovergebogen [positie, houding, pose] met de benen gespreid. ¶ そして膝を曲げずに前屈 Soshite hiza wo magezu ni zenkutsu. Vervolgens vooroverbuigen zonder de knieën te buigen. (blog) NB antoniem: kōkutsu 後屈
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:The Tanaka Corpus・羨ましい
¶ 彼女はとてもうらやましい地位についている。 Kanojo wa totemo urayamashii ichi ni tsuite iru. Ze bekleed een buitengewoon benijdenswaardige positie. ¶ 彼は彼女の生き方がうらやましかった。 Kare wa kanojo no ikikata ga urayamashikatta. Hij was jaloers op haar levensstijl. ¶ 私は彼がうらやましい。Watashi wa kare ga urayamashii. Ik benijd hem. Ik ben jaloers op hem. ¶ 不器用なその男は彼女の並外れた才能を羨ましく思った。 Bukiyō na sono otoko wa kanojo no namihazureta sainō wo urayamashiku omotta. De onbekwame man benijdde haar bovengemiddelde talenten.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <positie>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
びり biri (1) laatste plaats; positie; positie helemaal onderaan; (2) de laatste; [fig.] rode lantaarn; [fig.] hekkensluiter; heksluiter
シチュエーション shichueeshon (1) situatie; toestand; omstandigheden; positie; (2) [ton.] kritieke samenloop van omstandigheden
ポジション pojishon (1) positie; (2) betrekking; post
ポスト posuto (1) brievenbus; bus; (2) postbus; postvak; postbox; (3) post; betrekking; positie; (4) [voetb.] doelpaal; paal; (5) post-
ランク ranku (1) rang; positie; graad; stand; (2) [maatwoord voor hiërarchische rang;positie]
一席 isseki (1) [宴会;茶事の~] een sessie; partijtje; (2) [演説;講談;落語の~] een opvoering; vertelling; (3) eerste plaats; positie; ereplaats; hoofd; kop
任 nin (1) opdracht; taak; missie; plicht; verantwoordelijkheid; (2) ambt; positie; betrekking; post; (a) opdragen; met een taak belasten; (b) overheidsambt; functie; (c) overlaten; laten
位置 ichi (1) positie; ligging; plaats; situatie; context; (2) maatschappelijke positie; stand; rang; status; (3) positie; betrekking
位 i (1) plaats waar een persoon of een zaak zich bevindt; (2) rang; positie; maatschappelijke positie; (3) standaard; criterium; basis
位 kurai (1) rang; stand; klasse; (2) graad; maat; mate; (3) waardigheid; (4) positie; plaats; ligging; (5) troon; kroon; het koningschap; (6) (in een getal) cijfer; (7) […~] [partikel dat een hoeveelheid;mate bij benadering uitdrukt] ongeveer; circa; om en bij; omtrent; bij benadering; […~] hoeveel?; hoe lang?; hoeveel tijd?; (8) […~] [partikel dat een referentiepunt bij benadering uitdrukt] bijna; nagenoeg; haast; bijkans; zo … als; even … als; in die mate; genoeg om te …; (9) […~なら] [partikel dat een extreem voorbeeld geeft;of het belang van een voorbeeld nuanceert;overdrijft] tenminste; eerder … dan; liever … dan
内証 naishou (1) geheimhouding; stilzwijgen; geslotenheid; geheimzinnigheid; verborgenheid; terughoudendheid; stilte; beslotenheid; (2) inwendig bewijs; (3) iems. (materiële) positie; situatie; omstandigheden
内証 naisho (1) geheimhouding; stilzwijgen; geslotenheid; geheimzinnigheid; verborgenheid; terughoudendheid; stilte; beslotenheid; (2) inwendig bewijs; (3) iems. (materiële) positie; situatie; omstandigheden
