日蘭辭典+

33 resultaten voor ‘omgang’
日蘭辭典 (trefwoord)
shakō社交
zn. gezellig verkeer o.; sociale omgang m. ¶ 社交が上手 gezellig in den omgang. ¶ 社交的 gezellig; sociaal; maatschappelijk. ¶ 社交團 gezelschap. ¶ 社交術 kunst om zich gemakkelijk te bewegen; aangename omgangsvormen. ¶ 社交界 uitgaande kringen der hoogere standen. ¶ 社交期 het seizoen, waarin veel partijen gegeven worden. ¶ 社交性 gezellige neigingen; behoefte aan gezelligheid.
tsukiai附合
(付き合い、つき合い、付合い) zn. omgang m.; gezelligheid v.; gezelschap o. ¶ 附合上 voor de gezelligheid. ¶ 附合のよい gezellig; aangenaam in den omgang. ¶ 附合の惡い stug; stuursch.
kōtsū交通

zn. (1) [交際] omgang m.; verkeer o. (2) [通信] correspondentie v. (3) [通商] handel m.; handelsverkeer o. ¶ 交通の便 verkeersmiddelen; verbinding. ¶ 交通貿易 handel en verkeer. ¶ 交通遮斷 verbod van verkeer; quarantaine (船の). ¶ 交通する omgang hebben; verkeeren; in verbinding staan. ¶ 交通部 ministerie van verkeerswezen. ¶ 交通兵 communicatietroepen. ¶ 交通人員 aantal reizigers. ¶ 交通巡査 verkeersagent.

kōyū交友

zn. vriendschap v.; omgang m.; vrienden (人) m.mv.

yūkō友交
yukiki往來

(往来) zn. (1) [行交] verkeer o. (2) [交際] omgang m. ¶ 往來する komen en gaan; verkeeren; omgaan; omgang hebben.

waruzure惡擦

(悪擦) zn. verderfelijke omgang m.; verdorvenheid v. ¶ 惡擦れる door slecht gezelschap bedorven worden; verdorven zijn.

tsūkō通好

zn. vriendschappelijke omgang m.; gezellig verkeer o. ¶ 通好する omgang hebben; omgaan met.

tsukiau附合ふ

i.w. omgaan met; omgang hebben met; bevriend zijn met; gezelschap houden.

