
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
tsunagi・繫ぎ
zn. verbinding v.; verband o.; band m. ¶ 時間繫ぎに om den tusschentijd te vullen. ¶ 繫合はす verbinden; aan elkaar binden. ¶ 繫柱 meerpaal; paal om een dier aan te binden. ¶ 繫船 vastgemeerde boot. ¶ 繫犬 hond aan den ketting. ¶ 繫ぐ vastbinden; vastmeren (船を). ¶ 獄に繫ぐ gevangen houden. ¶ 犬を繫ぐ hond aan den ketting leggen. ¶ 二十六番へ繫で下さい wil u mij verbinden met no. 26 (電話).
SUPPLEMENT (trefwoord)
obijō・帯状
zn. adj. gevormd als een band. ¶ 天の川は、遠方の星が巨大な帯状に見えるものであって、その1つ1つは、われわれの知る太陽に似たものである。 Ama no gawa wa, enpō no hoshi ga kyodai na obijō ni mieru mono de atte, sono hitotsu hitotsu wa, wareware no shiru taiyō ni nita mono de aru. De Melkweg is zichtbaar als een gigantische band van ver verwijderde sterren, elk op zich een zon zoals onze eigen zon [de zon die ons vertrouwd is, de zon die wij kennen]. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <band>
カセット・テープ kasettotēpu cassetteband; cassettebandje; cassettetape; [verk.] tape; [verk.] band
クッション kusshon (1) kussen; (2) zitcomfort; zitting; (3) [fig.] bemiddelaar; tussenpersoon; [時間の] afkoelingsperiode; (4) [ビリヤードで] band
タイヤ taiya band; buitenband; wielband; [i.h.b.] autoband; [i.h.b.] fietsband
テープ tēpu (1) lint; band; [i.h.b.] finishlint; (2) serpentine; slinger; papieren strook; tape; ticker-tape; tikkerband; (3) tape; plakband; kleefband; (4) tape; magneetband; cassettetape; cassetteband; bandje; (5) tape; videotape; videoband; (6) meetlint; centimeter
バンド bando (1) band; lint; riem; gordel; [腕時計の] bandje; (2) band; orkestje; kapel; (3) frequentieband; (4) [m.b.t. Verre Oosten;India] dijk; dijkweg; dam; kade
モール mōru (1) galon; boordsel; tres; passement; band; nestel; (2) groot winkelcentrum; winkelpromenade; verkeersvrije winkelstraat; [Belg.N.] winkelwandelstraat; (3) [rugby] maul; worsteling om de bal
リボン ribon (1) lint; lintje; band; haarlint; (2) inktlint; carbonlint; schrijfmachinelint; schrijflint
仲 naka betrekking; verstandhouding; band; verhouding; [in uitdr.] voet
包帯 hōtai verband; zwachtel; bandage; windsel; band
周波数帯 shūhasūtai frequentieband; frequentiegebied; frequentiebereik; frequentie; band
寄せ yose (1) verzameling; samenbrenging; (2) [go;shōgi] eindspel; laatste fase van een partij; laatste zetten; eindzetten; (3) [golf] approach; (4) aangetrokkenheid; vertrouwen; (5) zorg; hoede; toezicht; (6) band; betrekking; relatie; (7) reden; grond; (8) [tanka] geassocieerd woord; associatiewoord; (9) [kabuki] trommuziek bij de entree van een personage
巻き maki (1) rol; (2) winding; oprolling; (3) boekrol; boekdeel; volume; volumen; band; rotulus; (4) [haiku] sectie; rubriek; (5) [hofdamesjargon] in bamboeblad gewikkelde mochi; (6) [maatwoord voor makimono;boekrollen;boekdelen]; (7) [maatwoord voor het aantal windingen]
巻 kan boek; volumen; boekdeel; deel; band
帯域 taīki band; [周波数の] frequentieband
帯 tai band; zone; gordel; kring; [i.h.b.] aardgordel
手 te (1) hand; [volkst.] jat; [inform.] klauw; krauwel; [Barg.] fietsen; (2) arm; (3) poot; [i.h.b.] voorpoot; (4) handvat; oor; (5) [meton.] hand; arbeidskracht; kracht; hulpkracht; hulp; helper; (6) [meton.] iems. handen; iems. bezit; (7) handschrift; schrift; (8) middel; truc; foefje; manoeuvre; techniek; (9) verwonding; wond; (10) [将棋の] zet; (11) [トランプの] hand; kaarten; (12) richting; kant; zijde; (13) soort; slag; merk; (14) vaardigheid; bekwaamheid; (15) betrekking; band; (16) hand-; handgemaakt; handgemaakte …; (17) hand-; meeneem-; (18) [~keiyōshi;keiyōdōshi] [beklemtonend voorvoegsel]; (19) in de richting van …; -waarts; (20) [noemt een zekere kwaliteit]; (21) [RYK~] -er [achtervoegsel waarmee nomina agentis gevormd worden]; (22) [maatwoord voor shogi-;schaakzetten]
