日蘭辭典+

40 resultaten voor ‘naam’
日蘭辭典 (trefwoord)
akumyō惡名
(悪名) zn. slechte naam m.; kwade reuk m.
arawasu現す
(現わす・表す・表わす・著す・著わす) t.w. (1) [教示する] toonen; doen blijken; vertoonen. (2) [露す] aan het licht brengen; ontdekken. (3) [著作する] publiceeren. (4) [名を顯す] i.w. beroemd worden; zich naam maken. ¶ 意志を表す zijne bedoeling blootleggen. ¶ そこでしっぽを露はした toen kwam de aap uit de mouw.
akuhyō惡評
(悪評) zn. (惡い評判) slechte naam m.; slechte reputatie v.; kwade reuk m. ¶ 惡評する kwaad spreken van.
meiyo名譽
(名誉) zn. goede naam m.; eer v.; reputatie v. ¶ 名譽心 eerzucht. ¶ 名譽職 erebaantje. ¶ 名譽ある man van eer. ¶ 名譽關する問題 zaak van eer. ¶ 名譽賞牌 eeremedaille. ¶ 名譽快復 eerherstel; rehabilitatie. ¶ 名譽にかけての woord van eer. ¶ 名譽失う zijn reputatie verliezen. ¶ 名譽學位 eeregraad. ¶ 名譽博士 doctor honoris causa; eere-doctor.
uridashi賣出
(売り出し) zn. verkoop m. (藏拂) uitverkoop m.; opruiming v. ¶ 賣出す beginnen te verkoopen; uitgeven (債券を); (を) bekend worden; naam maken.
nanori名乘

(名乗り) zn. naam m. ¶ 名乘る zijn naam zeggen; zichzelf voorstellen; zijn naam opgeven; zeggen, hoe men heet.

kimei空名

zn. bloote titel m. ¶ 空名に過ぎず alleen maar in naam.

zokumei俗名

zn. gewone naam m.; alledaagsche benaming v.

zoku

(属) zn. beambte m.; geslacht (生物) o. ¶ 屬名 naam van het geslacht waartoe iets behoort.

yūmei有名

zn. beroemdheid v.; faam v. ¶ 有名な beroemd; bekend; befaamd. ¶ 有名な泥棒 beruchte dief. ¶ 有名無實 naam zonder werkelijkheid; schoone schijn. ¶ 有名無實の nominaal; alleen maar voor den schijn.

yonooboe世の覺

(世の覚) zn. reputatie v.; naam m.

yobigoe呼聲

(呼声) zn. kreet v.; roep m.; (評判) naam m.; roep m.

yobina呼名
wamyō和名

zn. Japansche naam m.

ureru賣れる

(売れる) i.w. (1) [賣が良い] gewild zijn; vlot verkocht worden; veel gevraagd worden. (2) [賣却し得る] verkoopbaar zijn. (3) [顏が] goeden naam hebben; wel bekend zijn; populair zijn. (4) [或値に] verkoopbaar zijn voor. ¶ 五圓で賣れる verkoopbaar zijn voor vijf yen; vijf gulden halen.

uketamawaru承る

t.w. (1) [聽く] vernemen; hooren; i.w. luisteren naar. t.w. (2) [命令を] krijgen; ontvangen. ¶ 貴方の御名前を承りたう御座います ik zou gaarne uw naam willen vernemen.

tsūshō通稱

(通称) zn. gewone naam m.; algemeen gebruikte naam m.

tsukeru附ける

(付ける) t.w. (1) [接合] bevestigen; hechten; vastmaken. i.w. (2) [裝ふ] uitrusten. t.w. (3) [尾行] volgen. (4) [値を] bieden. (5) [點火] aansteken. ¶ 身に附ける bij zich hebben. ¶ 鈕を附ける knoop aanzetten. ¶ ペン軸にペンを附ける pen in den penhouder steken. ¶ 帳面に附ける inboeken. ¶ 船を棧橋に著ける een schip langszij van de kade brengen. ¶ 煙草を附ける sigaar aansteken. ¶ 電燈を附ける licht aandraaien. ¶ 名を附ける naam geven, noemen. ¶ 人の後を附ける iemands spoor volgen. ¶ 氣を附ける aandacht vestigen; oppassen. ¶ 子供に財產を附ける kapitaal vastzetten op een kind. ¶ 道を附ける weg maken. ¶ 色を附ける kleuren. ¶ 値を附ける bieden voor.

