RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <moment>
そこで sokode (1) dan; aldus; dus; daarom; zodoende; vandaar; [form.] derhalve; daardoor; bijgevolg; (2) nu dan; welnu; nou; en dan nu; (3) dan; op dat ogenblik; moment; toen
その頃 sonokoro destijds; in die dagen; tijd; periode; op zekere dag; op dat ogenblik; moment; toen; dan; toentertijd; toenmaals
モーメント mōmento (1) moment; ogenblik; (2) [nat.] moment; (3) [fig.] moment; factor
一刻 ikkoku (1) moment; ogenblik; poosje; tijdje; (2) koppig; stug; stijfkoppig; eigenwijs; onbuigzaam; halsstarrig; eigenzinnig; obstinaat; (3) heethoofdig; opvliegend; driftig; choleriek
一瞬 isshun (1) ogenblik; moment; tel; oogwenk; (2) gedurende een ogenblik; gedurende een moment; gedurende een tel; gedurende een oogwenk
一緒に isshoni (1) samen met; tezamen met; met; [veroud.] tegader; [veroud.] tegaar; (2) tegelijk; tegelijkertijd; gelijktijdig; op hetzelfde ogenblik; moment; (3) in één keer; in z'n geheel; ineens; in één betaling
一際 hitokiwa (1) opvallend; opmerkelijk; uitgesproken; buitengewoon; bij uitstek; uitermate; speciaal; in het bijzonder; vooral; voornamelijk; (2) rang; stand; (3) fase; moment
世 yo (1) mensenleven; leven; levensduur; levenstijd; generatie; (2) tijdperk; tijd; era; [i.h.b.] heerschappij; regering; (3) familiehoofdschap; patriarchaat; (4) [boeddh.] leven; bestaan; existentie; (5) [boeddh.] lekenbestaan; lekenwereld; seculiere; profane wereld; (6) samenleving; maatschappij; leven; wereld; (7) maatschappelijke positie; stand; (8) tijdsgeest; tijdstroom; trend; (9) levensonderhoud; kost; (10) periode; tijd; gelegenheid; moment; (11) land; rijk; (12) relatie; liaison; liefdesbetrekking
何時何時 itsunandoki (1) wanneer; (2) om het even wanneer; op elk (willekeurig) moment
刹那 setsuna (1) [boeddh.] uiterst kleine tijd; moment; ogenblik; oogwenk; (2) triljoenste deel; 10-18
刻み kizami (1) het snijden; hakken; kerven; slijpen; (2) kerf; insnijding; inkeping; keep; snede; (3) kerftabak; gekorven tabak; (4) [kabuki] ritmisch geklepper met klaphoutjes; (5) moment; periode; (6) klasse; rang; (7) interval; eenheid; segment
場合 bāi (1) geval; gelegenheid; moment; ogenblik; (2) omstandigheden; situatie
契機 keiki (1) kans; gelegenheid; geschikte omstandigheid; aanleiding; (2) (in de filosofie) moment
寸秒 sunbyō ogenblik; ogenblikje; moment; momentje; seconde; secondje
差し当たり sashiatari (1) op dit ogenblik; moment; nu; voorlopig; voor het ogenblik; moment; alvast; (2) beletsel; belemmering; obstakel
弾み hazumi (1) terugsprong; stuit; terugkaatsing; terugstuit; (2) aansporing; stimulans; impuls; prikkel; stuwkracht; drijfveer; zetje; boost; (3) moment; ogenblik
当座 tōza (1) heden; nu; tijdelijke; voorlopige; ogenblik; moment; (2) tussentijd; interim
所 toko (1) plaats; plek; (2) huis; thuis; (3) familie; afkomst; (4) moment; (5) geval; (6) […がとこ] ten bedrage van
折り ori (1) gelegenheid; moment; keer; kans; (2) wanneer; (3) vouw; (4) … keer gevouwen; toegevouwen
拍子 hyōshi (1) [muz.] maat; ritme; tempo; (2) gelegenheid; moment; ogenblik; (3) [maatwoord voor maten;ritmes]
斯須 shishu ogenblik; moment; korte tijd
時期 jiki (1) tijd; periode; seizoen; (2) tijd; timing; moment
時点 jiten tijdstip; tijdsmoment; ogenblik; moment
