日蘭辭典+

19 resultaten voor ‘vooruitzicht’
日蘭辭典 (trefwoord)
tenbō展望
zn. uitzicht o.; gezicht o. ¶ 展望する uitzicht hebben; uitzien. ¶ 展望 periscoop. ¶ 展望 observatie wagen. ¶ 展望 uitkijktoren; observatorium.
bōbaku茫漠
bn. onmetelijk; vaag (漠然). ¶ 茫漠たる海原 onmetelijke watervlakte. ¶ 前途頗る茫漠たるものだ de vooruitzichten zijn erg onzeker.
zento前途

zn. vooruitzichten o.mv.; toekomstige loopbaan v. ¶ 前途有望 veelbelovend.

yukimoyō雪模樣

(雪模様) zn. vooruitzicht van sneeuw; dreigende sneeuwlucht v.

yūbō有望

zn. goede vooruitzichten o.mv. ¶ 有望の hoopvol; veelbelovend.

yoki豫期

(予期) zn. verwachting v.; vooruitzicht o.; voorspelling v. ¶ 豫期の verwacht. ¶ 豫期する verwachten; voorspellen; rekenen op; hopen op. ¶ 豫期せざる onverwacht; onvoorzien.

tsumori積り

zn. (1) [心組] bedoeling v. (2) [目的] doel o. (3) [見込] verwachting v.; vooruitzicht o. (4) [見積] raming v.; berekening v.; schatting v.; begrooting v. ¶ …¶ の積で om; in de hoop; naar schatting. ¶ 積違 misrekening; bedrogen verwachting. ¶ 積書 raming; schriftelijke begrooting.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vooruitzicht>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
予想 yosou verwachting; afwachting; vooruitzicht; anticipatie; schatting; raming
予測 yosoku voorspelling; vooruitzicht; schatting; prognose; prognosticatie
saki (1) (puntig) uiteinde; eind; punt; spits; tip(je); top(je); [m.b.t. processie enz.] kop; hoofd; (2) toekomst; wat komen moet; wat te wachten staat; vooruitzicht; aspect; verschiet; wat de toekomst in petto heeft; [fig.] voorland; (3) vervolg; wat volgt; wat later komt; volgende gebeurtenis; (4) wat verder; wat voorop; (5) plaats van bestemming; -bestemming; (6) wederpartij; (onderhandelings)partner; de ander; (7) [attr.] vorig; voormalig; vroeger; voorgaand; voorafgaand
前途 zento (1) toekomst; vooruitzicht; verwachting; mogelijkheden; (2) verdere reis; verder traject; [m.b.t. treinkaartje] verdere rit
展望 tenbou (1) uitzicht; gezicht; (2) vooruitzicht; verwachting; kansen; aspect; (3) kijk; visie; opvatting; zienswijze; mening; observatie
当て ate (1) doel; streefdoel; bedoeling; oogmerk; plan; (2) verwachting; vooruitzicht; uitzicht; mogelijkheid; (3) betrouwbaarheid; vertrouwen; krediet; geloofwaardigheid
望み;望 nozomi (1) hoop; verwachting; [meton.;veroud.] betrouwen; (2) wens; verlangen; believen; (3) vooruitzicht; kans; veelbelovendheid; beloftevolheid
目処 medo (1) doel; streefdoel; oogmerk; bedoeling; (2) vooruitzicht; verwachting; perspectief; hoop; (3) [針の] oog
行方;行衛 yukue (1) plaats waar iemand zich bevindt; plaats waar iemand uithangt; plaats waar iemand zich ophoudt; verblijfplaats; iemands stappen; iemands gangen; spoor; (2) vooruitzicht; perspectief; uitzicht; toekomstbeeld; toekomst; mogelijkheden; aspect; (3) nageslacht; afstammelingen; (4) centen; geld [slang onder hofdames]
見当 kentou (1) doel; doelwit; doeleinde; mikpunt; (2) richting; (3) verwachting; vooruitzicht; perspectief; (4) schatting; raming; begroting; taxatie; (5) veronderstelling; onderstelling; vermoeden; hypothese; presumptie; (6) circa ~; ongeveer ~; om en bij de ~; rond de ~; in de buurt van ~; bij benadering ~
見所 midokoro (1) bezienswaardigheid; must see; blikvanger; grootse scène; hoogtepunt; highlight; uitschieter; (2) vooruitzicht; toekomstmogelijkheden; toekomstperspectief; belofte; verdienste; (3) criterium; kenmerk; eigenschap
見通し mitooshi (1) vergezicht; weids uitzicht; panorama; (2) vooruitzicht; verwachting; aspect; (3) doorzicht; inzicht; begrip
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.68 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 12 treffers (zoekopdracht: 'vooruitzicht'). 
2005-2026