SUPPLEMENT (trefwoord)
kan-suru, kan-su冠する、冠す
(schrijftaal) (tw) (1) iets omschrijven of een naam geven; een naam of label toevoegen [geven; toekennen] aan; bestempelen (als). ¶ 写真はソ連の首都の名を冠したモスクワである。(1941年沈没) Shashin wa so-ren no shuto no na wo kanshita Mosukuwa de aru. (1941-nen chinbotsu) [Het schip in] de foto is de Moskou, genoemd naar de hoofdstad van de Sovjet-Unie (gezonken 1941). (twitter) (2) een kroon plaatsen op; kronen. → 冠 kanmuri
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <naam>
ネーム nēmu (1) naam; (2) naambord; naamplaat; (3) onderschrift; bijschrift; opschrift
公式名 kōshikimei of­fi­cië­le be­na­ming; naam
名前 namae (1) naam; [i.h.b.] voornaam; (2) naam; [m.n. van boek] titel; benaming
名士 meishi vooraanstaand; belangrijk; beroemd; welbekend; prominent; aanzienlijk; eminent; voornaam man; man van aanzien; gewicht; belang; betekenis; naam; man met een reputatie; belangwekkend figuur; bekendheid; beroemdheid; vermaardheid; notabele; waardigheidsbekleder; coryfee; vedette; kanon; kopstuk; klinkende naam; hoge heer; grote meneer; geweldige
名目 myōmoku (1) naam; benaming; titel; (2) noemer; excuus; voorwendsel; (3) bijzondere leeswijze van een kanji; (4) spreekwoord; gezegde
名目 meimoku (1) naam; benaming; titel; (2) noemer; excuus; voorwendsel
名称 meishō naam; benaming; [rel.] denominatie; titel
名義 meigi (1) naam; (2) goede naam; reputatie; eer; (3) voorwendsel
na (1) naam; benaming; [m.b.t. boeken] titel; [i.h.b.] voornaam; persoonsnaam; (2) (goede) naam; reputatie; faam; roem; roep; bekendheid; vermaardheid; beroemdheid; (3) mom; voorwendsel; dekmantel; pretext
myō (1) [boeddh.] nāman [= naam;term;begrip]; (2) [Jap.gesch.] privédomein; [lett.] naamland; (3) plaatsvervanging; waarneming; plaatsvervanger; waarnemer; vertegenwoordiger; representant; zaakgelastigde; gevolmachtigde; gemachtigde; lasthebber; (a) naam; (b) roem; faam; reputatie; (c) [Jap.gesch.] privédomein
mei (1) beroemd ~; befaamd ~; gerenommeerd ~; uitstekend ~; uitmuntend ~; voortreffelijk ~; meesterlijk ~ [aan substantieven gehecht voorvoegsel dat aangeeft dat het genoemde "uitmuntend";"befaamd" is]; (2) -naam; (3) ~ mensen; ~ man [kwantor om personen te tellen]
呼称 koshō (1) naam; benaming; betiteling; (2) het benoemen; naamgeving; denominatie
声価 seika reputatie; faam; naam
外聞 gaibun (1) perceptie; voorkomen; (2) reputatie; naam; faam; prestige; (3) bekendheid bij de buitenwereld
姓名 seimei voor- en familienaam; (volledige) naam
御名前 onamae (1) naam; voornaam van een hooggeplaatst persoon; (2) uw naam
汚名 omei slechte naam; slechte reputatie; slechte; kwade reuk; beruchtheid; slechte faam; schandnaam; brandmerk; schandteken; schandmerk; schandvlek; stigma; kwaad gerucht; smet op een (goede) naam; oneer; schande; odium; blaam
shō (1) naam; benaming; (2) goede naam; roem; faam; eer; reputatie
表題 hyōdai titel; naam; opschrift; hoofd; kop; hoofding; superscriptie; headline
評判 hyōban (1) faam; reputatie; naam; roep; (publieke) achting; aanzien; notoriteit; [i.h.b.] populariteit; (2) praatje; gerucht; opspraak; roddel
oto (1) geluid; klank; (2) toon; (3) lawaai; straatlawaai; rumoer; kabaal; ruis; brom; gekletter; herrie; geraas; wanklank; (4) faam; reputatie; roem; naam; vermaardheid
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.25 sec. jiten.nl: 19 treffers, warandict: 21 treffers (zoekopdracht: 'naam'). 
2005-2026