日蘭辭典+

36 resultaten voor ‘afsluiten’
日蘭辭典 (trefwoord)
shimau仕舞ふ
(仕舞う、終う、了う、藏ふ、蔵う) t.w. [終る] eindigen; ten einde brengen; i.w. een eind maken aan. t.w. (2) [藏する] wegbergen; opbergen. ¶ を讀んで了ふ een boek uitlezen. ¶ 試驗を仕舞ひました het examen is afgeloopen.
uchikiru打切る

t.w. afsluiten; afrekenen; i.w. tot een besluit komen.

tsumeru詰める

t.w. (1) [閉塞する] versperren; afsluiten; blokkeeren. (2) [詰塞ぐ] opvullen; volstoppen; dichtstoppen. i.w. (3) [間を] opschikken; dichter opeen gaan zitten; (4) [押入る] dringen. t.w. (5) [短縮] inkrimpen; verkorten; verminderen. i.w. (6) [將棋] schaakmat zetten. ¶ 耳に綿を詰める watten in de ooren stoppen. ¶ 詰めて書く dicht op elkaar schrijven. ¶ 著物を詰める jas innemen. ¶ どうぞ今少しお詰め下さい wil u als het u belieft wat opschuiven; verzoeke wat op te schikken.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afsluiten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
けりを付ける keriwotsukeru ergens een punt achter zetten; er een einde aan maken; tot een eind brengen; ten einde brengen; beëindigen; besluiten; afsluiten; afronden; afmaken; [Belg.N.] gedaan maken met; settelen; afhandelen; regelen; afdoen
仕舞いにする shimainisuru beëindigen; besluiten; een einde maken aan; doen ophouden; afsluiten; afronden; een punt zetten achter
仕舞う;終う shimau (1) sluiten; dichtdoen; [i.h.b.] voorgoed sluiten; stopzetten; opdoeken; opheffen; [met de zaak enz.] ophouden; (2) opbergen; bergen; wegbergen; wegdoen; wegleggen; wegzetten; wegstoppen; [i.h.b.] terugleggen; [i.h.b.] terugzetten; [i.h.b.] terugplaatsen; [i.h.b.] weer op zijn plaats zetten; leggen; [~ている;ておく] bewaren; opzijleggen; opslaan; (3) beëindigen; afmaken; eindigen; tot een eind brengen; een einde maken (aan); afsluiten; afronden
収める osameru (1) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (2) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (3) opdragen aan; toewijden aan; [神社へ] offeren aan; aanbieden; consacreren; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; schikken; slechten; beslechten; afhandelen; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [鳥が羽を] z'n vleugels vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
塞ぐ fusagu (1) afsluiten; dichten; dichtmaken; afdichten; afstoppen; dichtgooien; toegooien; stoppen; vullen; dempen; plempen; dichtstoppen; verstoppen; toestoppen; toedammen; opvullen; opstoppen; opproppen; stremmen; versperren; [veroud.] sperren; blokkeren; belemmeren; obstrueren; (2) de handen voor [z'n ogen;oren;mond enz.] houden; met z'n handen afdekken; bedekken; (3) [de deur e.d.] sluiten; dichtdoen; toedoen; toesluiten; (4) [plicht e.d.] vervullen; doen; voldoen; volbrengen; betrachten; (5) [tijd;plaats e.d.] in beslag nemen; innemen; beslaan; bezetten; (6) versomberen; in de put raken; zich depri gaan voelen; depressief worden; ontmoedigd raken; mismoedig worden; terneergedrukt raken; gedeprimeerd raken; down raken
完了する kanryousuru afsluiten; beëindigen; stoppen met
完結させる kanketsusaseru beëindigen; afronden; besluiten; afmaken; voltooien; afwerken; afsluiten; completeren; volbrengen
完結する kanketsusuru (1) eindigen; sluiten; ten einde komen; (2) besluiten; afsluiten; beëindigen; ten einde brengen; eindigen; sluiten
封じる fuujiru (1) verzegelen; (2) afsluiten; insluiten; blokkeren; afgrendelen; (3) beteugelen; in bedwang houden; bedwingen; beheersen; (4) [rel.] bezweren; (5) verbieden; bannen
封ずる fuuzuru (1) verzegelen; afsluiten; insluiten; blokkeren; afgrendelen; (2) beteugelen; in bedwang houden; bedwingen; beheersen; (3) [rel.] bezweren; (4) verbieden; bannen
