
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
kōsan・恆產
zn. vast bezit o.; zekere welstand m.
kōshō・公娼
zn. erkende prostitutie v.; (女) prostituee, die eene licentie bezit; bordeelhoer v.
zaisan・財產
(財産) zn. bezit o.; bezittingen v.mv.; vermogen o.; eigendommen o.mv.; middelen o.mv. ¶ 無財產者 onbemiddelde. ¶ 財產を有する bemiddeld zijn. ¶ 財產を作る fortuin maken. ¶ 財產分離 scheiding van goederen. ¶ 財產を淸算する boedel afwikkelen. ¶ 財產刑 geldstraf; boete. ¶ 財產權 eigendomsrecht. ¶ 財產目錄 boedelbeschrijving; inventaris van eigendommen. ¶ 財產主 eigenaar. ¶ 財產を相續する eigendommen erven. ¶ 財產稅 vermogensbelasting.
yūsei・有性
zn. geslachtelijkheid v.; bezit van geslacht. ¶ 有性蕃殖 geslachtelijke voortplanting.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <bezit>
世帯 setai (1) eigendom; vermogen; fortuin; bezit; (2) huishouding; (3) huishouden; gezin; (4) levensonderhoud; het zich behelpen; (5) gezinsvader; gezinsmoeder; (6) [scheepv.] kombuis; [veroud.] kabuis; kookplaats; scheepskeuken; (7) [maatwoord voor gezinnen;huishoudens]
享受 kyōju het hebben; bezit; het genieten; beschikking
享有 kyōyū bezit; het genieten; beschikking; [jur.] genot
保有 hoyū bezit; het in bezit hebben; het houden; behoud
占有 sen'yū (1) bezetting; occupatie; inbezitneming; bezitneming; (2) bezit; possessie
占有権 sen'yūken [jur.] bezit; possessie
所持 shoji bezit; eigendom
所有 shoyū bezit; eigendom; possessie
所蔵 shozō bezit; eigendom
有 yū (1) bezit; (2) bestaan; existentie; (3) [volgend op getal] en nog eens; en daarenboven; (a) zijn; bestaan; (b) hebben; bezitten; (c) daarenboven; en meer; (d) [gebruikt als stopwoord of om het ritme te volmaken]
物 mono (1) ding; voorwerp; zaak; goed; stuk; artikel; waar; iets; object; brok; spul; materiaal; (2) aangelegenheid; kwestie; historie; affaire; materie; onderwerp; punt; (3) eigendom; bezit; have; goed; (4) kwaliteit; (5) rede; wat redelijk is; (6) -werk; -stuk; (7) -wekkend; -aanjagend; -barend; -gevend; wat ~ veroorzaakt
産 san (1) het baren; het bevallen; bevalling; baring; partus; verlossing; geboorte; [fig.] kraambed; (2) bakermat; geboorteplaats; origine; afkomst; afstamming; [fig.] wieg; (3) product; [m.b.t. personen] een geboren …; [fig.;m.b.t. personen] zoon; dochter van …; ingeborene van …; (4) fortuin; vermogen; rijkdom; bezit; middelen; (5) made in …; vervaardigd in …; afkomstig uit …; uit …; van … afkomst; van …; … van geboorte; geboortig van; uit; … van origine; van … bodem; (a) baren; een kind ter wereld brengen; (b) voortbrengen; product; (c) vermogen; bezit
蔵 zō (1) eigendom; bezit; (2) [Chin.pol.] Tibet; (a) (in zich) bergen; verbergen; (b) bergplaats; berging; pakhuis; (c) integrale verzameling; pandecten; (d) ministerie van Financiën
財産 zaisan eigendom; bezitting; bezit; goed; fortuin; vermogen; rijkdom
財 zai (1) bezit; vermogen; fortuin; rijkdom; (2) [econ.] goed; goederen; activa; (a) kostbaarheid; schat; (b) geld; vermogen
資産 shisan [econ.] activa; middelen; actief; baten; vermogen; bezit
身代 shindai (1) vermogen; rijkdom; fortuin; bezit; eigendom; (2) leefomstandigheden; levensomstandigheden; levensonderhoud; bestaan; kostwinning; kost
領有 ryōyū bezit; possessie
Tijd: 1.12 sec. jiten.nl: 10 treffers, warandict: 18 treffers (zoekopdracht: 'bezit').
2005-2026