故 yue (1) reden; oorzaak; (2) aanzienlijke afkomst; goede komaf; (3) smaak; charme; (4) band; betrekking; relatie; (5) ongeval; ongeluk; (6) […ゆえ] door; wegens; vanwege; (7) […ゆえ] hoewel; ofschoon; schoon; terwijl
束縛 sokubaku beperking; restrictie; band; [fig.] rem; boei; keten; kluister
楔 kusabi (1) wig; keg; spie; splitpen; klamp; luns; [drukk.] kooi; (2) [fig.] dat wat verbindt; band; binding
楽団 gakudan orkest; kapel; muziekkorps; band; [verzameln.] muziek; muziekgezelschap
楽隊 gakutai muziekkorps; orkest; kapel; band; [i.h.b.] harmonieorkest; [i.h.b.] harmonie
真田 sanada (1) lint; band; (2) gevlochten weefsel; (3) vlechtwerk; vlecht; (4) Sanada
箍 taga hoepel; hoep; ring; band
絆 kizuna (1) band; betrekking; [fig.] keten; [fig.] kluister; [fig.] boei; (2) tui; tuier; tuiertouw; tuierketting; lijn; ketting; [鷹狩りで] langveter; veter
結び付き musubitsuki relatie; betrekking; connectie; verband; band; verbinding
縁故 enko (1) bloedband; bloedverwantschap; (2) bloedverwant; verwant; (3) connectie; relatie; band; contact
縁 en (1) kans; toevallige gebeurtenis; lot; toeval; karma; (2) band; betrekking; relatie; connectie; verwantschap; (3) verband; relatie; connectie; samenhang; (4) veranda; waranda; loggia
縁;所縁 yukari band; betrekking; relatie; connectie
縛 baku (1) hechtenis; aanhouding; arrestatie; (2) band; binding; gebondenheid; (3) [boeddh.] gehechtheid; bandha; (a) binden; met touwen vastbinden; (b) vasthouden; gevangen houden
繋がり;繋 tsunagari (1) verband; betrekking; relatie; binding; link; band; verhouding; connectie; verbinding; [i.h.b.] betrokkenheid; (2) verwantschap; parentage; filiatie; maagschap(sband)
繋ぎ tsunagi (1) verbinding; binding; bindsel; band; (2) overbrugging; tussenstuk; verbindingsstuk; overgang; lapmiddel; opvulling; stopper; (3) interim; interimaris; invaller; substituut; (4) collecte; inzameling; (5) bindmiddel; (6) [kabuki] pauzemuziek; entr'acte; (7) [muz.] instrumentaal intermezzo; (8) [geldw.] hedging; (9) overall; ketelpak
義 gi (1) gerechtigheid; recht; rechtvaardigheid; gerechtvaardigdheid; gerechtige zaak; (2) betekenis; inhoud; zin; strekking; (3) band; betrekking; relatie; (4) aangetrouwd; behuwd-; schoon-; (5) kunst-; vals
莫臥児;莫臥爾 mōru galon; boordsel; tres; passement; band; nestel
表紙 hyōshi omslag; cover; kaft; boekband; band
装丁 sōtei (1) het boekbinden; het binden; (2) band; bindwerk; (2) boekdesign
装 sō (1) het zich-kleden; kleding; tooi; (2) [boekdr.] band; (a) zich opkleden; zich tooien; (b) versieren; aankleden; (c) monteren; uitrusten
輪 wa (1) cirkel; ring; kring; krans; kreits; gordel; lus; schakel; krinkeling; (2) wiel; rad; (3) hoepel; hoep; band
連絡 renraku (1) verbinding; aansluiting; koppeling; schakeling; (2) contact; [m.b.t. leger] liaison; connectie; band; voeling; aanraking; (3) communicatie; correspondentie
間柄 aidagara verhouding; relatie; betrekking; band; binding; verstandhouding; [fig.] voet; omgang
靱帯 jintai (1) [anat.] ligament; bindweefselband; gewrichtsband; band; fascia; fascie; (2) [dierk.] ligament tussen schalen van een dubbele schelp; slotband
首輪;頸輪 kubiwa (1) halsband; halsring; collier; band; (2) halsketting; halssnoer; collier; (3) [dierk.] halskraagje
Tijd: 1.53 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 41 treffers (zoekopdracht: 'band').
2005-2026
