
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
warujare・惡洒落
chameru・茶目る
i.w. grappen uithalen.
kuwashiku・詳しく
bw. (1) [詳細] omstandig; nauwkeurig; precies; uitvoerig; in bijzonderheden. i.w. (2) [熟知] goed op de hoogte zijn; goed met. ¶ 委しく述べる in bijzonderheden vertellen; precies vertellen. ¶ 彼は此邊の地理に詳しい hij is in deze streek goed bekend.
kyōgen・狂言
zn. (1) [劇の] klucht v.; blijspel o.; tooneelspel o. (2) [詐り] streek v.; bedriegerij v.
yūran・遊覽
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <streek>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
タッチ tatchi (1) aanraking; [m.b.t. schrijfmachine;piano] aanslag; toucher; [m.b.t. sport;muziek] techniek; stijl; (2) [m.b.t. penseel;gereedschap] toets; streek; touche
トリック torikku streek; kunstje; loer; poets; geintje; lolletje
ローカル rookaru (1) plaatselijk; lokaal; streek-; buurt-; (2) caloriearm
一抹 ichimatsu (1) [~の] vleugje; zweem; tikje; ietsje; touch; tintje; (2) toets; penseelstreek; streek; trek; trekje
土地 tochi (1) grond; land; aarde; [vaderlandse enz.] bodem; (2) terrein; domein; stuk land; lap grond; [pregn.] lap; [pregn.] perceel; [lit.t.] landouw; (3) plaats; gebied; gewest; streek; regio; buurt; (4) territorium; domein; grondgebied
土地の tochino plaatselijk; lokaal; buurt-; streek-
土 do (1) grond; bodem; aarde; (2) terrein; gebied; domein; land; territorium; streek; plaats; (3) tǔ [= 3e fase binnen de wǔxíng 五行]]; (4) zaterdag; [afk.] za.; (5) provincie Tosa; (6) Turkije; (a) grond; aarde; (b) land; gebied; streek; (c) tǔ; (d) Saturnus; (e) provincie Tosa
地区 chiku district; zone; sector; gebied; regio; streek; [i.h.b.] wijk; buurt; strook
地域 chiiki gebied; streek; regio; gewest; zone
地帯 chitai zone; gordel; streek; gebied; strook
地方 chihou (1) landstreek; gewest; gebied; regio; district; arrondissement; streek; kant; (2) platteland; provincie; regio; periferie; plaatselijk ~ [tgov. de stad;het centrum]
地 ji (1) grond; aarde; bodem; (2) streek; land; (3) basis; fundering; grondslag; (4) natuurlijke huid; (5) ondergrond; grondlaag; fond; veld; (6) stof; weefsel; textiel; (7) aard; karakter; (8) grondtekst; (9) werkelijkheid; realiteit; feit; (10) [go] ingenomen gebied; (11) muzikale begeleiding bij Japanse dans; (12) [Jap.muz.] motief; (13) [shamisen-muz.] grondtoon; (14) [nō-theater] koorgezang; koorzang; koorlied; koorstuk; (15) jiai-recitatie [= intonering onder shamisen-begeleiding]; (a) grond; aarde; land; (b) streek; plaats; (c) [boeddh.] bhūmi [= stadium binnen iems. religieuze ontwikkeling]; (d) grondstof; onbewerkt materiaal; (e) aard; karakter; natuur
域 iki (1) gebied; domein; (2) grenzen; perken; (3) niveau; peil; (a) grens; terrein; gebied; (b) land; streek
境 kyou (1) plaats; streek; gebied; (2) gemoedstoestand; stemming; staat; (3) omgeving; situatie; (4) [boeddh.] viṣaya [= cognitief object]; vastu [= ding]; (a) grens; (b) gebied; terrein; domein; (c) situatie; toestand; (d) [boeddh.] viṣaya; gebied van de zintuigen
当地 touchi hier; deze plaats; plek; stad; streek
悪巧み warudakumi list; kneep; complot; intrige; kunstgreep; (sluwe) streek; boos opzet; snood plan; gekonkel; kuiperij; samenzwering; machinatie; conspiratie
所;処 tokoro (1) plaats; plek; stee; oord; zetel [der regering enz.]; gebied; lokatie; ruimte; afstand; ligging; (2) adres; verblijfplaats; (3) [bij iem.] thuis; (4) [~の] streek-; … van het platteland; plaatselijk; plaatselijke; gewestelijk; gewestelijke; (5) deel; gedeelte; stuk; passage; (6) [弱い;強い] punt; kant; trek; (7) positie; rol; (8) omstandigheid; geval; gelegenheid; (9) [maatwoord voor plekken;stuks e.d.]; (10) [maatwoord voor godheden;edellieden e.d.]; (11) [op het] moment [dat …]; de tijd dat …; [op het] punt [staan te …]; [op het] ogenblik [dat …]; (12) een kwestie van …; in de orde van …; (13) dat wat …; datgene wat …; (14) waaraan; waarover; (15) toen …; wanneer …
方位 houi hoek; streek; richting; positie; hemelstreek; windstreek; [羅針盤の] kompasstreek; kompasrichting; [astron.;landmeetk.] azimut
方面 houmen (1) richting; streek; [ter] hoogte [van]; [in de] buurt [van]; ~ en daaromtrent; ~ en omgeving; ~ en omstreken; (2) gebied; terrein; vlak; facet; domein; kring; kant; aspect
画;劃 kaku (1) horizontale hele of onderbroken lijn [vormt samen met twee andere lijnen een trigram]; (2) streepje als onderdeel van een kanji; streek; pennenstreek; trek; pennentrek; haal; (3) [maatwoord om het aantal halen;trekken;streken;strepen te tellen waarmee een karakter is gevormd]
細工 saiku (1) stuk; stukje werk; gewrocht; maaksel; werkstuk; handwerk; (2) vakmanschap; (3) truc; streek; kunstje; foefje; kunstgreep; trucage
辺地 henji (1) [boeddh.] plaats waar Amida-sceptici herboren worden; (2) [vanuit China's of India's standpunt] Japan; (3) uithoek; afgelegen oord; plaats; streek; buitenplaats; buitengewest; buitenpost; boerengat; negorij; negerij
辺地 henchi (1) uithoek; afgelegen oord; plaats; streek; buitenplaats; buitengewest; buitenpost; boerengat; negorij; negerij; (2) [boeddh.] plaats waar Amida-sceptici herboren worden; (3) [vanuit China's of India's standpunt] Japan
部位 bui [geneesk.] streek; gebied
Tijd: 1.36 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 24 treffers (zoekopdracht: 'streek').
2005-2026
