
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
to・と
vw. (1) [及び] en. bw. (2) [さうすると] dan. (3) [假定] indien; als. vz. (4) [一緖に] met. (5) [丁度其時] wanneer; zoodra; toen. ¶ 犬と猫 honden en katten. ¶ 英國との同盟 verbond met Engeland. ¶ 友達と別れる scheiden van zijn vrienden. ¶ 食事が終わると als we klaar zijn met eten; zoodra het eten afgelopen is. ¶ あの人が君の叔父さんと思った ik zag dien man voor je oom aan; ik dacht, dat het je oom was.
waru・割る
t.w. (1) [分ける] verdeelen. (2) [離す] scheiden. (3) [裂く] splijten; scheuren; klooven. (4) [毀す] breken; kraken. (5) [混入する] mengen; vermengen. (6) [除する] deelen. ¶ 二つに割る in tweeën verdeelen. ¶ 木を割る hout klooven. ¶ 竹を割る bamboe splijten. ¶ 胡桃を割る noot kraken. ¶ 水を割る met water vermengen; aanlengen; verdunnen. ¶ 心の底を割る eerlijk opbiechten; hart openleggen. ¶ 割り盡し得べき deelbaar.
wakatsu・分つ
t.w. verdeelen; splitsen; scheiden; i.w. onderscheid maken.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <scheiden>
二股に分かれる futamataniwakareru zich in twee delen vertakken; zich in tweeën splitsen; scheiden; bifurqueren; een bifurcatie vormen
分かつ wakatsu (1) scheiden; delen; opdelen; splitsen; (2) uitdelen; verdelen; verspreiden; ronddelen; distribueren; (3) onderscheid maken; onderscheiden; uit elkaar houden; onderkennen; het verschil zien tussen
分かれる wakareru (1) scheiden; uiteengaan; zich opdelen; zich afscheiden; zich verdelen; zich splitsen; afbreken van; (2) zich vertakken; zich splitsen; aftakken; uiteenlopen; divergeren; uiteengaan
分ける wakeru (1) zich baan breken; een weg breken; doorbreken; (2) scheiden; delen; verdelen; opdelen; splitsen; uitsplitsen; uit elkaar halen; afbreken; (3) uitdelen; verdelen; distribueren; ronddelen; omdelen; (4) indelen; afdelen; sorteren; classificeren; ordenen; (5) uitmaken; onderscheiden; onderkennen; het verschil zien; (6) [sportt.] gelijkspelen; remiseren
分別する bunbetsusuru verdelen; afdelen; in delen splitsen; in stukken; porties delen; scheiden; sorteren; ordenen; groeperen; indelen; klasseren; onderscheiden; classificeren; assorteren; [chem.] fractioneren
分立する bunritsusuru (1) scheiden; zich afscheiden; uiteengaan; een onafhankelijk bestaan beginnen; (2) apart oprichten
分離する bunrisuru afzonderen; scheiden; separeren; segregeren; isoleren; (zich) afscheiden; (zich) afsplitsen; (zich) splitsen; zich afscheuren; [geneesk.;m.b.t. dood weefsel] sekwestreren
切り離す kirihanasu afsnijden; afknippen; afhakken; afkappen; doorknippen; afsplitsen; afscheiden; scheiden; splitsen; losmaken
別居する bekkyosuru scheiden; uiteengaan; gescheiden; gesepareerd gaan leven; uit elkaar gaan
割れる;破れる wareru (1) breken; splijten; scheuren; knappen; (2) uiteenvallen; uiteengaan; zich splitsen; scheiden; (3) aan het licht komen; zich openbaren; uitkomen; (4) deelbaar zijn
引き分ける hikiwakeru (1) [sportt.] in gelijkspel (doen) eindigen; gelijkspelen; quitte spelen; de punten delen; remiseren; (2) uit elkaar halen; scheiden; (3) zich vervreemden van
引き離す hikihanasu (1) uit elkaar trekken; (van elkaar) scheiden; (van elkaar) wegnemen; (2) achter zich laten; een voorsprong nemen op; op afstand zetten; vooruitlopen op; wegrijden van; demarreren uit; [sportt.] ontsnappen; [sportt.] weglopen; vóór gaan rijden; lopen
打ち首にする uchikubinisuru onthoofden; onthalzen; het hoofd voor de voeten leggen; een kopje kleiner maken; een hoofd kleiner; korter maken; de kop afslaan; de hals afsnijden; het hoofd van de romp afsnijden; scheiden; met het zwaard straffen
捌く sabaku (1) goed uiteenhouden; niet verwarren; in het gareel houden; (2) kundig behandelen; in; op orde brengen; handig aanpakken; klaarspelen; regelen; afhandelen; oplossen; settelen; (3) uitleggen; uiteenzetten; uit de doeken doen; (4) van de hand doen; zetten; verkopen; (5) [髪;裾を] losmaken; (6) [cul.] [鴨;魚を] in plakken; stukken snijden; voorsnijden; trancheren; scheiden; (7) zich opvallend gedragen; (8) [shōgi] [駒を] oordeelkundig verzetten; hanteren; [honkb.] [球を] fielden; (9) [遊女が] iem. als klant afwijzen; weigeren
斬首する zanshusuru onthoofden; onthalzen; iemand het hoofd van de romp houwen; slaan; afslaan; afsnijden; scheiden
蒸留する jōryūsuru distilleren; door verdamping en condensatie zuiveren; scheiden
裂く;割く saku (1) scheuren; verscheuren; rijten; openrijten; splijten; splitsen; kloven; klieven; doorklieven; [i.h.b.] scheiden; (2) [m.b.t. hart] kwellen; verdriet doen
選り分ける eriwakeru uitsorteren; uitselecteren; sorteren; assorteren; classificeren; triëren; schiften; uitziften; scheiden; afzonderen; uitzoeken
選り分ける yoriwakeru uitsorteren; uitselecteren; sorteren; assorteren; classificeren; triëren; schiften; uitziften; scheiden; afzonderen; uitzoeken
選別する senbetsusuru schiften; sorteren; triëren; selecteren; uitzoeken; [o.a. metaal uit erts] scheiden
隔てる hedateru (1) afscheiden; scheiden; verwijderen; afzonderen; af doen liggen van; [een belemmering enz.] in de weg leggen; [een afstand enz.] ertussen leggen; tussenplaatsen; (2) [een zeker tijdsinterval] inlassen; laten verstrijken; (3) vervreemden; aliëneren
離す hanasu (1) scheiden; afscheiden; afzonderen; separeren; uit elkaar halen; uiteenzetten; (2) afhouden; uiteenhouden; weghouden; verwijderd houden; op afstand houden; [ruimte enz.] openlaten
離婚する rikonsuru echtscheiden; scheiden; uit elkaar gaan; [form.] divorceren
離散する risansuru uiteenvallen; uiteengaan; uit elkaar vallen; gaan; scheiden; verbrokkelen; desintegreren; zich verspreiden; zich verstrooien; verspreid raken; verstrooid raken
Tijd: 1.6 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 24 treffers (zoekopdracht: 'scheiden').
2005-2026