封鎖する fuusasuru blokkeren; afsluiten; versperren; afgrendelen; [econ.] bevriezen; [veroud.] sperren
打ち切る uchikiru (1) afsnijden; (2) beëindigen; tot een eind brengen; een eind maken aan; stoppen met; afbreken; besluiten; afsluiten; afronden; ophouden met; nokken met; uitscheiden met; [Belg.N.] gedaan maken met; kappen met; verbreken
打ち止める uchitomeru (1) vastslaan; door slaan bevestigen; vastklinken; (2) besluiten; beëindigen; afsluiten
打止めにする uchidomenisuru afhandelen; er een einde aan maken; tot een eind brengen; afsluiten
括る kukuru (1) binden; vastbinden; vastmaken; bundelen; (2) [首を] zich verhangen; (3) [かっこで] tussen haakjes zetten; plaatsen; (4) [収支を] vereffenen; verrekenen; afsluiten; salderen
止める;停める tomeru (1) stoppen; stopzetten; stilleggen; stilhouden; laten stilstaan; stillen; stuiten; tot stilstand brengen; stilzetten; tot staan brengen; parkeren; stallen; [aan de kant enz.] zetten; neerzetten; arrêteren; [de dief enz.] houden; een halt toeroepen; een punt zetten achter ~; een einde maken aan [een ruzie enz.]; ophouden; stremmen; [de aanvoer enz.] staken; afbreken; afsnijden; [een paard enz.] tegenhouden; vasthouden; aanhouden; inhouden; keren; [fig.] afdammen; [m.b.t. geluid;pijn] weren; ophouden; stelpen; (2) [het licht enz.] uitdoen; uitschakelen; [m.b.t. gas;water;radio] uitdraaien; dichtdraaien; afsluiten; uitzetten; afzetten; [de stroom] afbreken; afsnijden; (3) [m.b.t. inflatie enz.] bedwingen; beheersen; afremmen; beteugelen; breidelen; in toom houden; in bedwang houden; intomen; [de groei enz.] belemmeren; (4) beletten; verhinderen; verbieden; voorkomen; ontzeggen; verhoeden
消す kesu (1) (van vuur) uitdoven; (van vuur) blussen; (van vuur) doven; (van vuur) doen ophouden; (van vuur) uitdoen; (van een kaars) uitblazen; (2) (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) uitschakelen; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) afzetten; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) buiten werking stellen; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) doven; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) uitdoen; (3) [がすを] het gas uitdraaien; uitzetten; afsluiten; de gaskraan dichtdraaien; (4) wegvegen; uitvegen; wegvagen (met een vlakgom); uitwissen (van voetsporen); wissen (uit zijn geheugen); uitvlakken; (5) (een letter; een woord; een passage; etc.) doorhalen; (een letter; een woord; een passage; etc.) doorstrepen; (een letter; een woord; een passage; etc.) schrappen; (een letter; een woord; een passage; etc.) doorschrappen; (6) (van geluid) dempen; (van geluid) smoren; (van geluid) absorberen; (van geluid) niet weerkaatsen; (van geluid) krachteloos maken; (7) (een geur) verdrijven; (een geur) doen verdwijnen; (een geur) verjagen; (een geur) neutraliseren; (8) (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) neutraliseren; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) een tegengif geven tegen ...; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) een antidotum geven tegen ...; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) onschadelijk maken; (9) vermoorden; ombrengen; liquideren; doden; koud maken; afmaken; om zeep helpen; voorgoed tot zwijgen brengen; onschadelijk maken; (10) [姿を] verdwijnen; uit het zicht verdwijnen; van de scène verdwijnen; in rook opgaan; het toneel verlaten; van het toneel verdwijnen
清算する seisansuru (1) afrekenen; vereffenen; voldoen; clearen; verrekenen; afdoen; [借金を] aflossen; aanzuiveren; (2) [econ.] liquideren; (3) [rel.] weer goedmaken; boete doen voor; boeten voor; (4) [過去を] van zich afzetten; afsluiten; [fig.] begraven; (5) [関係を] verbreken; afmaken; opheffen