時;秋 toki (1) tijd; [arch.] stond; (2) tijd; periode; [i.h.b.] seizoen; (3) [in die] tijden; [in die] dagen; toenmalig; (4) allesbeslissend moment; kritiek punt; scharniermoment [spelling: toki 秋]; (5) kans; gunstige gelegenheid; gelegen tijd; (6) [spraakk.] tijd; tempus; (7) geval; keer; gelegenheid; moment; ogenblik; (8) toen; wanneer
束の間 tsukanoma korte tijd; moment; ogenblik; poos; poosje; [gew.] hortje; [gew.] lutje; [gew.] rukje
機 ki (1) gelegenheid; kans; tijd; moment; opportuniteit; omstandigheden; juiste ogenblik; (2) machine; toestel; (werk)tuig; apparaat; installatie; (3) vliegtuig; toestel; [veroud.] vliegmachine; [w.g.] vliegtoestel; (4) [maatwoord voor vliegtuigen]
段 dan (1) trap; trede; sport; stap; opstapje; opstap; (2) dan; sterktegraad; meestergraad; graad; klasse; rang; niveau; [fig.] kaliber; (3) schap; plank; laag; verdieping; etage; (4) rubriek; kolom; column; (5) tafel (van vermenigvuldiging); (6) alinea; paragraaf; passage; (7) [ton.] bedrijf; akte; (8) het feit (… te zijn); (9) fase; stadium; geval; moment; situatie; (10) [~ではない;じゃない] mate; kwestie
片時 katatoki moment; ogenblik
番い tsugai (1) paar; stel; koppel; span; (2) groep; ploeg; troep; ensemble; team; toom; (3) partner; wederhelft; (4) ploegendienst; shift; (5) verbinding; verbindingsstuk; voeg; (6) gewricht; geleding; scharnier; (7) moment; gelegenheid; (8) [maatwoord voor groepen;ploegen]
瞬時 shunji moment; ogenblik; korte tijd; seconde
瞬間 shunkan (1) korte tijd; ogenblik; moment; [fig.] seconde; [gew.] roef; (2) [adv.] ogenblikkelijk; [adv.] onverwijld; [adv.] terstond; [adv.] onmiddellijk; [adv.] dadelijk; [adv.] direct; [adv.] in een oogwenk; [adv.] in een mum van tijd; [adv.] in een flits; [adv.;veroud.] instantelijk; [gew.] in; op een roef
節 fushi (1) [plantk.] knoop; nodus; [i.h.b.] stengelknoop; knorf; kwast; knoest; war; noest; kwar; knobbel; gewricht; gewrichtsknobbel; geleding; kneukel; knokkel; knokel; kluwen; knot; knoedel; (2) punt; plek; plaats; passage; locus; (3) moment; gewichtige gebeurtenis; tijdsgewricht; overgangspunt; sluitstuk; (4) [muz.] melodie; toon; noot; [muz.] passage; (5) intonatie; klemtoon; accent; (6) gedroogde bonito (Katsuwonus pelamis); (7) [maatwoord voor knopen;kneukels]
都合 tsugō (1) geschiktheid; moment; gelegenheid; gemak; conveniëntie; voordeel; belang; (2) redenen; omstandigheden; (3) in totaal; alles bij elkaar; alles samen; alles erop en eraan; welgeteld; in summa; in toto
間 ma (1) ruimte; plaats; tussenruimte; interval; entre-deux; (2) vertrek; kamer; ruimte; (3) pauze; onderbreking; tijdsinterval; (4) tijd; moment; poos; (5) gelegenheid; kans; ruimte; [i.h.b.] geluk; (6) [muz.] maat; [i.h.b.] cesuur; rustpunt; [oneig.] ritme; tempo; timing
随時 zuiji (1) zo; waar; indien nodig; al naargelang het nodig is; indien de omstandigheden het nodig maken; al naar behoefte; naar believen; (2) om het even wanneer; op elk (willekeurig) moment; te allen tijde; bij gelegenheid
際 giwa (1) -kant; tegen …; (2) -tijd; -moment; op het punt staand te …; de; het … nabij
際 sai moment; gelegenheid; omstandigheden; geval
頃 koro (1) tijdstip; moment; tijd; (2) terwijl ~; gedurende de tijd dat ~; toen ~; ten tijde dat ~; (3) omstreeks ~; rond het tijdstip van ~