日蘭辭典+

35 resultaten voor ‘geslacht’
日蘭辭典 (trefwoord)
shizoku氏族
zn. familie v.
ichimon一門
zn. een familie v.; een geslacht o.; de geheele familie v.; een stuk kanon (砲).
ichizoku一族
zn. een familie v.; de geheele familie v.
tane
zn. (1) [子] zaad o.; (核) pit v.; kern v.; steen m. (2) [牛馬] geslacht o.; ras o. (3) [祕密] geheim o. (4) [原因] oorzaak v.; bron. (5) [類] variëteit v. (6) [主題] onderwerp (話の) v. ¶ 梅の pruimepit. ¶ 話の onderwerp van gesprek. ¶ 喧嘩の geschilpunt. ¶ 喜び heugelijk feit. ¶ 金のにする met vrucht gebruiken; profijt trekken van. ¶ 明かす een kunstje uitleggen.
daidai代々
bw. van geslacht op geslacht. ¶ 代々の achtereenvolgend; erfelijk.
kōsei後世
zn. het volgende geslacht o.; ons nageslacht o.
kōtō皇統

zn. keizerlijke linie v.; vorstelijk geslacht o.

zoku

(属) zn. beambte m.; geslacht (生物) o. ¶ 屬名 naam van het geslacht waartoe iets behoort.

zendai前代

zn. vorig geslacht o.; vroeger jaren o.mv.

yūsei有性

zn. geslachtelijkheid v.; bezit van geslacht. ¶ 有性蕃殖 geslachtelijke voortplanting.

yo

zn. geslacht o.; tijd m.; tijdperk o.; regeering v.; eeuw v.

TEKST EN UITLEG (trefwoord)
over:lavendelラベンダー
ラベンダー rabendā (1) Lavendel (Lavandula) is een struik (低木, teiboku); is een genus/geslacht (, zoku) dat 39 bloeiende plantensoorten omvat (bloeiende planten: 被子植物, hishi shokubutsu; soort: shu; diverse soorten: 品種, hinshu); maakt deel uit van de lipbloemenfamilie (Lamiaceae) (シソ, shiso-ka). (2) kleurnaam voor een kleur paars.

