
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
dasu・出す
t.w. (1) [突出] uitstrekken; uitsteken. (2) [取出] uithalen; voor den dag halen. (3) [力を] aanwenden; inspannen. (4) [發送] verzenden; sturen. (5) [發行] uitgeven. (6) [食事等を] opdienen; serveeren. (7) [解雇] ontslaan. (8) [差出] inzenden. (9) [拂ふ] betalen. (10) [開業] beginnen. (11) [產出] voortbrengen. (12) [口に] zeggen. (13) [供給] aanschaffen. ¶ 葉を出す bladeren krijgen. ¶ 質物を出す pand terughalen. ¶ 狂言をだす comedie opvoeren. ¶ 寄附を出す bijdrage schenken. ¶ 國旗を出す nationale vlag uitsteken. ¶ 切符をを出しなさい verzoeke uw kaartjes te vertoonen. ¶ 降り出す beginnen te regenen. ¶ 泣き出す beginnen te huilen.
umidasu・產出す
(産出す) t.w. voortbrengen; baren.
tsukuridasu・作出す
(作り出す) t.w. maken; voortbrengen; produceeren; vervaardigen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <voortbrengen>
アウトプットする autoputtosuru (1) produceren; voortbrengen; opleveren; opbrengen; (2) [comp.] als output leveren; uitvoeren
作り上げる;造り上げる tsukuriageru (1) opleveren; voortbrengen; aanmaken; (2) verzinnen; uit z'n duim zuigen; uit z'n mouw schudden; verdichten; uitvinden; fantaseren; fabriceren; bedenken; [veroud.] opdichten
作り出す tsukuridasu (1) beginnen te maken; (2) voor het eerst maken; als eerste vervaardigen; uitvinden; creëren; in het leven roepen; (3) produceren; voortbrengen; opleveren
作る tsukuru (1) maken; vervaardigen; aanmaken; aanbrengen; vormen; [巣;機会;船を] bouwen; assembleren; fabriceren; in elkaar zetten; [区;庭を] aanleggen; [料理を] bereiden; klaarmaken; (2) [田を] bebouwen; cultiveren; [学生;教員を] opleiden; [性格を] ontwikkelen; vormen; opbouwen; (3) telen; kweken; verbouwen; (4) produceren; voortbrengen; [予算を] opstellen; opmaken; [文書;俳句を] schrijven; [計画;詩歌を] smeden; [楽曲を] componeren; (5) scheppen; [先例を] creëren; vormen; formeren; samenstellen; [新政府を] constitueren; [会社を] stichten; oprichten; vestigen; [時間;資金を] vrijmaken; [しわ;にきび;たこを] krijgen; (6) [口実を] verzinnen; fabriceren; kunstmatig vormen; construeren; [笑顔を] forceren; affecteren; faken; (7) [雄鶏が時を] kraaien
出す dasu (1) te voorschijn halen; uithalen; eruit halen; [gew.;お酒を〜] ophalen; naar buiten brengen; uitnemen; [トランプの札を〜] uitspelen; opspelen; zetten; [外に] uitlaten; buitenlaten; [水を〜] openzetten; laten lopen; lozen; (2) uitsteken; [旗を〜] uithangen; (3) uiten; slaken; [音;サインを〜] geven; maken; produceren; (4) publiceren; uitgeven; uitbrengen; op de markt brengen; uitvaardigen; openbaren; tonen; [i.h.b.] onthullen; ontbloten; laten blijken; aan de dag leggen; tentoonspreiden; uitstallen; etaleren; (5) serveren; [料理を〜] opdienen; voorschotelen; te berde brengen; aankomen met; komen aanzetten met; leveren; afleveren; verschaffen; opgeven; verstrekken; aanbieden; presenteren; uitreiken; [証を〜] aanvoeren; (6) insturen; inzenden; inleveren; indienen; [新人選手を〜] inzetten; (7) sturen; zenden; afvaardigen; verzenden; opsturen; versturen; (8) uitsturen; uitzenden; [ガスを〜] uitstoten; emitteren; [熱を〜] ontwikkelen; (9) doen vertrekken; [船を〜] uitzetten; [列車を〜] inleggen; (10) betalen; opbrengen; (11) veroorzaken; opleveren; voortbrengen; geven; [スピードを〜] halen; opdrijven; (12) [店;支店を〜] openen; beginnen; (13) […~] naar buiten …; uit-; (14) […~] beginnen te …; het op een … zetten
出 shutsu (1) aanwezigheid; (2) vertrek; verlating; (3) afstammeling; [fig.] zoon; (4) ontsnapping; (5) [bijb.] Exodus; [Hebr.] Sjemot; [afk.] Exod.; [afk.] Ex.; (6) opdringerig; bemoeiziek; vrijpostig; brutaal; (a) uitgaan; eruit gaan; (b) gaan naar; (c) verschijnen; (d) uitblinken; uitmunten; (e) zich voordoen; gebeuren; (f) uitbrengen; naar buiten brengen; (g) betalen; (h) doen verschijnen; laten zien; (i) voortbrengen; (j) oorsprong; herkomst
制作する seisakusuru (1) maken; produceren; voortbrengen; (2) uitbrengen; [i.h.b.] op de planken brengen; producen
創作する sōsakusuru (1) creëren; scheppen; maken; voortbrengen; [i.h.b.] schrijven; (2) fabriceren; verzinnen; verdichten; uit zijn duim zuigen; uit zijn mouw schudden
吹く fuku (1) [風が] waaien; blazen; (2) blazen (op); (3) uitstoten; uitbraken; spuwen; braken; opspuiten; uitspuiten; [fig.] doen uitbreken; voortbrengen; (4) [een fluitinstrument] bespelen; blazen op; spelen op; (5) opblazen; overdrijven; (6) metaalgieten
