日蘭辭典+

27 resultaten voor ‘innemen’
日蘭辭典 (trefwoord)
nuku拔く
t.w. (1) [引拔く] uitrekken. i.w. [抽出] uittreksel maken. t.w. (3) [引用] aanhalen; citeeren. (4) [取除] verwijderen; uitzonderen. (5) [省略] weglaten. (6) [抽んでる] overtreffen; i.w. uitblinken; uitmunten. t.w. [攻落] veroveren; innemen. (8) [追ひ越す] inhalen. [色を脱く] verkleuren; verschieten. ¶ 空氣を拔く lucht eruit pompen. ¶ 難解の所を脱く moeilijke passages overslaan. ¶ 釘を拔く spijker uittrekken.
yūshi雄覗

zn. overheerschende positie v. ¶ 雄覗する toon aangeven; overheerschende positie innemen.

tsumeru詰める

t.w. (1) [閉塞する] versperren; afsluiten; blokkeeren. (2) [詰塞ぐ] opvullen; volstoppen; dichtstoppen. i.w. (3) [間を] opschikken; dichter opeen gaan zitten; (4) [押入る] dringen. t.w. (5) [短縮] inkrimpen; verkorten; verminderen. i.w. (6) [將棋] schaakmat zetten. ¶ 耳に綿を詰める watten in de ooren stoppen. ¶ 詰めて書く dicht op elkaar schrijven. ¶ 著物を詰める jas innemen. ¶ どうぞ今少しお詰め下さい wil u als het u belieft wat opschuiven; verzoeke wat op te schikken.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <innemen>
上げをする ageosuru [着物に~] inkorten; innemen; opnemen; plooien; plooien maken; plisseren
乗っ取る nottoru (1) overnemen; zich meester maken van; een greep doen naar; grijpen naar; veroveren; in handen krijgen; innemen; bemachtigen; (2) kapen; gijzelen
仕入れる shīreru (1) inslaan; in voorraad nemen; een voorraad … aanleggen; voorraad opdoen; innemen; (2) een voorraad aanvullen; (3) zich verschaffen; aanschaffen; zich voorzien van; vinden; aankrijgen; [情報を] verzamelen
仰ぐ aogu (1) opkijken; de ogen opslaan; omhoogzien; (2) opzien tegen; opkijken naar; tegen; bewonderen; hoogachten; eerbiedigen; respecteren; (3) [助言を] vragen; verzoeken om; inwinnen; (4) rekenen op; zich wenden tot; steunen op; afhangen van; afhankelijk zijn van; (5) [毒を] innemen
占める shimeru bezetten; bezit nemen van; occuperen; beslaan; innemen; in beslag nemen; [m.b.t. ambt;functie] bekleden; [een zetel in het bestuur;de Kamer enz.] hebben; [een meerderheid enz.] halen; [x% van ~] uitmaken; voor zijn rekening nemen
占領する senryōsuru bezetten; occuperen; innemen
取り入れる torīreru (1) inhalen; naar binnen halen; binnenhalen; binnenbrengen; inbrengen; inlaten; innemen; (2) invoeren; introduceren; overnemen; opnemen in; adopteren; aannemen; ontlenen; integreren; inlijven; [fig.] importeren; (3) oogsten; inoogsten; inzamelen; vergaren; verzamelen; [veroud.;lit.t.] garen
取り込む torikomu (1) inhalen; binnenhalen; naar binnen halen; brengen; inlaten; invoeren; introduceren; (2) overhalen; overreden; voor zich winnen; ompraten; (3) inlijven; innemen; zich toe-eigenen; tot zijn eigendom maken; in bezit nemen; naasten; (4) [comp.] [データを] vastleggen; importeren; (5) op stelten staan; in rep en roer zijn; de handen vol hebben; veel te doen hebben; het druk hebben; [i.h.b.] met gezinsproblemen te kampen hebben; ruzie in het huishouden hebben; 't is rosse maan
取る toru (1) nemen; vatten; pakken; grijpen; hanteren; (2) krijgen; ontvangen; winnen; halen; aannemen; aanvaarden; (3) kiezen; uitkiezen; pikken; (4) vragen; aanrekenen; innen; (5) begrijpen; interpreteren; opvatten; (6) wegnemen; verwijderen; weghalen; (7) vangen; oogsten; binnenhalen; (8) afnemen; afpakken; stelen; pikken; (9) vergen; vereisen; (10) boeken; reserveren; vastleggen; (11) innemen; bezetten
塞ぐ fusagu (1) afsluiten; dichten; dichtmaken; afdichten; afstoppen; dichtgooien; toegooien; stoppen; vullen; dempen; plempen; dichtstoppen; verstoppen; toestoppen; toedammen; opvullen; opstoppen; opproppen; stremmen; versperren; [veroud.] sperren; blokkeren; belemmeren; obstrueren; (2) de handen voor [z'n ogen;oren;mond enz.] houden; met z'n handen afdekken; bedekken; (3) [de deur e.d.] sluiten; dichtdoen; toedoen; toesluiten; (4) [plicht e.d.] vervullen; doen; voldoen; volbrengen; betrachten; (5) [tijd;plaats e.d.] in beslag nemen; innemen; beslaan; bezetten; (6) versomberen; in de put raken; zich depri gaan voelen; depressief worden; ontmoedigd raken; mismoedig worden; terneergedrukt raken; gedeprimeerd raken; down raken