納める osameru (1) opdragen aan; toewijden aan; offeren aan [een godheid]; aanbieden [aan een godheid]; consacreren; (2) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (3) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [m.b.t. een vogel] zijn veren vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
終わらせる owaraseru beëindigen; doen ophouden; een einde maken aan; tot een eind brengen; ten einde brengen; afmaken; afsluiten; eindigen; afronden; completeren; [Belg.N.] komaf maken met
終了する shuuryousuru (1) aflopen; er komt een einde aan ~; ten einde lopen; tot een einde komen; een einde nemen; eindigen; ophouden; over; uit; voorbij; gedaan zijn; [i.h.b.] expireren; (2) afsluiten; een eind maken aan; tot een einde brengen; afmaken; eindigen; besluiten; beëindigen; termineren; voltooien; afwerken; zijn; haar beslag geven
終結させる shuuketsusaseru beëindigen; besluiten; afronden; afsluiten; een eind maken aan; tot een eind brengen; termineren
結ぶ;掬ぶ musubu (1) binden; verbinden; vastbinden; dichtbinden; [紐を〜]knopen; dichtknopen; vastknopen; vastleggen; vastmaken; samenbrengen; voegen; samenvoegen; verenigen; aanbinden; aaneenvoegen; aaneensluiten; aansluiten; aaneenschakelen; koppelen; samenkoppelen; in verband brengen; relateren; (2) vormen; maken; [vrucht] dragen; [vriendschap enz.] sluiten; [betrekkingen enz.] aanknopen; [een coalitie enz.] aangaan; [de handen enz.] ineenslaan; [een contract enz.] afsluiten; (3) beëindigen; besluiten; afsluiten; (4) (掬ぶ) met de handen [water enz.] scheppen; met de handen opscheppen; (5) [実を〜] vruchten dragen
結末をつける ketsumatsuwotsukeru afmaken; een eind maken aan; z'n beslag geven; afsluiten; besluiten; beëindigen; ten einde brengen; tot een eind brengen; settelen; afhandelen; regelen; afdoen; [Belg.N.] gedaan maken met
締め切る;閉め切る shimekiru (1) sluiten; dichtdoen; toedoen; (2) afsluiten; beëindigen; besluiten; [meton.] uiterlijk; niet later dan; op zijn laatst ~ aanvaarden
纏める matomeru (1) samenvatten; bundelen; samenbrengen; vergaren; verzamelen; samenbundelen; bijeenzamelen; verenen; tot één maken; bijeenbrengen; samenvoegen; [i.h.b.] compileren; (2) rangschikken; ordenen; vormgeven; (3) afdoen; afhandelen; settelen; regelen; beslechten; bewerken; afconcluderen; voleindigen; ten einde brengen; uitmaken; [i.h.b.] bijleggen; bemiddelen; tot een vergelijk brengen; tot stand brengen; beklinken; afsluiten; afronden; afwerken
遮断する shadansuru afsnijden; onderbreken; afsluiten; versperren; interrumperen
閉ざす tozasu (1) [戸;門;口を] sluiten; dichtdoen; toedoen; [錠で] op slot doen; [閂で] vergrendelen; (2) [店を] opdoeken; (3) [道を] versperren; blokkeren; (4) [国を] afzonderen; isoleren; afsluiten
閉塞する heisokusuru blokkeren; afsluiten; afdichten; opstoppen; obstrueren; occluderen
閉鎖する heisasuru sluiten; afsluiten; afgrendelen; [工場を] stopzetten; opheffen; dichtdoen; opdoeken; buiten bedrijf stellen
hei (a) sluiten; afsluiten; (b) besluiten; stopzetten
阻む;沮む habamu (1) versperren; blokkeren; afsluiten; ondoorgankelijk maken; obstrueren; (2) belemmeren; hinderen; in de weg staan; bedwingen; in bedwang; toom houden; (3) voorkómen; beletten; verhinderen; verhoeden; verijdelen; dwarsbomen; zorgen dat niet
隔離する kakurisuru isoleren; afzonderen; afsluiten; in quarantaine plaatsen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.33 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 33 treffers (zoekopdracht: 'afsluiten'). 
2005-2026