分 bun (1) deel; part; portie; (2) gedeelte; segment; (3) status; positie; plaats; stand; standing; hoedanigheid; capaciteit; (4) plicht; taak; (5) staat; omstandigheden; (6) veronderstelling; (7) soort; allooi; (8) enkel dat; (9) portie; dosis; hoeveelheid; (10) hoedanigheid; (11) -gehalte; (12) -tijd; (13) tiende; tiende deel; gedeelte; tien procent; (14) [oude lengtemaat] 0,1 sun 寸 [= ca. 3,03 mm]; (a) verdeling; opdeling; scheiding; (b) verduidelijking; (c) aftakking; apart deel; (d) bestanddeel; element; (e) tijdsgewricht; (f) attributie; plicht; (g) kwalificatie; hoedanigheid; positie; (h) staat; toestand; mate
同位 doui (1) dezelfde rang; positie; (2) iso-
向き muki (1) richting; ligging; oriëntatie; positie; gerichtheid; (2) bestemming; geschiktheid; aangewezenheid; bedoeling; (3) betrokkene; belanghebbende; mensen die ~; (4) opvliegendheid
地位 chii status; stand; rang; positie; plaats; standing; stelling
地勢 chisei (1) topografie; plaatselijke gesteldheid; plaatsgesteldheid; geografische karakteristieken; (2) terrein; terreingesteldheid; natuurlijke ligging van het gebied; (3) status; positie
境遇 kyouguu (1) milieu; omgeving; leefwereld; (2) (materiële) positie; situatie; staat; conditie; omstandigheden; toestand; lot; (3) maatschappelijke positie; rang; stand
姿勢 shisei (1) lichaamshouding; houding; pose; positie; postuur; opstelling; (2) houding; attitude; instelling; gezindheid
官 kan (1) staat; regering; (2) staatsinstelling; overheidsorgaan; overheidsdienst; rijksdienst; (3) regeringsambtenaar; rijksambtenaar; overheidsambtenaar; overheidsdienaar; (4) grootkanselarij; (5) positie; rang; (a) staatsinstelling; overheidsdienst; (b) rijksambtenaar; overheidsdienaar; (c) functie; positie; (d) publiek; staatseigendom; (e) orgaan; zintuig
布陣 fujin (1) [mil.] opstelling van troepen; positie; legerformatie; gevechtsformatie; gevechtsopstelling; slagorde; (2) [sportt.] opstelling; line-up; formatie; [honkb.] slagvolgorde
席 seki (1) zitplaats; plaats; zitgelegenheid; zitje; zetel; gestoelte; (2) locatie; gelegenheid; [i.h.b.] bijeenkomst; (3) positie; betrekking; post; functie; (4) variététheater; (5) rieten mat; bamboemat; (6) [maatwoord voor zitplaatsen;plaatsen]
座 za (1) zitplaats; plaats(je); zetel; troon; stoel; zitje; (2) (maatschappelijke) positie; (3) [verzameln.] gezelschap; aanwezigen; publiek; [Belg.N.;spreekt.] compagnie
役柄 yakugara (1) ambtsstatus; ambtseer; (2) aard van een ambt; positie; rol; functie; ambtskarakter; (3) [ton.] roltype; rolpatroon
恰好;格好 kakkou (1) vorm; voorkomen; presence; houding; uiterlijk; (2) postuur; een pose; een figuur; gedaante; gestalte; positie; (3) manier [van doen]; houding; (4) passend bij; redelijk; billijk; matig
態度 taido (1) gedrag; manier van doen; handelen; houding; gedraging; optreden; handel en wandel; postuur; contenance; contenantie; [w.g.] tournure; (2) attitude; instelling; opstelling; positie
所在 shozai (1) plaats waar iemand; iets zich bevindt; verblijfplaats; whereabouts; het ergens zijn; locatie; ligging; situering; (2) daad; handeling; (3) positie; status; omstandigheden; toestand
