RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <verbinden>
カップリングする kappuringusuru koppelen; verbinden
リンクする rinkusuru koppelen; schakelen; verbinden; aankoppelen; aaneenkoppelen; aanschakelen; aaneenschakelen; [comp.] linken
包帯する;繃帯する hōtaisuru verbinden; omzwachtelen; in een verband leggen
接 setsu (a) in contact komen; strijken langs; (b) verbinden; aaneenvoegen; (c) ontmoeten; in aanraking komen; (d) in ontvangst nemen; (e) paren
接ぐ tsugu (1) verbinden; samenvoegen; bijeenvoegen; aaneenvoegen; bij elkaar voegen; zetten; aaneenzetten; [骨を] zetten; (2) [plantk.] enten
接合する setsugōsuru aan elkaar zetten; aan elkaar voegen; aaneenvoegen; aaneenzetten; samenvoegen; aaneensluiten; verbinden; voegen
接続する setsuzokusuru verbinden; aansluiten; voegen (aan); aaneenvoegen; aaneensluiten; aaneenschakelen; aaneenkoppelen; (samen)koppelen; samenvoegen; verenigen; aankoppelen; aansluiten; aaneensluiten; samenkoppelen; [spoorw.] aansluiting hebben
組み合わす kumiawasu (1) verenigen; verbinden; combineren; samenvoegen; aaneenvoegen; samenstellen; bij elkaar doen passen; met elkaar matchen; (2) als tegenstander opstellen tegen; het doen opnemen tegen; tegenover elkaar stellen; tegen elkaar uitspelen
組み合わせる kumiawaseru (1) verenigen; verbinden; combineren; samenvoegen; aaneenvoegen; samenstellen; bij elkaar doen passen; met elkaar matchen; (2) als tegenstander opstellen tegen; het doen opnemen tegen; tegenover elkaar stellen; tegen elkaar uitspelen
結う yuu (1) [髪を] opbinden; opsteken; opmaken; kappen; doen; (2) samenbinden; bijeenbinden; (3) verstellen; oplappen; hechten; boeten; (4) binden; verbinden; aaneenrijgen
結び付ける musubitsukeru (1) aanbinden; binden aan; vastbinden; vastknopen; aanknopen; vastmaken; vasthechten; verbinden; koppelen aan; aankoppelen; aaneenkoppelen; vastkoppelen; vastsjorren; sjorren; (2) in verband brengen met; verbinden met; verenigen; koppelen; samenbrengen; tot elkaar brengen; liëren; [Belg.N.] connecteren
結び合わせる musubiawaseru samenbinden; bijeenbinden; verbinden; opbinden; aaneenbinden; aaneenknopen; [fig.] verknopen; aan elkaar binden; bundelen
結ぶ;掬ぶ musubu (1) binden; verbinden; vastbinden; dichtbinden; [紐を〜]knopen; dichtknopen; vastknopen; vastleggen; vastmaken; samenbrengen; voegen; samenvoegen; verenigen; aanbinden; aaneenvoegen; aaneensluiten; aansluiten; aaneenschakelen; koppelen; samenkoppelen; in verband brengen; relateren; (2) vormen; maken; [vrucht] dragen; [vriendschap enz.] sluiten; [betrekkingen enz.] aanknopen; [een coalitie enz.] aangaan; [de handen enz.] ineenslaan; [een contract enz.] afsluiten; (3) beëindigen; besluiten; afsluiten; (4) (掬ぶ) met de handen [water enz.] scheppen; met de handen opscheppen; (5) [実を〜] vruchten dragen
結合する ketsugōsuru (1) zich verenigen; samengaan; zich bij elkaar aansluiten; zich aaneensluiten; (2) combineren; verenigen; verbinden; koppelen; aaneenkoppelen; samenvoegen; aaneenvoegen; aaneenknopen; [fig.] verknopen
綴る tsuzuru (1) binden; rijgen; verbinden; aaneenrijgen; (2) schrijven; opstellen; maken; samenstellen; (3) spellen
