
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
tsunagi・繫ぎ
zn. verbinding v.; verband o.; band m. ¶ 時間繫ぎに om den tusschentijd te vullen. ¶ 繫合はす verbinden; aan elkaar binden. ¶ 繫柱 meerpaal; paal om een dier aan te binden. ¶ 繫船 vastgemeerde boot. ¶ 繫犬 hond aan den ketting. ¶ 繫ぐ vastbinden; vastmeren (船を). ¶ 獄に繫ぐ gevangen houden. ¶ 犬を繫ぐ hond aan den ketting leggen. ¶ 二十六番へ繫で下さい wil u mij verbinden met no. 26 (電話).
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vullen>
充 jū (a) vol raken; vullen; dichtstoppen; opstoppen; (b) aanvullen; compenseren
充填する jūtensuru vullen; opvullen; plomberen
埋める umeru (1) [土中に] begraven; ter aarde bestellen; bedelven; bestelpen; (2) [隙間を] opvullen; volstoppen; dichtstoppen; stoppen; dichtmaken; dempen; dichtgooien; vullen; aanvullen; [余白を] invullen; [歯を] plomberen; (3) [損失を] vergoeden; weer goed maken; compenseren; aanzuiveren; (4) [湯を水で] lauwen
塞ぐ fusagu (1) afsluiten; dichten; dichtmaken; afdichten; afstoppen; dichtgooien; toegooien; stoppen; vullen; dempen; plempen; dichtstoppen; verstoppen; toestoppen; toedammen; opvullen; opstoppen; opproppen; stremmen; versperren; [veroud.] sperren; blokkeren; belemmeren; obstrueren; (2) de handen voor [z'n ogen;oren;mond enz.] houden; met z'n handen afdekken; bedekken; (3) [de deur e.d.] sluiten; dichtdoen; toedoen; toesluiten; (4) [plicht e.d.] vervullen; doen; voldoen; volbrengen; betrachten; (5) [tijd;plaats e.d.] in beslag nemen; innemen; beslaan; bezetten; (6) versomberen; in de put raken; zich depri gaan voelen; depressief worden; ontmoedigd raken; mismoedig worden; terneergedrukt raken; gedeprimeerd raken; down raken
差す sasu (1) schijnen; lichten; gloeien; stralen; (2) [m.b.t. blos enz.] te voorschijn komen; over zich krijgen; zich manifesteren; (3) [m.b.t. boze macht enz.] varen in; [form.] vaardig worden over; (4) gieten; schenken; uitschenken; inschenken; serveren; vullen; [m.b.t. oogdruppels e.d.] toedienen; (5) aanbrengen; opdoen; [m.b.t. olie] smeren; (6) toevoegen; bijvoegen; erbij doen; (7) [m.b.t. paraplu e.d.] opsteken; omhoogbrengen; omhoogsteken; omhoog houden; (8) [m.b.t. zwaard] aangorden; aandoen; (9) [scheepv.] voortbomen; doen varen; doen voortbewegen; [w.g.;lit.t.] doen reilen; (10) [m.b.t. borrel] aanbieden; bieden; schenken; offreren
張る haru (1) spannen; aanspannen; opspannen; strekken; [m.b.t. touw;lijn enz.] scheren; [gordijnen enz.] ophangen; [zijn takken enz.] uitspreiden; [テントを] opslaan; opzetten; [de vleugels] uitslaan; [de zeilen] zetten; rekken; (2) bespannen (met); aanbrengen; [壁紙を] behangen; [met stof enz.] overtrekken; bekleden (met); voorzien van; (3) [met water enz.] vullen; (4) [stelling enz.] nemen; [een zaak] opzetten; drijven; [een banket] aanrichten; [zijn macht;recht enz.] doen gelden; [geld enz.] zetten (op); verwedden; [zijn zin] doordrijven; (5) op de uitkijk staan; [naar een verdachte enz.] uitkijken; opwachten; (6) [zijn schouders enz.] rechten; [de