日蘭辭典+

23 resultaten voor ‘schikken’
日蘭辭典 (trefwoord)
ikaga如何
bw. hoe?; wat? ¶ 如何ですhoe gaat het ermee? hoe maakt u het?; hoe is het?. ¶ 如何お思ひになりますか wat zou je ervan zeggen? ¶ 昨夜は如何でしたか hoe was het gisterenavond?; hoe heb je het gisterenavond gehad? ¶ 今度芝居如何でしたか hoe vond je de comedie?; wat zeg je van de comedie? ¶ もう一つ如何ですか wil je er niet nog eentje nemen? ¶ 明日では如何ですか schikt het u morgen?
dakyō妥協

zn. schikking v.; overeenstemming v.; compromis o. ¶ 妥協する schikking treffen; in der minne regelen.

wakyoku和局

zn. minnelijke schikking v. ¶ 和局を結ぶ in der minne schikken.

tsumeru詰める

t.w. (1) [閉塞する] versperren; afsluiten; blokkeeren. (2) [詰塞ぐ] opvullen; volstoppen; dichtstoppen. i.w. (3) [間を] opschikken; dichter opeen gaan zitten; (4) [押入る] dringen. t.w. (5) [短縮] inkrimpen; verkorten; verminderen. i.w. (6) [將棋] schaakmat zetten. ¶ 耳に綿を詰める watten in de ooren stoppen. ¶ 詰めて書く dicht op elkaar schrijven. ¶ 著物を詰める jas innemen. ¶ どうぞ今少しお詰め下さい wil u als het u belieft wat opschuiven; verzoeke wat op te schikken.

tsugō都合

(都合) zn. (1) [便宜] gemak o.; voordeel o. (2) [事情] omstandigheden v.mv.; situatie v. (3) [場合] gelegenheid v. (4) [機會] geschikte gelegenheid v. bw. (5) [合計] totaal. ¶ 雙方に都合が好い voordeelig voor beide partijen. ¶ 都合により wegens omstandigheden. ¶ 其の時の都合で al naar het dan uitkomt. ¶ 都合次第に zoodra het schikt. ¶ 都合を待つ goede gelegenheid afwachten. ¶ 都合惡しき ongelegen; ongunstig. ¶ 都合よき gelegen; geschikt; gunstig. ¶ 都合よく gelukkig; het trof goed, dat..... ¶ 都合する schikken; regelen; regeling treffen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <schikken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
あしらう ashirau (1) behandelen; ontvangen; onthalen; omgaan met; omspringen met; (2) nonchalant; slordig; zozo behandelen; lichtzinnig omgaan met; onzorgvuldig omspringen met; (3) van iets passends voorzien; schikken; plaatsen; [肉に野菜を] garneren met; versieren met; opmaken met; dresseren; aankleden; afwerken; (4) [nō-term] muzikaal begeleiden
アレンジする arenjisuru (1) ordenen; schikken; opstellen; samenstellen; arrangeren; (2) regelen; voorbereiden; organiseren; klaarmaken; arrangeren; (3) [muz.;theat.] arrangeren; bewerken
並べる naraberu (1) naast elkaar plaatsen; dicht bij elkaar zetten; zij aan zij leggen; juxtaponeren; (2) rijen; in; op een rij plaatsen; een rij; rijen doen vormen; schikken; (in een rij) opstellen; (op een rij) zetten; [stoelen e.d.] klaarzetten; [op een (speel)bord] plaatsen; (3) iets naast iets anders stellen; vergelijken; opwegen; (4) aan een stuk door [praten;klagen enz.]; [klachten;gebreken enz.] opnoemen; opsommen
処す shosu (1) [人生に] zich door het leven slaan; zich door de wereld helpen; z'n draai vinden; zich schikken; inspelen; zich inpassen; (2) afhandelen; beslechten; afdoen; in orde maken; klaren; schikken; regelen; aanpakken; (3) straffen; bestraffen; tuchtigen; kastijden; (4) veroordelen; vonnissen; opleggen
処する shosuru (1) [人生に] zich door het leven slaan; zich door de wereld helpen; z'n draai vinden; zich schikken; inspelen; zich inpassen; (2) afhandelen; beslechten; afdoen; in orde maken; klaren; schikken; regelen; aanpakken; (3) straffen; bestraffen; tuchtigen; kastijden; (4) veroordelen; vonnissen; opleggen
収める osameru (1) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (2) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (3) opdragen aan; toewijden aan; [神社へ] offeren aan; aanbieden; consacreren; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; schikken; slechten; beslechten; afhandelen; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [鳥が羽を] z'n vleugels vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
取り纏める torimatomeru (1) bundelen; verzamelen; bijeenbrengen; samenvoegen; [荷物を] pakken; (2) beslechten; bijleggen; schikken; vereffenen; z'n beslag geven; [gew.] slechten; slichten
和解する wakaisuru schikken; bijleggen; tot een schikking komen; zich verzoenen; beslechten; (in der minne) slechten
宥める nadameru (1) niet aanrekenen; vergoelijken; door de vingers zien; vergeven; (2) sussen; tot bedaren brengen; kalmeren; geruststellen; apaiseren; paaien; stillen; gunstig stemmen; (3) bemiddelen; tussenbeide komen; verzoenen; (4) regelen; schikken
意にかなう inikanau aanstaan; bevallen; in de smaak vallen; schikken; goed uitkomen
折り合いをつける oriaiwotsukeru schikken; bijleggen; tot een schikking komen; een compromis sluiten; een vergelijk treffen; een dading aangaan; het eens worden
生ける ikeru (1) [花を] schikken; (2) in leven houden; levend houden; (3) reanimeren; in het leven terugroepen; (4) levend
認める shitatameru (1) neerschrijven; opschrijven; optekenen; schrijven; noteren; op papier zetten; brengen; opstellen; maken; (2) eten; nuttigen; (3) ordenen; schikken; (4) voorbereiden; (5) [hofdamesjargon] koken
hai (a) schikken; combineren; (b) partner; koppel; (c) uitdelen; distribueren; (d) portie; aandeel; (e) instruering; (f) waarschuwing; (g) verbanning
配す haisu (1) opstellen; plaatsen; uitzetten; doen postvatten; posteren; stationeren; toewijzen; alloceren; (2) combineren; arrangeren; schikken; doen passen bij; samenvoegen; matchen; (3) koppelen; uithuwen; uithuwelijken; (4) verbannen; exileren; deporteren; (5) onderbrengen; onderschikken
配列する;排列する hairetsusuru rangschikken; ordenen; schikken
配合する haigousuru (1) arrangeren; combineren; schikken; (2) mengen; een melange maken; mixen; (3) koppelen
配置する haichi plaatsen; posteren; stationeren; opstellen; schikken; aanbrengen; voorzien van
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.41 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 18 treffers (zoekopdracht: 'schikken'). 
2005-2026