RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <verwachten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
予想する yosousuru verwachten; voorzien; anticiperen; zien aankomen dat; rekening houden met; schatten; ramen
予期する yokisuru verwachten; afwachten; uitzien naar; tegemoet zien; anticiperen
図る hakaru (1) plannen; beramen; beogen; het aanleggen op; streven naar; nastreven; (2) pogen; proberen; een poging doen tot; (3) verwachten; rekening houden met; rekenen op; voorzien
当てにする atenisuru rekenen op; hopen op; verwachten; vertrouwen op; zich in het vooruitzicht stellen; z’n hoop vestigen op; [niet alg.] betrouwen op
当て込む atekomu (1) rekenen op; afgaan op; rekening houden met; verwachten; tegemoet zien; hopen op; uitkijken naar; (2) [ton.] een gag inlassen; (3) [kendō] toeslaan; raak slaan
待つ;俟つ matsu (1) wachten (op); verbeiden; afwachten; beiden; opwachten; verwachten; tegemoet zien; uitzien naar; in afwachting zijn van; inwachten; [Barg.;volkst.] darren; [arch.] vertoeven; (2) rekenen op; staat maken op; aangewezen zijn op; behoeven; vergen
思う omou (1) denken; (2) geloven; overtuigd zijn; vast vertrouwen op; (3) geneigd zijn; de neiging hebben tot; (4) beschouwen als; bezien als; vinden dat; houden voor; (zich) aanrekenen als; menen; achten; veronderstellen ~ te zijn; (5) verwachten; hopen; rekenen op; voorzien; (6) vrezen dat; bang zijn dat; bevreesd zijn dat; (7) zich verbeelden; zich voorstellen; zich indenken; zich een beeld vormen van; (8) veronderstellen; aannemen; gissen; berekenen; er van uit gaan dat; (9) zich herinneren; (10) van plan zijn te; de intentie hebben te; (11) wensen; verlangen; willen; begeren; (12) geïnteresseerd zijn in; belangstelling hebben voor; (13) beminnen; liefhebben; verliefd worden op; verliefd zijn op; verlangen naar; (14) zich afvragen of; (15) verdenken van; wantrouwen; mistrouwen; verdenken te
想う omou (1) hopen; wensen; verwachten; voorzien; (2) gissen; vermoeden; raden naar; (3) veronderstellen; vooronderstellen; aannemen; uitgaan van; (4) zich herinneren; voor de geest roepen; voor de geest halen; voor zich halen; (5) sympathie voelen voor; sympathiseren met; een warm hart toedragen; genegenheid voelen voor; waardering gevoelen voor
望む nozomu (1) een uitzicht hebben; (in de verte) zien; uitzien; overzien; overkijken; [w.g.] afogen; uitkijken; (2) wensen; willen; verlangen; begeren; verkiezen; believen; uit zijn op; staan naar; ambiëren; streven naar; dingen; verhopen; hopen; verwachten; uitkijken naar; vlassen op; talen naar; [Barg.;volkst.] spinzen (op)
期待する kitaisuru verwachten; hopen op; uitkijken naar
楽しみにする tanoshiminisuru z'n hoop vestigen op; verwachten; rekenen op; hopen op; zich verheugen op; tegemoet zien; uitkijken naar
考える kangaeru (1) denken; nadenken; bedenken; (2) vermoeden; van mening zijn dat; (3) van plan zijn te doen; denken te gaan doen; (4) verwachten; hopen; (5) concluderen; (6) oordelen dat; denken dat; (7) beschouwen als; denken dat; aanmerken als; zien als; achten; zich aanrekenen als; tot; (8) voorzichtig zijn; goed nadenken; (9) in overweging nemen
見込む mikomu (1) verwachten; voorzien; anticiperen; rekening houden met; in overweging nemen; (2) rekenen op; vertrouwen op; (3) schatten; ramen; (4) een oogje hebben op; uit zijn op; op het oog hebben; in het vooruitzicht hebben
踏む fumu (1) trappen (op); treden (in); de voet zetten op; betreden; begaan; bewandelen; (2) doorlopen [van procedure enz.]; volgen; (3) schatten; ramen; taxeren (op); begroten (op); waarderen (op); appreciëren; rekenen; verwachten