ellebogen enz.] uitsteken; [de borst enz.] vooruit steken; (7) een klap geven; een draai om de oren geven; meppen; [sumō-jargon] harite 張り手 toebrengen; (8) zich opzetten; opzwellen; uitzetten; (9) verstrammen; verstijven; verstrakken; (10) uitsteken; hoekig worden; (11) zich uitstrekken (over het hele oppervlak); zich uitspreiden over; zich vormen; (12) gespannen worden; nerveus worden; (13) zich schrap zetten; trotseren; rivaliseren; (14) prijzig zijn; duur zijn; nogal wegen; [i.h.b.] overtrokken zijn
注ぐ tsugu (1) inschenken; uitschenken; ingieten; schenken; [de glazen enz.] vullen; [rijst;soep enz.] opdienen (in); serveren (in); [i.h.b.] bijgieten; bijschenken; (2) [steenkool enz.] bijvullen; toevoegen
注す sasu (1) gieten; schenken; uitschenken; inschenken; vullen; [m.b.t. oogdruppels e.d.] toedienen; (2) aanbrengen; opdoen; [m.b.t. olie] smeren
満たす mitasu (1) vullen; opvullen; vol maken; (2) verzadigen; bevredigen; voldoen; tevredenstellen; beantwoorden aan; vervullen
潰す tsubusu (1) pletten; platdrukken; verpletteren; vermorzelen; te pletter drukken; in elkaar drukken; stampen; fijnstampen; fijnmaken; prakken; [m.b.t. puistje] uitknijpen; (2) verspillen; vergooien; verkwanselen; versjacheren; verkwisten; dissiperen; [i.h.b.] verbrassen; [i.h.b.] opsouperen; doorjagen; [inform.] doordraaien; (3) ruïneren; [inform.] reneweren; te gronde richten; [fig.] knakken; [inform.] opdoeken; [i.h.b.] failliet doen gaan; [fig.] de deuren sluiten; (4) [時間を] doden; korten; verdrijven; passeren; (nutteloos) besteden; verdoen; verbeuzelen; (5) [m.b.t. (pluim)vee] slachten; (6) [m.b.t. plannen] doen mislukken; verijdelen; afschieten; (7) [声;喉を] hees doen worden; kapotmaken; verliezen; (8) omsmelten; afbreken; weer tot grondstof maken; (9) in verlegenheid brengen; compromitteren; [顔を] gezichtsverlies doen lijden; met rode kaken doen staan; (10) van streek brengen; (11) [m.b.t. gaatjes] opvullen; vullen; dichten; dichtmaken; (12) tot verslijtens toe …
盛る moru (1) (op)stapelen; op(een)hopen; op een hoop leggen; tassen; (2) serveren; opdienen; opscheppen; vullen; inscheppen; opdissen; aanbrengen; bedienen; (3) [vergif] toedienen; (4) [een schaalverdeling] aanbrengen; [van een schaalverdeling] voorzien; gradueren; kalibreren; (5) vervatten in [zekere bewoordingen]
膨らます;脹らます fukuramasu doen zwellen; doen opzwellen; doen rijzen; opblazen; bol doen staan; doen opzetten; doen uitzetten; doen opbollen; doen oppuilen; doen bollen; vullen; opvullen; oppompen
膨らませる;脹らませる fukuramaseru doen zwellen; doen opzwellen; doen rijzen; opblazen; bol doen staan; doen opzetten; doen uitzetten; doen opbollen; doen oppuilen; doen bollen; vullen; opvullen; oppompen
雑踏する;雑沓する zattōsuru vullen; overstelpen; overvol maken; vullen; onder de voet lopen; platlopen; te hoop lopen; zich verdringen; omstuwen
Tijd: 1.29 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 14 treffers (zoekopdracht: 'vullen').
2005-2026