引き起こす hikiokosu (1) veroorzaken; doen ontstaan; aanrichten; uitlokken; aanleiding geven tot; aanleiding zijn tot; tot gevolg hebben; ten gevolge hebben; teweegbrengen; berokkenen; aandoen; aanstichten; op gang brengen; voortbrengen; verwekken; leiden tot; [fig.] het startschot geven voor; [onheil] aanbrengen; [vragen] opwerpen; oproepen; in het leven roepen; (2) [iets dat gevallen is] omhoogtrekken; helpen opstaan; [luchtv.] optrekken; (3) opnieuw doen herleven; nieuw leven geven aan; nieuw leven inblazen; weer op gang helpen; tot nieuwe bloei brengen
採れる toreru kunnen plukken; kunnen oogsten; [m.b.t. delfstof;grondstof enz.] gewonnen kunnen worden (uit); gedolven kunnen worden; geproduceerd worden (uit); voortkomen; opbrengen; opleveren; voortbrengen
涌かす;湧かす wakasu (1) wekken; oproepen; (2) voortbrengen; opwekken; kweken
生じる shōjiru (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); uitgaan van; resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten; (3) teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; dragen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren
生ずる shōzuru (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten; (3) teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren
生み出す umidasu (1) [子を] baren; ter wereld brengen; het leven schenken aan; [卵を] leggen; (2) scheppen; voortbrengen; (3) opleveren; produceren; genereren; leveren; [利益を] geven; dragen
生む;産む umu (1) [赤ちゃんを] baren; ter wereld brengen; het leven schenken aan; krijgen; bevallen van; [動物が子供を] jongen; werpen; [牛;象;鯨が子を] afkalven; [卵を] leggen; (2) voortbrengen; produceren; scheppen; doen bestaan; opleveren; opbrengen; teweegbrengen; in het leven roepen; het aanzijn geven; [lit.t.] in het aanzijn roepen; [lit.t.] tot aanzijn roepen; [疑惑を] wekken; [利子を] geven; dragen
生る naru (vrucht) dragen; (vruchten) voortbrengen; (vruchten) leveren; (vrucht) zetten; (in de vrucht) gaan staan; [m.b.t. fruit] groeien
生産する seisansuru produceren; voortbrengen; opleveren; maken; [i.h.b.] fabriceren
産する sansuru produceren; voortbrengen; opbrengen; afleveren; uitbrengen; opleveren; afwerpen
産出する sanshutsusuru produceren; voortbrengen; opbrengen; opleveren; afleveren
産 san (1) het baren; het bevallen; bevalling; baring; partus; verlossing; geboorte; [fig.] kraambed; (2) bakermat; geboorteplaats; origine; afkomst; afstamming; [fig.] wieg; (3) product; [m.b.t. personen] een geboren …; [fig.;m.b.t. personen] zoon; dochter van …; ingeborene van …; (4) fortuin; vermogen; rijkdom; bezit; middelen; (5) made in …; vervaardigd in …; afkomstig uit …; uit …; van … afkomst; van …; … van geboorte; geboortig van; uit; … van origine; van … bodem; (a) baren; een kind ter wereld brengen; (b) voortbrengen; product; (c) vermogen; bezit
発する hassuru (1) vertrekken uit; verlaten; (2) verschijnen; zich voordoen; optreden; gebeuren; voortkomen; voortspruiten; ontspringen; voortspringen; komen uit; uitgaan van; voortvloeien uit; emaneren uit; afkomstig zijn van; z'n oorsprong vinden; (3) ontstaan; tot stand komen; (4) teweegbrengen; veroorzaken; doen ontstaan; beginnen; starten; lanceren; (5) voortbrengen; geven; opleveren; afgeven; afscheiden; verspreiden; uitstoten; uitzenden; uitvaardigen; verstrekken; (6) uiten; uitbrengen; van zich doen uitgaan; formuleren; (7) afvuren; afschieten; (8) sturen; afzenden; afvaardigen
製作する seisakusuru (1) vervaardigen; fabriceren; produceren; maken; aanmaken; voortbrengen; opleveren; (2) uitbrengen; [i.h.b.] op de planken brengen; producen
製造する seizōsuru vervaardigen; fabriceren; produceren; maken; aanmaken; voortbrengen; opleveren
起す;起こす;興す okosu (1) rechtop zetten; oprichten; [撃鉄を] overhalen; overeind helpen; helpen opstaan; ophelpen; (2) wekken; wakker maken; (3) beginnen; aanvangen; openen; [訴訟を] aanspannen; instellen; (4) veroorzaken; aanleiding geven tot; teweegbrengen; aanstichten; aanrichten; (5) [熱;電気を] produceren; voortbrengen; genereren; verwekken; opwekken; doen ontstaan; [火を] aanleggen; aansteken; (6) doen herleven; opnieuw doen leven; (7) ziek worden; [病気を] oplopen; getroffen worden door; een aanval hebben van; krijgen; (8) oprichten; stichten; vestigen; in het leven roepen; (9) ploegen; omwerken; [土を] omwoelen
Tijd: 1.26 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 25 treffers (zoekopdracht: 'voortbrengen').
2005-2026