奉る tatematsuru (1) [hum.] aanbieden; schenken; offreren; offeren; presenteren; verschaffen; [w.g.] reiken; (2) [scherts.] geven; opgeven; (3) pro forma benoemen; eershalve aanstellen; (4) [hon.] nuttigen; gebruiken; eten; drinken; nemen; innemen; (5) [hon.] aantrekken; omdoen; (6) [hon.] instappen; instijgen; (7) […~] [hum. hulpwerkwoord]; (8) laten aanbieden; doen geven; (9) sturen; afvaardigen; zenden
奪取する dasshusuru veroveren; buitmaken; in bezit nemen; toe-eigenen; innemen; afhandig maken; roven; wegkapen
席巻する sekkensuru (1) overweldigen; overrompelen; (2) stormenderhand veroveren; innemen; inpalmen
打ち取る uchitoru (1) [sportt.] verslaan; het winnen van; [honkb.] [三振に] (met 3 maal slag) uitgooien; (2) met geweld overvallen; overrompelen; met geweld nemen; zich meester maken van; innemen; veroveren; bemachtigen; (3) gokkend verwerven; (4) vangen; vatten; grijpen; pakken; snappen; verschalken
抜く nuku (1) dringen in; doordringen; penetreren; (2) inhalen; voorbijstevenen; achter zich laten; het verder brengen dan; overtreffen; voorbijstreven; te boven gaan; de loef afsteken; uitsteken boven; overvleugelen; [i.h.b. sportt.] verslaan; (3) uittrekken; trekken; [een fles enz.] opentrekken; (4) eruit halen; te voorschijn halen; uitlichten; uitpikken; uitkiezen; selecteren; uitzoeken; [i.h.b.] pikken; [i.h.b.] stelen; (5) verwijderen; wegnemen; lichten; uithalen; [i.h.b. van bad;ballon enz.] laten leeglopen; lozen; (6) besparen; daarlaten; overslaan; weglaten; achterwege laten; (7) [een blanco plek enz.] uitsparen; openlaten; (8) innemen; veroveren; (9) ten einde toe ~; uit-; af-; ~ tot de lust daartoe voorbij is [gebruikt als werkwoordelijk suffix]; (10) overslaan; (11) masturberen
服す fukusu (1) volgen; [命令に] opvolgen; gevolg geven aan; luisteren naar; zich voegen naar; zich schikken naar; gehoorzamen; nakomen; naleven; zich onderwerpen aan; buigen voor; zich neerleggen bij; toegeven aan; (2) [兵役に] dienen bij; in dienst zijn van; vervullen; [喪に] aannemen; [刑に] ondergaan; uitzitten; boeten; (3) doen volgen; (4) aantrekken; aandoen; zich kleden; (5) drinken; innemen; slikken
服する fukusuru (1) volgen; [命令に] opvolgen; gevolg geven aan; luisteren naar; zich voegen naar; zich schikken naar; gehoorzamen; nakomen; naleven; zich onderwerpen aan; buigen voor; zich neerleggen bij; toegeven aan; (2) [兵役に] dienen bij; in dienst zijn van; vervullen; [喪に] aannemen; [刑に] ondergaan; uitzitten; boeten; (3) doen volgen; (4) aantrekken; aandoen; zich kleden; (5) drinken; innemen; slikken
渡る wataru (1) oversteken; overgaan; overtrekken; [国を] doortrekken; doorwaden; overreizen; overlopen; overkomen; (2) trekken; gaan langs; overtrekken; bewegen langs; (3) verhuizen naar; heentrekken; migreren; (4) zich in het (maatschappelijk) leven bewegen; zijn weg in de wereld gaan; (5) strekken (van … tot …); zich uitstrekken over; beslaan; bestrijken; reiken; lopen (van … tot …); [音が] dragen; duren; omvatten; innemen; in beslag nemen; overspannen; overbruggen; belopen; (6) overgaan; vervallen aan; van eigenaar veranderen; van hand verwisselen; (7) [RYK~] [geeft aan dat de werking van het werkwoord alom;over de hele omgeving geldt]
狭める sebameru (1) versmallen; smaller maken; vernauwen; nauwer maken; innemen; verengen; verminderen; terugbrengen; reduceren; (2) [人を] benauwen; kwellen; tergen
