RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <verbinding>
カップリング kappuringu (1) koppeling; verbinding; [i.h.b.] wagonkoppeling; (2) [techn.;chem.] koppeling; (3) koppelstuk; koppelmechanisme; (4) paring; copulatie
コロケーション korokēshon [taalk.] collocatie; verbinding
コンタクト kontakuto (1) contact; verbinding; aanraking; (2) contactlens; [verk.] lens
ジャンクション jankushon (1) verbinding; vereniging; koppeling; aansluiting; (2) [verkeers.] knooppunt; verkeersknooppunt; (3) [spraakk.] junctie
ジョイント jointo (1) verbindingsstuk; verbinding; (2) gezamenlijk; gemeenschappelijk; mede-
ライン rain (1) lijn; streep; (2) regel; (3) richtlijn; norm; (4) reeks; systeem; (5) [geneal.] lijn; linie; reeks; (6) grenslijn; scheidingslijn; scheidslijn; demarcatielijn; deellijn; omtreklijn; contour; (7) peil; niveau; (8) hiërarchische (bedrijfs)organisatie; lijn [van bureau -> afdeling -> sectie -> cel]; (9) productielijn; fabricagelijn; (10) [m.b.t. (internationaal) verkeer] lijn; verbinding; route; (11) (elektrisch) snoer; (12) hengel; [Belg.N.;niet alg.] lijn; (13) [veroud.;lengtemaat] lijn [= 1;12 duim;ca. 2,12 mm]; (14) Rijn; (15) Rhine; Joseph Banks [Amerikaans parapsycholoog;1895-1980]; (16) Lyne; Adrian [Brits regisseur;geb. 1941]
乗り継ぎ noritsugi [verkeers.] aansluiting; verbinding
交信 kōshin communicatie; contact; verbinding; correspondentie
交通 kōtsū (1) verkeer; (2) verbinding; connectie; aansluiting; (3) communicatie; contact; uitwisseling van informatie; (4) omgang; het omgaan met mensen; vriendschappelijk verkeer; (5) transport; vervoer; handelsverkeer; handel
便 bin (1) gelegenheid; opportuniteit; (2) post; brieven; [i.h.b.] postbestelling; (3) verbinding; dienst; lijn; [i.h.b.] vlucht; (4) [maatwoord voor verbindingen;lijnen]
化合物 kagōbutsu [chem.] (scheikundige; chemische) verbinding
合わせ目 awaseme (1) verbinding; voeg; las; (2) naad
合同 gōdō (1) samenvoeging; samensmelting; amalgamatie; vereniging; fusie; verbinding; combinatie; associatie; (2) [wisk.] congruentie; gelijkheid en gelijkvormigheid; (3) gezamenlijk; verenigd; geünifieerd; gecombineerd; gemeenschappelijk; collectief
接合 setsugō (1) aaneenvoeging; aaneenzetting; aaneensluiting; verbinding; voeging; junctie; (2) [biol.] zygose; conjugatie
接続 setsuzoku verbinding; aansluiting; (aan)koppeling; schakeling; (aaneen)voeging; aaneensluiting; samenvoeging; junctie; aaneenschakeling; conjunctie; [elektr.] naad; [elektr.] las
提携 teikei onderlinge samenwerking; coöperatie; verbinding; samenwerkingsverband; alliantie; associatie
番い tsugai (1) paar; stel; koppel; span; (2) groep; ploeg; troep; ensemble; team; toom; (3) partner; wederhelft; (4) ploegendienst; shift; (5) verbinding; verbindingsstuk; voeg; (6) gewricht; geleding; scharnier; (7) moment; gelegenheid; (8) [maatwoord voor groepen;ploegen]
組合せ;組み合わせ;組合わせ kumiawase (1) combinatie; verbinding; samengang; vereniging; (2) wedstrijd; wedkamp; match; (3) (in de wiskunde; als onderdeel van de kansberekening) combinatierekening
結び musubi (1) knoop; strik; verbinding; (2) einde; eind; slot; besluit; (3) [cul.] rijstballetje; rijst uit het vuistje
結び付き musubitsuki relatie; betrekking; connectie; verband; band; verbinding
結合 ketsugō combinatie; vereniging; verbinding; koppeling; aaneensluiting; samenvoeging; aaneenvoeging
継目;続目 tsugime verbindingsstuk; verbinding; voeg; las; naad
総合 sōgō synthese; verbinding; combinatie; [fil.] colligatie
繋がり;繋 tsunagari (1) verband; betrekking; relatie; binding; link; band; verhouding; connectie; verbinding; [i.h.b.] betrokkenheid; (2) verwantschap; parentage; filiatie; maagschap(sband)
繋ぎ tsunagi (1) verbinding; binding; bindsel; band; (2) overbrugging; tussenstuk; verbindingsstuk; overgang; lapmiddel; opvulling; stopper; (3) interim; interimaris; invaller; substituut; (4) collecte; inzameling; (5) bindmiddel; (6) [kabuki] pauzemuziek; entr'acte; (7) [muz.] instrumentaal intermezzo; (8) [geldw.] hedging; (9) overall; ketelpak
通ずる tsūzuru (1) lopen; passeren; heen en weer gaan; voeren naar; leiden naar; uitgeven op; uitkomen op; toegang geven; verlenen tot; in verbinding staan met; communiceren; verbinden; aansluiten op; [電話が] verbinding; contact krijgen met; bereiken; (2) overkomen; begrepen worden; verstaan worden; duidelijk zijn; [言語が] gesproken worden; (3) bedreven zijn in; ervaren zijn in; geverseerd zijn in; vertrouwd zijn met; goed op de hoogte zijn van; goed ingelicht zijn over; thuis zijn in; z'n weetje weten van; bekend zijn met; goed kennen; veel afweten van; beheersen; (4) intieme omgang hebben; een affaire hebben met; in het geheim een liefdesverhouding hebben met; vreemdgaan; overspel plegen; [Barg.] eisjedies gaan; (5) [敵に] in verbinding staan met de vijand; onder een hoedje spelen; samenzweren; collaboreren; samenspannen; handjeklap doen; spelen; handjeklappen; gemene zaak maken; heulen met; (6) [natuurk.] doorlaten; geleiden; [電流を] onder stroom zetten; (7) duidelijk maken; bekendmaken; kenbaar maken; informeren; inlichten; doorgeven; op de hoogte brengen; kennis geven van; communiceren; overbrengen; [敵に] verraden; (8) [ー年を] zich uitstrekken over; beslaan; bestrijken; omvatten; innemen; in beslag nemen; belopen; (9) [情けを] vreemdgaan; overspel plegen; [veroud.] achteruitslaan; (10) inzenden; insturen; indienen; bezorgen; [名前;名刺を] geven; (11) [ラジオを] als medium gebruiken
連合 rengō verbond; vereniging; bond; associatie; unie; federatie; confederatie; liga; alliantie; combine; combinatie; kartel; verbinding; samenvoeging; coalitie; consociatie
連絡 renraku (1) verbinding; aansluiting; koppeling; schakeling; (2) contact; [m.b.t. leger] liaison; connectie; band; voeling; aanraking; (3) communicatie; correspondentie