総合する sōgōsuru samen nemen; bij elkaar nemen; bijeenvoegen; verbinden; tot een geheel samenvoegen; tot een eenheid maken; een synthese maken; integreren
縛る shibaru (1) vastbinden; binden; bijeenbinden; samenbinden; opbinden; knevelen; knopen; sjorren; vastsjorren; vastknopen; vastmaken; vastleggen; vastsnoeren; [zeew.] beleggen; [m.b.t. scheepv.] seizen; dichtbinden; dichtsnoeren; dichtrijgen; [m.b.t. wonde] verbinden; afbinden; (2) [fig.] binden; [fig.] inbinden; beperken; [fig.] knevelen; [fig.] kluisteren; [fig.] boeien; [fig.] ketenen; beknotten; [uitdr.] de handen binden; [uitdr.] aan banden leggen
繋ぎ合わせる tsunagiawaseru verbinden; samenbinden; aan elkaar binden; aaneenvoegen; samenvoegen; koppelen; samenkoppelen; aaneenkoppelen; aaneensluiten; aaneenschakelen; aansluiten; linken
繋ぐ tsunagu (1) verbinden; aan elkaar binden; samenbinden; linken; in verband brengen (met); aaneenschakelen; aankoppelen; aaneenkoppelen; koppelen; samenkoppelen; aanvoegen; aan elkaar rijgen; vastmaken; vastbinden; vastkoppelen; vastleggen; tuieren; [鎖で] ketenen; [犬を] aanlijnen; [scheepv.] vastmeren; [scheepv.] (ver)tuien; [een paard voor een wagen enz.] spannen; [獄に] in de gevangenis zetten; opsluiten; vastzetten; gevangenzetten; kerkeren; [手を] de handen ineenslaan; elkaar de hand geven (om een kring te vormen enz.); (2) [comp.] aansluiten (op); inpluggen (in); [telef.] doorverbinden met; (3) [興味を] vasthouden; [命を] in leven blijven; [座を] z'n publiek blijven boeien; geboeid houden; [望みを] zich aan de hoop vastklampen; niet opgeven
繋げる tsunageru verbinden; aan elkaar binden; samenbinden; aankoppelen; aaneenkoppelen; samenkoppelen; koppelen
通ずる tsūzuru (1) lopen; passeren; heen en weer gaan; voeren naar; leiden naar; uitgeven op; uitkomen op; toegang geven; verlenen tot; in verbinding staan met; communiceren; verbinden; aansluiten op; [電話が] verbinding; contact krijgen met; bereiken; (2) overkomen; begrepen worden; verstaan worden; duidelijk zijn; [言語が] gesproken worden; (3) bedreven zijn in; ervaren zijn in; geverseerd zijn in; vertrouwd zijn met; goed op de hoogte zijn van; goed ingelicht zijn over; thuis zijn in; z'n weetje weten van; bekend zijn met; goed kennen; veel afweten van; beheersen; (4) intieme omgang hebben; een affaire hebben met; in het geheim een liefdesverhouding hebben met; vreemdgaan; overspel plegen; [Barg.] eisjedies gaan; (5) [敵に] in verbinding staan met de vijand; onder een hoedje spelen; samenzweren; collaboreren; samenspannen; handjeklap doen; spelen; handjeklappen; gemene zaak maken; heulen met; (6) [natuurk.] doorlaten; geleiden; [電流を] onder stroom zetten; (7) duidelijk maken; bekendmaken; kenbaar maken; informeren; inlichten; doorgeven; op de hoogte brengen; kennis geven van; communiceren; overbrengen; [敵に] verraden; (8) [ー年を] zich uitstrekken over; beslaan; bestrijken; omvatten; innemen; in beslag nemen; belopen; (9) [情けを] vreemdgaan; overspel plegen; [veroud.] achteruitslaan; (10) inzenden; insturen; indienen; bezorgen; [名前;名刺を] geven; (11) [ラジオを] als medium gebruiken