
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
yatsuzaki ni suru・八裂にする
t.w. in stukken scheuren; vierendeelen.
waru・割る
t.w. (1) [分ける] verdeelen. (2) [離す] scheiden. (3) [裂く] splijten; scheuren; klooven. (4) [毀す] breken; kraken. (5) [混入する] mengen; vermengen. (6) [除する] deelen. ¶ 二つに割る in tweeën verdeelen. ¶ 木を割る hout klooven. ¶ 竹を割る bamboe splijten. ¶ 胡桃を割る noot kraken. ¶ 水を割る met water vermengen; aanlengen; verdunnen. ¶ 心の底を割る eerlijk opbiechten; hart openleggen. ¶ 割り盡し得べき deelbaar.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <scheuren>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
八つ裂き yatsuzaki het verscheuren; het van elkaar trekken; scheuren; het stukscheuren; het aan stukken; flarden scheuren; het in stukken; snippers scheuren; het uiteenrijten
割れる;破れる wareru (1) breken; splijten; scheuren; knappen; (2) uiteenvallen; uiteengaan; zich splitsen; scheiden; (3) aan het licht komen; zich openbaren; uitkomen; (4) deelbaar zijn
千切る chigiru (1) verscheuren; aan flarden; stukken rijten; in repen scheuren; stukscheuren; (2) afscheuren; scheuren; afrijten; losrukken; losrijten; losscheuren; [m.b.t. bessen;druiven enz.] afristen; afplukken; aftrekken
挫く kujiku (1) breken; scheuren; verstuiken; (2) temperen; doen bekoelen; z'n kracht ontnemen; de kop indrukken; fnuiken; drukken; een domper zetten op; dwarsbomen
断裂する danretsusuru [geneesk.] scheuren; een scheur; breuk krijgen
疾走する shissousuru zich in volle vaart; met volle kracht voortbewegen; vliegen; stormen; razen; scheuren; [道を] afjakkeren
破く yabuku [het behangsel enz.] stuktrekken; scheuren; stukscheuren; [een brief e.d.] doorscheuren; verscheuren; rijten
破る yaburu (1) scheuren; stuktrekken; stukscheuren; doorscheuren; verscheuren; rijten; (2) breken; stukmaken; vernielen; afbreken; [een deur] inbeuken; forceren; openbreken; inslaan; [een ruit] intikken; stukslaan; verbrijzelen; [een muur] doorslaan; uitbreken; (3) [openbare orde] verstoren; [iemands droom] aan scherven slaan; [de harmonie] verbreken; [de stilte] doorbreken; [een record] verbeteren; breken; (4) [iemands plannen] doorkruisen; dwarsbomen; verijdelen; frustreren; (5) [zijn belofte] schenden; inbreken in [een gebouw]; [een bank] kraken; [een traditie] loslaten; [spelregels] overtreden; inbreuk maken op [iemands rechten]; met voeten treden; zondigen tegen [een gebod]; (6) ontsnappen uit [de gevangenis]; heenbreken door [een barrière]; uitbreken uit; (7) [de vijand] verslaan; overwinnen; [de tegenstander] kloppen; (8) verwonden; wonden; een wond toebrengen aan; kwetsen; blesseren; bezeren; [de huid] openhalen; (9) krenken; grieven; deren; aantasten; ontstemmen
破れる;敗れる yabureru (1) scheuren; openrijten; rijten; aan flarden gaan; rafelen; doorscheuren; (2) breken [bv. glas]; barsten; springen [bv. ballon]; verslijten [bv. schoenen]; slijten; begeven; ineenstorten [bv. land]; instorten; uiteenvallen; in elkaar storten; kapotgaan; stukgaan; collaberen; (3) [m.b.t. onderhandelingen] afspringen; afketsen; aan scherven liggen [bv. droom]; verstoord worden [bv. evenwicht]; teloorgaan; verloren gaan; (4) bedrogen uitkomen; mislukken [in de liefde]; teleurgesteld worden; [in zijn verwachtingen] beschaamd worden; gedwarsboomd worden; gefrustreerd worden; (5) [een wedstrijd] verliezen; het onderspit delven; bezwijken; (6) gewond zijn; verwond zijn; geblesseerd zijn; gekrenkt zijn; gekwetst zijn; gegriefd zijn; ontredderd zijn
裂く;割く saku (1) scheuren; verscheuren; rijten; openrijten; splijten; splitsen; kloven; klieven; doorklieven; [i.h.b.] scheiden; (2) [m.b.t. hart] kwellen; verdriet doen
裂ける sakeru scheuren; openscheuren; openbreken; splijten; zich splitsen; barsten; kloven; [gew.;lit.t.] rijten; vaneenrijten; openrijten
裂開する rekkaisuru (1) opensplijten; openbarsten; openscheuren; scheuren; splitsen; (2) [delfst.] splijten; (3) [plantk.] openspringen
Tijd: 1.1 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 12 treffers (zoekopdracht: 'scheuren').
2005-2026
