日蘭辭典+

13 resultaten voor ‘voorval’
日蘭辭典 (trefwoord)
jiko事故
zn. (1) [出來事] voorval o.; ongeval o. (2) [事由] omstandigheid v. oorzaak v. (3) [差支] beletsel o.; hindernis v.; bezwaar o. ¶ 不可抗的の事故 force majeure (佛語); overmacht; onvermijdelijke oorzaken.
koto

zn. (1) [事物] ding o.; voorwerp o. (2) [事件] zaak v.; aangelegenheid v. (3) [事實] feit o. (4) [出来事, 事變] voorval o.; gebeurtenis o. (5) [仕事] taak v. (6) [事情] omstandigheden v.mv. (7) [經驗] ondervinding v. ¶ の事 wat betreft..... ¶ 事なく zónder moeilijkheden. ¶ 事處に行った事があるか ben je daar wel eens geweest? ¶ 私の事ですか bedoel je mij?; moet je mij hebben? ¶ 一分の事で汽車に乘り遲れた ik was net één minuut te laat voor den trein. ¶ 事を缺く gebrek hebben aan.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <voorval>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
アクシデント akushidento toevalligheid; voorval; incident; [i.h.b.] ongeluk; ongeval; accident; malheur
ケース keesu (1) geval; case; voorval; gelegenheid; (2) etui; doosje; zakdoosje; tasje; foedraal
シーン shiin (1) [ton.;film] scène; deel van een bedrijf; toneel; episode; (2) scène; tafereel; voorval; (3) [maatwoord voor scènes]
一事 ichiji één zaak; geval; aangelegenheid; gebeurtenis; voorval
事件 jiken (1) incident; voorval; gebeurtenis; gebeuren; evenement; geval; affaire; kwestie; (2) [jur.] zaak; [Lat.;jur.] res; affaire; [i.h.b.] schandaal
事変 jihen (1) voorval; drama; incident; (2) omslag; wende; omwenteling; ommekeer; (3) opschudding; beroering; oproer; rellen; onlusten; opstootjes; troebelen; [veroud.] beroerten; (4) schermutseling; treffen; [veroud.] schutgevaart; schutgevaarte
事象 jishou (1) fenomeen; verschijnsel; gebeurtenis; voorval; (2) [wisk.;kansberekening] uitkomst
koto (1) ding; voorwerp; zaak; (2) zaak; aangelegenheid; affaire; omstandigheid; belang; (3) probleem; vraagstuk; kwestie; vraag; (4) feit; feitelijkheid; (5) omstandigheid; omstandigheden; toestand van een zaak; staat van zaken; toestand; situatie; (6) geval; (7) voorval; incident; onverwachte gebeurtenis; ongewone gebeurtenis; (8) ongeluk; ongeval; tegenspoed; pech; onheil; moeilijkheid; verwikkeling; (9) werk; werkzaamheid; ambtelijke werkzaamheid; functie; taak; opdracht; plicht; wat van iemand geëist wordt; (10) oorzaak; motief; reden; beweeggrond; (11) ervaring; ondervinding
出来事 dekigoto gebeurtenis; voorval; evenement; het gebeurde; een gebeuren; geschiedenis; [i.h.b.] incident
hen (1) voorval; incident; gebeuren; [i.h.b.] aanslag; alteratie; (2) [muziek] mol; molteken; (3) ongewoon; vreemd; raar; gek; eigenaardig; wonder; wonderbaar; zonderling; wonderlijk; [fig.] krullig; singulier; bijzonder; excentriek; buitenissig; (4) verdacht; suspect
maku (1) gordijn; [arch.] voorhang; voorhangsel; draperie; (2) [theat.] doek; toneelscherm; toneelgordijn; toneeldoek; voordoek; rideau; (3) [ton.] bedrijf; akte; (4) voorval; tafereel; gebeuren; (5) einde; afloop; (6) [sumō-jargon] eredivisie; (7) [ton.] [maatwoord voor toneelakten;bedrijven]; (a) gordijn; scherm; (b) [ton.;filmk.] doek; [ton.] bedrijf; akte; (c) [sumō-jargon] eredivisie
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.36 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 11 treffers (zoekopdracht: 'voorval'). 
2005-2026