tsuki

zn. toenadering v.; tegemoetkoming v. ¶ つきの惡い人 iemand, moeilijk in den omgang; ongenaakbaar persoon. ¶ つきの惡い炭 moeilijk ontvlambare kool. ¶ 附けなく斷る botweg weigeren.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <omgang>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
お付き合い otsukiai (1) gezelschap; omgang; kameraadschap; [Belg.N.] compagnie; (2) sociale verplichting; sociale beleefdheid
交わり majiwari (1) omgang; verkeer; betrekking; contact; (2) seks; geslachtsgemeenschap; geslachtsverkeer; vleselijke omgang; seksuele betrekkingen; seksueel contact; (3) [wisk.] doorsnede; doorsnee; intersectie
交渉 koushou (1) onderhandelingen; besprekingen; discussie; pourparlers; overleg; [i.h.b.] gemarchandeer; [veroud.] negotiatie; (2) relatie; contact; connectie; het iets te maken hebben met; betrekkingen; omgang
交通 koutsuu (1) verkeer; (2) verbinding; connectie; aansluiting; (3) communicatie; contact; uitwisseling van informatie; (4) omgang; het omgaan met mensen; vriendschappelijk verkeer; (5) transport; vervoer; handelsverkeer; handel
交際 kousai omgang; het omgaan met mensen; vriendschappelijk verkeer; contact; vriendschap; kameraadschap
kou (1) omgang; betrekking; contact; (2) overgang; wisseling; (a) omgang; betrekking; contact; (b) elkaar kruisen; samenkomen; (c) gemengd raken; mengen; (d) wisselen; ruilen; uitwisselen; (e) leveren; (f) onderling; bij beurten
付き合い tsukiai (1) omgang; verkeer; betrekking; contact; gemeenschap; relatie; gezelschap; vriendschap; anschluss; [i.h.b.] verkering; kennissen; kennissenkring; (2) [meegaan enz. uit] sociale beleefdheid
取り扱い方 toriatsukaikata behandeling; behandelingswijze; aanpak; insteek; bejegening; omgang
回り mawari (1) draai; draaiing; slag; omwenteling; rotatie; omgang; toer; wenteling; wending; zwenking; (2) ronde; rondgang; verspreiding; (3) [毒;あるこーるの] uitwerking; effect; (4) [交通機関の] traject; route; via; (5) omweg; omrit; omlegging; omleiding; wegomlegging; (6) [maatwoord voor ronden;toertjes]; (7) [maatwoord voor een cyclus van 12 jaar]; (8) [maatwoord voor een termijn van 7 dagen]; (9) [maatwoord voor maten;slagen]
対応 taiou (1) overeenkomst; overeenstemming; correspondentie; [comp.] compatibiliteit; afgestemdheid; samengang; coördinatie; (2) equivalentie; gelijkwaardigheid; (3) antwoord; reactie; respons; omgang; hantering; behandeling; bejegening; aanpak
当たり atari (1) treffer; raakschot; hit; succes; (2) [光;風の] werking; (3) [honkb.] slagprestatie; (4) gok; berekening; voorspelling; verwachtingspatroon; (5) houding; manier; inschikkelijkheid; omgang; (6) [わいんの] gevoel op de tong; smaak; (7) kneuzing (van vruchten); gekneusde plek; kneus; (8) [viss.] beet; (9) per …; (10) -vergiftiging; -aandoening; -affect
往復 oufuku (1) het heen en teruggaan; het gaan en komen; (2) correspondentie; briefwisseling; (3) contact; het onderhouden van contact (met elkaar); omgang; verkeer; (4) retourbiljet; retour; retourtje [afkorting van ōfukukippu 往復切符 of ōfukujōshaken 往復乗車券]
往来 ourai (1) heen-en-weergeloop; komen en gaan; verkeer; va-et-vient; passage; [Belg.N.] trafiek; (2) straat; verkeersweg; (3) het opkomen en verdwijnen; (4) omgang; contact; uitwisseling; (5) correspondentie; briefwisseling; (6) [hand.] lichte schommeling; fluctuatie
扱い atsukai (1) gebruik; hantering; aanpak; bediening; (2) behandeling; ontvangst; onthaal; bejegening; (3) omgang; (4) verzorging; verpleging; (5) bemiddeling; arbitrage
折り合い oriai (1) betrekkingen; relatie; omgang; verstandhouding; verhouding; (2) compromis; vergelijk; schikking; overeenkomst; akkoord; overeenstemming
抱く daku (1) omarmen; omhelzen; omstrengelen; omvatten; in zijn armen houden; in de armen sluiten; aan het hart; zijn borst drukken; tegen zich aandrukken; aanhouden; tegen zijn borst klemmen; [m.b.t. vogels] broeden; [i.c.m. 卵を] bebroeden; (2) koesteren; [fig.] omhelzen; [fig.] omarmen; (3) [euf.] omhelzen; omgang; gemeenschap hebben; vrijen; kroelen; nemen; pakken
抱ける dakeru (1) kunnen omarmen; kunnen omhelzen; kunnen omstrengelen; kunnen omvatten; in zijn armen kunnen houden; in de armen kunnen sluiten; aan het hart; zijn borst kunnen drukken; tegen zich kunnen aandrukken; aanhouden; tegen zijn borst kunnen klemmen; [m.b.t. vogels] kunnen broeden; [i.c.m. 卵を] kunnen bebroeden; (2) kunnen koesteren; [fig.] kunnen omhelzen; [fig.] kunnen omarmen; (3) [euf.] kunnen omhelzen; omgang; gemeenschap kunnen hebben; kunnen vrijen; kunnen kroelen; kunnen nemen; kunnen pakken
okite (1) regel; voorschrift; wet; gebod; bepaling; verordening; statuut; (2) maatregel; beschikking; instructie; (3) regeling; behandeling; omgang; procedure; regelgeving; reglement; code; (4) overeenkomst; afspraak; (5) verwachting; plan; voornemen; (6) houding; stemming; instelling; gemoedsgesteldheid; (7) lot; bestemming
絡み karami (1) omgang; interactie; verwikkeling; betrokkenheid; relatie; verband; (2) [kabuki] bijfiguur
行き来;往き来 ikiki (1) geloop; heen-en-weergeloop; va-et-vient; verkeer; (2) omgang
行き来;往き来 yukiki (1) geloop; heen-en-weergeloop; va-et-vient; verkeer; (2) omgang
間柄 aidagara verhouding; relatie; betrekking; band; binding; verstandhouding; [fig.] voet; omgang
関係 kankei (1) relatie; betrekking; verhouding; verwantschap; verband; bemoeienis; bemoeiing; (2) deelname; aandeel; (3) invloed; (4) (seksuele) relatie; omgang
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.72 sec. jiten.nl: 10 treffers, warandict: 23 treffers (zoekopdracht: 'omgang'). 
2005-2026