落とし入れる otoshīreru (1) verschalken; verstrikken; strikken; vangen; verlokken; verleiden; inlokken; in de val lokken; [人を困難に] in een hachelijke situatie brengen; (2) [砦を] innemen; veroveren; onderwerpen; overweldigen; zich meester maken; (3) [硬貨を] inwerpen; ingooien
落とす otosu (1) laten vallen; neergooien; naar beneden gooien; droppen; (2) verliezen; zonder dat men er zich van bewust is iets laten vallen; al gaande ongemerkt laten vallen; kwijtraken; (3) [een vlek] verwijderen; uitwassen; wegwassen; [een baard] afscheren; wegscheren; afschrapen; wegschrapen; (4) innemen; veroveren; doen vallen; bemachtigen; zich meester maken van; (5) weglaten; schrappen; ontdoen van; laten uitvallen; (6) zachter gaan praten; [zijn stem] verstillen; verzachten; [zijn blik] naar de beneden richten; [zijn blik] naar de grond richten; [zijn blik] neerslaan; (7) (zich) verlagen; zich vernederen; degraderen; ontaarden; in waarde verminderen; [het vertrouwen] verliezen; (8) verslechteren; slechter maken; (9) [een duivel;een kwade geest etc.] uitdrijven; [een ziekte;een kwaal etc.] verdrijven; genezen; (10) afdingen; afbieden; pingelen; (11) [een persoon] laten ontsnappen; laten ontkomen; laten vluchten; (12) vangen; in de val laten lopen; te pakken krijgen; (13) [een kandidaat] verwerpen; niet selecteren; niet slagen [voor een examen]; (14) [m.b.t. rakugo 落語] [een verhaal] tot een komisch einde brengen; [een verhaal] eindigen met een rake opmerking; (15) [een schaduw] werpen
通ずる tsūzuru (1) lopen; passeren; heen en weer gaan; voeren naar; leiden naar; uitgeven op; uitkomen op; toegang geven; verlenen tot; in verbinding staan met; communiceren; verbinden; aansluiten op; [電話が] verbinding; contact krijgen met; bereiken; (2) overkomen; begrepen worden; verstaan worden; duidelijk zijn; [言語が] gesproken worden; (3) bedreven zijn in; ervaren zijn in; geverseerd zijn in; vertrouwd zijn met; goed op de hoogte zijn van; goed ingelicht zijn over; thuis zijn in; z'n weetje weten van; bekend zijn met; goed kennen; veel afweten van; beheersen; (4) intieme omgang hebben; een affaire hebben met; in het geheim een liefdesverhouding hebben met; vreemdgaan; overspel plegen; [Barg.] eisjedies gaan; (5) [敵に] in verbinding staan met de vijand; onder een hoedje spelen; samenzweren; collaboreren; samenspannen; handjeklap doen; spelen; handjeklappen; gemene zaak maken; heulen met; (6) [natuurk.] doorlaten; geleiden; [電流を] onder stroom zetten; (7) duidelijk maken; bekendmaken; kenbaar maken; informeren; inlichten; doorgeven; op de hoogte brengen; kennis geven van; communiceren; overbrengen; [敵に] verraden; (8) [ー年を] zich uitstrekken over; beslaan; bestrijken; omvatten; innemen; in beslag nemen; belopen; (9) [情けを] vreemdgaan; overspel plegen; [veroud.] achteruitslaan; (10) inzenden; insturen; indienen; bezorgen; [名前;名刺を] geven; (11) [ラジオを] als medium gebruiken
陥れる otoshīreru (1) verschalken; verstrikken; strikken; vangen; verlokken; verleiden; inlokken; in de val lokken; [人を困難に] in een hachelijke situatie brengen; (2) [砦を] innemen; veroveren; onderwerpen; overweldigen; zich meester maken
飲む nomu (1) drinken; innemen; nemen; nuttigen; gebruiken; tot zich nemen; [een pilletje enz.] slikken; [van soep enz.] eten; [i.h.b.] zwelgen; [drank] naar binnen werken; [in Ind.] minoemen; [uitdr.] de keel dopen; [uitdr.] de keel smeren; [uitdr.] de beker lichten; (2) [een sigaretje enz.] roken; [de adem enz.] inhouden; (3) [fig.] verzwelgen; opslokken; opslorpen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.58 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 24 treffers (zoekopdracht: 'innemen'). 
2005-2026