t.w. laten rusten; i.w. rust gunnen; vacantie geven; vrijaf geven.
i.w. (1) [休息] rusten. t.w. (2) [中止] ophouden; stoppen; pauzeeren. i.w. (3) [缺席] afwezig zijn. (4) [就寢] naar bed gaan; gaan slapen. ¶ 一日休む een dag vacantie nemen. ¶ 仕事を休む rusten van den arbeid. ¶ お休みなさい wel te rusten!; slaap lekker! ¶ 休め rust! ¶ 休む間もない geen tijd om te rusten.
Tijd: 1.66 sec. jiten.nl: 3 treffers, (zoekopdracht: 'vacantie').