
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
zenshū・前週
zn. de vorige week v.
zenpu・前夫
zn. vorige man m.; vroegere echtgenoot m.
zenkō・前項
zn. vorige paragraaf v.; voorafgaand artikel o.; antecedent o.
zengō・前號
(前号) zn. vorig nummer o.; vorige aflevering v.
zen・前
bn. vroeger; vorig; bovenstaand. ¶ 前生涯 vorig leven. ¶ 前に vroeger; te voren. ¶ 歷史前の voor historisch. ¶ 前總理大臣 gewezen eerste minister; ex-premier. ¶ 三年前 drie jaar geleden. ¶ 前條 vorig artikel; bovenstaand artikel; voorafgaande clausule.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vorig>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
以前の izenno vroeger; vorig; voormalig; voorafgaand; voorgaand; gewezen
先の sakino (1) toekomstig; komend; aanstaand; (2) vorig; voorgaand; voorafgaand; vroeger; eerder; (3) voormalig; gewezen; ex-; oud-; (4) recent; van kort geleden; jongste
先 sen (1) [~の] vorig; (2) voorheen; eertijds; vroeger; (3) voorbeurt; (4) [go;shōgi] het eerst moeten uitspelen; aan de voorhand zijn; zitten; (5) [ここを~と] erop of eronder; alles of niets; (a) voorst; meest vooruit; (b) voorafgaand; voorgaand; (c) het initiatief nemen; pionier; (d) vooraf; op voorhand; (e) vroeger; eerder; tevoren; (f) vorig; (g) tegenpartij
前述の zenjutsuno genoemd; bedoeld; betrokken; bewust; desbetreffend; onderhavig; gemeld; eerder vermeld; genoemd; bovengenoemd; bovenstaand; voornoemd; voorgenoemd; voormeld; voorgemeld; in kwestie; voorafgaand; vorig
前 zen (1) vroeger; eerder; voordien; tevoren; ervoor; voordezen; (2) oud-; ex-; gewezen; voormalig; vorig; vroeger; (3) voor-; pre-; vorig; (4) [kwantor voor bureautafels;leunspanen;dientafels;mimi's e.d.]; (5) [kwantor voor shintoïstische godheden of heiligdommen]
前 mae (1) voor; voren; (2) voorkant; front; voorzijde (van een lichaam); [i.h.b.] borststuk; (3) voorstuk; voorste deel; kop; hoofd; (4) confrontatie; het onder ogen hebben; (5) [in] aanwezigheid [van]; [in het] bijzijn [van]; [in het] aanschijn [van]; [in het] aangezicht [van]; [ten] overstaan [van]; tegenover ~; tegen ~; (6) geleden; tevoren; terug; voor; voorheen; vroeger; voordien; (7) (onmiddellijk) voorafgaand (aan); voor; vorig; voormalig; voorgaand; bovenstaand; eerder; eerstgenoemd (van twee); (8) eerdere veroordeling; (9) in overeenstemming met; zoals ~ [(arch.) in de constructie ~ no mae ~の前]; (10) Vrouwe ~ [(arch.) in de constructie ~ no mae ~の前;suffix ter betiteling van een adellijke dame]; (11) [wordt gevoegd achter een meishi of een dōshi in de ren'yōkei;geeft een zekere portie aan]; (12) -heid [suffix dat de hoedanigheid van het grondwoord (steeds een menselijke eigenschap) benadrukt]
従前 juuzen (1) [~の] vorig; vroeger; voorgaand; voorafgaand; voormalig; (2) vroeger; voorheen; eertijds; voor dezen; voordien; tot nu toe; tot dusver
故 ko (1) oude kennis; oude bekende; (2) overleden; gestorven; afgestorven; wijlen; … zaliger; (3) gewezen; voormalig; vroeger; vorig; voorgaand; eerder; oud-; ex-
Tijd: 1.53 sec. jiten.nl: 22 treffers, warandict: 8 treffers (zoekopdracht: 'vorig').
2005-2026