所;処 tokoro (1) plaats; plek; stee; oord; zetel [der regering enz.]; gebied; lokatie; ruimte; afstand; ligging; (2) adres; verblijfplaats; (3) [bij iem.] thuis; (4) [~の] streek-; … van het platteland; plaatselijk; plaatselijke; gewestelijk; gewestelijke; (5) deel; gedeelte; stuk; passage; (6) [弱い;強い] punt; kant; trek; (7) positie; rol; (8) omstandigheid; geval; gelegenheid; (9) [maatwoord voor plekken;stuks e.d.]; (10) [maatwoord voor godheden;edellieden e.d.]; (11) [op het] moment [dat …]; de tijd dat …; [op het] punt [staan te …]; [op het] ogenblik [dat …]; (12) een kwestie van …; in de orde van …; (13) dat wat …; datgene wat …; (14) waaraan; waarover; (15) toen …; wanneer …
方位 houi hoek; streek; richting; positie; hemelstreek; windstreek; [羅針盤の] kompasstreek; kompasrichting; [astron.;landmeetk.] azimut
方角 hougaku (1) windstreek; windrichting; hemelstreek; hoek; (2) ligging; positie; oriëntatie; (3) richting; (4) middel; instrument
格 kaku (1) status; rang; positie; (2) regel; (3) [taalk.] naamval; casus
桁 keta (1) balk; bint; spant; gebint; draagbalk; dwarsbalk; [橋の] geheel van dwarsbalken; stel dwarsbalken; [船の] ra; loodrecht op de mast staand rondhout; (2) [そろばんの] riggel; regel; (3) eenheid; plaats (van een cijfer binnen een getal); positie; aantal cijfers (in een getal); kolom; (4) schaal; verhoudingsmaatstaf; (5) [maatwoord voor cijfers]
瀬 se (1) ondiepte; wad; voord; voorde; (2) stroomversnelling; krachtige stroom; snelle vliet; (3) stroming; getijdestroming; (4) positie; situatie; (5) kans; gelegenheid; (6) aspect; punt
班 han (1) groep; ploeg; team; (2) [mil.] korps; sectie; afdeling; brigade; (3) [maatwoord voor groepen]; (a) verdelen; (b) groep; (c) rang; positie
現職 genshoku (1) huidig ambt; huidige betrekking; positie; baan; job; tegenwoordige functie; (2) het in functie zijn
程 hodo (1) mate; graad; grootte; omvang; maat; gematigdheid; (2) grens; limiet; perken; (3) positie; status; stand; (4) hoedanigheid; gesteldheid
立場 tachiba (1) positie; situatie; plaats; stelling; hoedanigheid; [fig.] iems. schoenen; [対等の] voet; [苦しい~] parket; (2) standpunt; stellingname; houding; opstelling; opvatting; [oneig.] gezichtspunt; [oneig.] oogpunt; [fig.] hoek
職 shoku (1) werk; baan; job; post; emplooi; (2) ambt; functie; dienst; betrekking; officie; positie; [form.] officium; [高い~] waardigheid; (3) vak; beroep; metier; ambacht; [niet alg.] stiel; [i.h.b.] vaardigheid; [i.h.b.] vakkundigheid
路 ro (a) weg; pad; (b) reis; tocht; (c) logica; (d) middel; connecties; (e) positie
身分 mibun (1) positie; omstandigheden; (2) rang; stand; klasse; (sociale) status; (maatschappelijk) aanzien; (3) afkomst; [高い~] geboorte; identiteit
身柄 migara (1) persoon; (2) positie; stand; status; (3) standing; aanzien
防備 boubi verdedigingsvoorbereiding; stelling; [gew.] afweer; verdedigingswerken; positie; fortificaties; versterkingen; vestingwerken
陣地 jinchi [mil.] stelling; positie
陣 jin (1) [mil.] gelid; gelederen; rijen; formatie; legerformatie; gevechtsformatie; slagorde; opstelling; gevechtsopstelling; (2) [mil.] stelling; positie; terrein; kamp; kampement; (3) [mil.] slag; veldslag; oorlog; [arch.] krijg; (4) keizerlijk wachthuis; (5) tribune voor hofedelen; (6) toegang voor de clerus; (7) -korps; -groep; (a) [mil.] opstelling; formatie; (b) [mil.] legerplaats; legerkamp; kamp; (c) [mil.] slag; veldslag; veldtocht; campagne; (d) vlaag; aanval; (e) groep; korps; staf; equipe; ploeg; team; leden
Tijd: 1.63 sec. jiten.nl: 19 treffers, warandict: 44 treffers (zoekopdracht: 'positie').
2005-2026
