RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <blijven>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
亡くなる nakunaru overlijden; sterven; blijven; [veroud.] aflijvig worden; doodgaan; heengaan; eraan gaan; [euf.] overgaan; ontvallen; ontslapen; het leven laten; [i.h.b.] sneuvelen; [fig.;euf.] insluimeren; [fig.;euf.] inslapen; [arch.] verscheiden; [uitdr.] ad patres gaan; [uitdr.] tol aan de natuur betalen; [volkst.] peigeren; [scherts.] het laten afweten; [Barg.;uitdr.] poep zeggen
付く;附く tsuku (1) plakken; (eraan) (vast)zitten; (eraan) (vast)hangen; steken (op); kleven (aan); aansluiten op; zich vastzetten (in; aan); [湯垢が] aanslaan; blijven; [m.b.t. sporen;litteken] achterblijven; erbij inbegrepen zijn; uitgerust zijn met; (2) volgen; vergezellen; achterna zitten; gaan; aan zijn zijde staan hebben; escorteren; [i.h.b.] partij kiezen; trekken voor; aan de zijde gaan staan van; (3) [m.b.t. vermogen;gewoonte;naam;idee enz.] krijgen; [energie;kennis;ervaring enz.] opdoen; verwerven; eigen worden; te beurt vallen; [癖が] een gewoonte aannemen; aankweken; ontwikkelen; zich een gewoonte aanwennen; [喫煙の癖が] zich het roken aanwennen; (4) geluk hebben; fortuinlijk zijn; het treffen; [het iem.] meezitten; goed gaan; boffen; mazzelen; [inform.] zwijnen; [inform.] sloffen; (5) zijn beslag vinden; uitgemaakt raken; in orde raken; geregeld raken; [m.b.t. contact;connectie] tot stand komen; [m.b.t. wegen;infrastructuur] aangelegd worden; (6) [m.b.t. prijskaartje] hangen aan; [goedkoper;duurder enz.] uitvallen; neerkomen op [x euro enz.]
居着く itsuku (1) zich vestigen; zich settelen; zich installeren; (2) blijven; ergens rustig verblijven; lang aanblijven
居続ける itsuzukeru blijven; aanblijven
御出でなさる oidenasaru (1) [honoratieve variant van iku] gaan; vertrekken; zich begeven; (2) [honoratieve variant van kuru] komen; arriveren; (3) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; blijven; (4) [honoratieve variant van …teiru]
投 tou (1) [sportt.] het werpen; worp; het gooien; gooi; (2) [honkb.] pitchers; werpers; (3) worp; gooi; (a) gooien; begooien; (b) inwerpen; (c) eruit gooien; wegwerpen; opgeven; (d) toedienen; toesturen; (e) afstemmen; samenvallen; (f) blijven; verblijven
止まる;留まる;停まる todomaru (1) blijven; aanblijven; in stand blijven; zich handhaven; zich staande houden; [form.] toeven; [m.n. in briefstijl] verblijven; [lit.t.] beiden; (2) blijven bij; zich beperken tot; volstaan met; zich houden aan; niet meer doen dan
残留する zanryuusuru achterblijven; blijven; resteren; resten; overblijven
無くなる nakunaru verdwijnen; zoekraken; verloren gaan; [inform.] foetsie raken; [form.] teloorgaan; blijven; weggaan; wijken; [van lust;zin e.d.] vergaan; [van moed;hoop enz.] ontvallen; tenietgaan; kwijtraken; opraken; zonder (~) komen te zitten; opgaan; ophouden (te bestaan); wegsterven; versterven; ter ziele gaan; overgaan; eindigen; komen te vervallen; [veroud.;lit.t.] verzwinden
留まる tomaru (1) op zijn plaats blijven; vast blijven zitten; houden; (2) [m.b.t. vogels]) roesten; zich ophouden; pleisteren; neerstrijken; neerkomen; landen; gaan zitten; (3) blijven; verblijven; doorbrengen; (4) [i.c.m. 目に] opgemerkt blijven; [i.c.m. 心に] in het geheugen gegrift staan
留 ryuu (1) [astron.] het stationair zijn; stationair punt; (a) op zijn plaats houden; blijven; zich staande houden; (b) distillatie
突い居る tsuiiru (1) neerknielen; op z'n knieën vallen; knielend gaan zitten; (2) keurig gaan zitten; (3) blijven; even blijven zitten
続く tsuzuku (1) aanhouden; (blijven) duren; aanlopen; voortduren; zich voortzetten; continueren; (in stand) blijven; vervolgd worden; voortgaan; doorgaan; aan de gang zijn; gaande zijn; verder gaan; [i.h.b.] zich uitstrekken; [m.b.t. series e.d.] lopen; (2) elkaar opvolgen; volgen (op); nagaan; de volgende zijn; komen na; aansluiten op; vervolgens plaatsvinden; succederen; opeenvolgen; (3) [m.b.t. (water)wegen;ruimten enz.] leiden (naar); uitkomen (op); lopen; (4) wordt vervolgd; ===== Flexie =====; {| border="1" ; | Grondvorm || Stam || MZK || RYK || SSK || RTK || KTK || MRK || Flexie; |-; | 続く; | つづ || か ; こ || き ; い || く || く || け || け || godan; |}
詰める tsumeru (1) [op zijn post] blijven; zich paraat houden; op wacht staan; posten; (2) vullen (met); [koffers enz.] pakken; opvullen (met); stoppen; volstoppen; dichtstoppen; proppen; toeproppen; stouwen; [tandh.] plomberen; (3) (nauwer) doen aansluiten; dicht(er) opeen doen staan; zitten; dichter bij elkaar plaatsen; doen aanschikken; doen opeenpakken; aanhalen; (4) inkorten; verkorten; korter maken; bekorten; korten (met); afkorten; [m.b.t. kledingstuk] inleggen; [m.b.t. voorsprong;afstand] verkleinen; verminderen; [op de uitgaven enz.] besnoeien; bezuinigen; [de uitgaven enz.] beperken; inperken; [m.b.t. adem] inhouden; [m.b.t. vinger] knotten; (5) een eind maken aan [een discussie enz.]; beëindigen; afwikkelen; afronden; z'n beslag geven; ten einde brengen; de laatste hand leggen aan; (6) (onverdroten; onafgebroken; ononderbroken; continu; doorlopend; non-stop; de hele tijd; aanhoudend; constant) blijven ~; (geconcentreerd; ingespannen; intensief; intens) bezig zijn met ~; (7) schaak geven; schaak zetten; (schaak)mat zetten; (schaak)mat geven
通す;徹す;透す toosu (1) doorlaten; laten passeren; voorbij laten; langs laten lopen; langs laten gaan; langs laten komen; langs laten trekken; doen heendringen door; laten overgaan; [i.h.b.] laten slagen; geleiden; overbrengen; transmitteren; [法案を] aannemen; erdoor krijgen; goedkeuren; (2) inlaten; binnenlaten; laten doordringen; inbrengen; [糸を] insteken; doorhalen; doorsteken; penetreren; [糸に] rijgen; aaneenrijgen; (3) doorvoeren; doorzetten; doordrijven; [政策を] doortrekken; doordrammen; [inform.] doordouwen; handhaven; volhouden; standvastig blijven in; doen gelden; (4) blijven; doorgaan met; volharden in; door-; aanhoudend ~; aan één stuk ~; ten einde toe ~ [aangesloten op de ren'yōkei]