RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <meisje>
あんこ anko (1) [sumojargon] dikbuikige sumoworstelaar; (2) dochter; meisje; (3) jongen; jongeman
お姉さん onēsan (1) oudere zuster; oudere zus [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語) voor ane 姉]; (2) dienster; dienstmeisje; serveerster; serveuse; (3) meisje; meiske; (4) juffrouw!; mejuffrouw! [als aanspreekvorm (yobikake 呼び掛け)]
お嬢 ojō (1) meisje; ongetrouwde dame [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]; (2) dochter [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]
お嬢さん ojōsan (1) meisje; ongetrouwde dame [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]; (2) dochter [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]; (3) [als aanspreekvorm] juffrouw!; jonge dame!; mademoiselle! [honorifieke term (sonkeigo 尊敬語)]
お嬢ちゃん ojōchan (1) dochtertje; meisje; (2) meisje; meis; [gew.] meiske; meisken
ガール gāru (1) meisje; (2) [plantk.] guar; guarplant; guarstruik; Cyamopsis tetragonoloba (psoralioides); (3) Gard
ガールフレンド gārufurendo vriendin; vriendinnetje; liefje; meisje; kennisje
ギャル gyaru griet; meisje; meid; chick
三女 sanjo (1) drie dochters; meisjes; (2) drie dames; vrouwen; (3) derde dochter; meisje; (4) [conf.] vrouw op wie de shichikyo sanjū 七去三従-geboden van toepassing zijn
乙女 otome (1) meisje; jongedame; ongehuwde vrouw; meid; meiske; [arch.] deern; deerne; [veroud.] maagdeken; [veroud.] juffer; joffer; [veroud.] jonkvrouw; (2) maagdelijke vrouw; maagd; (3) De danseresjes [= titel van het 21e hoofdstuk van de Genji monogatari 源氏物語]
助 suke (1) hulp; helper; (2) [ton.] bijrol; [i.h.b.] doublure; (3) [kabuki] nevenauteur van het script; (4) het voorproeven van een beker sake; [i.h.b.] voorproever; (5) [Barg.] mokkel; meisje; jongedame; (6) -erik; -ebroer [= verwijst naar mensen gekarakteriseerd door het in het grondwoord genoemde]; (7) [vervangt voor het komische effect het koppelwerkwoord van een repliek door een personificatie]; (a) helpen; helper
女の子 onnanoko (1) jong meisje; meisje; (2) dochter; (3) vrouwelijke baby
女児 joji (1) meisje; (2) meisjesbaby; dochtertje
女児 menago meisje; dochter
女子 onnago (1) dochter; (2) meisje; jongedame; juffrouw
女子 joshi (1) meisje; [attr.] meisjes-; (2) vrouw; [attr.] vrouwelijk ~; [attr.] vrouwen-; [attr.] dames-
姫;媛 hime (1) meisje; (2) freule; lady; prinses; (3) [Kansai-dialect] meisje van plezier; (4) rijststijfsel; rijstlijm; (5) klein ~; lief ~; schattig ~
娘 musume (1) dochter; meisje; meid; [bij joden;volkst.] kalle; (2) juffrouw; ongehuwde vrouw; [arch.] jongejuffrouw; juffer; juffertje; griet; deern; deerne; wicht; [veroud.] mamzel
嬢 jō (1) meisje; meid; deerne; juffrouw; jongedame; [veroud.] juffer; juffertje; (2) mejuffrouw; juffrouw; (a) dochter; jongedame; juffrouw
子供 kodomo (1) kind; jongen; meisje; [meton.] jonge harten; (2) baby; zuigeling; (3) nakomeling; zoon; dochter; kroost; afstammeling
子女 shijo (1) zonen en dochters; jongens en meisjes; kinderen; (2) meisje; dochter
子等 kora (1) kinderen; nakomelingen; (2) [vleinaam en aanspreekwoord] kind; meisje
少女 shōjo meisje; kleine meid; [hypocoristisch] meiske; [arch.] deerne; [Ind.N.] keet
幼年 yōnen (1) jonge; vroege leeftijd; kinderjaren; kindertijd; kinderleeftijd; kindsheid; jeugd; [男性の] jongenstijd; jongensjaren; [女性の] meisjesjaren; (2) kind; [男性の] jongen; [女性の] meisje
愛人 aijin (1) minnaar; geliefde; lief; beminde; liefste; amant; vrijer; liefde; vlam; vriend; [inform.] kloris; [w.g.;gew.] vent; [scherts.] trekpleister; [gew.;veroud.] pol; (2) minnares; maîtresse; geliefde; lief; meisje; beminde; vrijster; liefste; liefde; vlam; vriendin; belle; [iron.] dulcinea; [Barg.;volkst.] mokkel; [scherts.] trekpleister; [lit.t.;veroud.] gebiedster; [veroud.] boelin; [euf.] chère amie
童部 warawabe (1) kind; jongetje; meisje; kinderen; (2) m'n vrouwtje; (3) knechtje; hulpje; meidje; (4) tempeldienaartje; (5) straatjochie; straatbengel; straatvlegel; boefje
色 iro (1) kleur; (2) verf; kleur; kleurstof; pigment; (3) gelaatskleur; gelaatsuitdrukking; voorkomen; uiterlijk; look; houding; (4) liefde; liefdesaffaire; romance; liefdesavontuur; idylle; (5) wellust; lust; vleselijk verlangen; seksuele begeerte; sexuele passie; zinnelijk plezier; sensueel genot; (6) liefje; vrijer; meisje; jongen; liefste; geliefde; minnaar; minnares; maîtresse; (7) schoonheid; beminnelijkheid; schattigheid; vrouwelijke charmes; aantrekkelijkheid; (8) verfraaiing; versiering; decoratie; ornament; opschik; tooi; (9) soort; aard; type; klasse; (10) [maatwoord voor kleuren]