¶ ラベンダー(英: Lavender)は、シソ科の背丈の低い常緑樹である。 Rabendā (ei: Lavender) wa, Shiso-ka no setake no hikui jōryokuju de aru. Lavendel (Engels: Lavender) is een groenblijvende plant van lage hoogte van de lipbloemenfamilie. ¶ 原産は地中海沿岸とされる。 Gensan wa chichūkai engan to sareru. De kusten van de Middellandse Zee worden als plaats van oorsprong beschouwd. [NB en.wikipedia.org poneerde Azië] ¶ ラベンダー色とは薄紫色を意味する。 Rabendā-iro to wa usumurasaki-iro wo imisuru. Lavendel (kleur) betekent lichtpaars (een lichtpaarse kleur). (2012/03/01)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <geslacht>
セックス sekkusu (1) sekse; geslacht; kunne; gender; (2) seks; seksuele omgang; seksueel contact; geslachtsgemeenschap; (3) geslachtsdrift
一族 ichizoku hele familie; hele huisgezin; hele huishouden; gezamenlijke verwanten; geheel van bloedverwanten; z'n volk; geslacht; clan; sibbe
一筋;一条 hitosuji (1) lijn; streep; striem; straal; streng; (2) familie; geslacht; clan; huis; (3) kunst; vaardigheid; (4) honderd aan een snoer geregen muntstukken; (5) gewone maatregelen; gebruikelijke methode; (6) gewoon; normaal; gebruikelijk; (7) toegewijd; noest; ernstig; ijverig; vlijtig; (8) vlot; ongehinderd; zonder hapering; vloeiend
一門 ichimon (1) familie; geslacht; clan; (2) [rel.;wetensch.;kunstt.] school; (3) identieke klasse; (4) [boeddh.] toegangspoort tot de verlichting; (5) [boeddh.] één benadering; interpretatie; (6) een kanon; een stuk geschut
世代 sedai (1) generatie; geslacht; tijdgenotengroep; (2) [biol.] generatie; voortplanting; teling
ke (1) huis; (2) familie; geslacht; stamhuis
zoku (1) gezel; lid; verwant; medestander; (2) ondergeschiktheid; subordinatie; onderhorigheid; afhankelijkheid; (3) volgeling; onderdaan; ondergeschikte; onderhorige; (4) [Jap.gesch.] sakan 主典 [ambtenaar der 4e klasse in het ritsuryō-systeem]; (5) [Jap.gesch.] ambtenaar der hannin 判任-klasse in Meiji-Japan; klerk; (6) [biol.] geslacht; genus; (a) behoren; volgen; begeleiden; (b) overlaten; opdragen; (c) gezel; verwant; (d) [biol.] geslacht; genus
当代 tōdai (1) huidige tijd; heden; huidige generatie; geslacht; (2) die tijd; dagen; destijds; toen; toentertijd; (3) huidig familiehoofd; huidige meester; pater familias; (4) huidige keizer; deze keizer
性別 seibetsu (1) geslacht; sekse; kunne; gender; (2) [taalk.] genus; geslacht
性器 seiki [anat.] geslachtsorgaan; geslachtsdeel; teeldeel; genitaliën; genitalia; geslacht; seks; [euf.] geval(letje); [volkst.;euf.] ding; [volkst.] vermaak
sei (1) aard; natuur; (2) geslacht; kunne; sekse; gender; [taalk.] genus; (3) seks; [attr.] seksueel
恥部 chibu (1) schaamstreek; schaamdeel; schaamdelen; geslachtsdeel; geslachtsdelen; edele delen; genitaliën; pudenda; teeldeel; teeldelen; schaamlid; geslacht; [veroud.] schaamte; (2) gênante plaats; plek; aspect waarvoor men zich moet schamen; schande; schandvlek
yakara (1) geslacht; clan; familie; [Barg.;volkst.] troep; (2) kliek; clique; coterie; partij; bende; gang; [pej.] zootje; stelletje
氏族 shizoku (1) clan; clangemeenschap; sibbe; [Lat.] gens; (2) familie; geslacht
shi (1) hij; hem; [attr.] zijn; (2) [afk.] dhr.; de heer; [afk.] M.; mijnheer; [mv.;afk.] HH.; [mv.] de heren; (3) familie; geslacht; [i.h.b.] clan; (4) x heren
生まれ;生れ umare (1) geboorte; (2) afkomst; afstamming; geslacht; familie; (3) karakter; aard; inborst; natuur; (4) geboorteplaats
生殖器 seishokuki [anat.] geslachtsorgaan; geslachtsdeel; geslachtsapparaat; geslacht; seksueel orgaan; genitaliën; genitalia
生殖器官 seishokukikan [anat.] geslachtsorgaan; geslachtsdeel; geslachtsapparaat; geslacht; seksueel orgaan; schaamdeel; genitaliën; genitalia
男性 dansei (1) man; [biol.] mannetje; [mv.] man(s)volk; [mv.] man(s)lui; [verzameln.] sterke geslacht; (2) mannelijkheid; het man-zijn; masculiniteit; (3) [taalk.] masculinum; mannelijk genus; geslacht
異性 isei (1) andere geslacht; andere sekse; andere kunne; (2) geslacht; sekse; kunne; (3) [chem.] isomerie
tane (1) [plantk.] zaad; kern; [林檎;オレンジの] pit; [核果の] steen; [gew.] baak; (2) [dierk.] zaad; semen; sperma; (3) zaad; geslacht; stam; [i.h.b.] nakomeling; kroost; [veroud.;lit.t.] teelt; (4) [fig.] zaad; [fig.] kiem; [fig.] bron; [i.h.b.] reden (tot); (5) materiaal; ingrediënt; stof [tot praatjes enz.]; onderwerp; [手品の] truc; clou
血統 kettō afstamming; bloed; geslacht; bloedverwantschap; afkomst; komaf; origine; descendentie; afstammingslijn; bloedlijn; familielijn
kado (1) poort; (2) stoep aan de poort; pui; [i.h.b.] voortuin; (3) huis; geslacht; familie; (a) poort
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.65 sec. jiten.nl: 12 treffers, warandict: 23 treffers (zoekopdracht: 'geslacht'). 
2005-2026