日蘭辭典+

34 resultaten voor ‘handel’
日蘭辭典 (trefwoord)
shōgyō商業
zn. handel m. ¶ 商業の commercieel. ¶ 商業界 handelswereld. ¶ 商業會議所 kamer van koophandel. ¶ 職業取引所 de beurs. ¶ 商業組合 gilde. ¶ 職業語 handelsterm; zakenterm. ¶ 職業證券 handelspapieren; documenten.
akinai
(商い) zn. (1) [商賣] handel m.; zaak v. (2) [職業] beroep o.; bedrijf o.
zaibutsu財物
zn. goederen o.mv.; eigendommen o.mv.
shōbai商賣
(商売) zn. (1) [商業] handel m. (2) [取引] transactie v. (3) [職業] bedrijf o.; beroep o. ¶ 商賣始める een zaak opzetten. ¶ 商賣をして居る zaken doen; in zaken zijn. ¶ 酒商賣をする handelen in spiritualiën. ¶ 商賣止める zich uit de zaken terugtrekken. ¶ 商賣する handel drijven; zaken doen; in den handel zijn. ¶ 商賣concurrent. 商賣handelaar; koopman. ¶ 商賣振 wijze van zaken-doen.
kōtsū交通

zn. (1) [交際] omgang m.; verkeer o. (2) [通信] correspondentie v. (3) [通商] handel m.; handelsverkeer o. ¶ 交通の便 verkeersmiddelen; verbinding. ¶ 交通貿易 handel en verkeer. ¶ 交通遮斷 verbod van verkeer; quarantaine (船の). ¶ 交通する omgang hebben; verkeeren; in verbinding staan. ¶ 交通部 ministerie van verkeerswezen. ¶ 交通兵 communicatietroepen. ¶ 交通人員 aantal reizigers. ¶ 交通巡査 verkeersagent.

zui-i隨意

(随意) zn. vrije wil m.; vrijheid om te handelen; vrijwilligheid v.; optie (任意) v. ¶ 隨意の vrijwillig. ¶ 隨意に zooals men wil; naar eigen keuze; vrijelijk. ¶ 人の隨意に任す aan iemand overlaten; de vrije beschikking geven. ¶ 隨意科 facultatief leervak. ¶ 御隨意に召上れ bedien u zelf; neem waar ge trek in hebt.

uru賣る

(売る) t.w. (1) [販賣] verkoopen; i.w. handelen in. t.w. (2) [裏切る] verraden. ¶ 目方で賣る bij het gewicht verkoopen. ¶ 國を賣る zijn land verraden. ¶ 娘を賣る zijn dochter verkoopen. ¶ 節操を賣る zich prostitueeren.

tsūshō通商

zn. handelsverkeer o.; handel m. ¶ 通商禁止 verbod van handel. ¶ 通商條約 handelsverdrag. ¶ 通商局 departement van handel.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <handel>
ショップ shoppu winkel; zaak; handel; shop
トレーディング torēdingu handel; het handeldrijven; [meton.] markt; [meton.] beurs
トレード torēdo (1) handel; zaken; (2) [sportt.] transfer
ビジネス bijinesu handel; zaken; commercie; bedrijf; affaire; bedrijfsleven; koopmanschap
マーケット māketto (1) markt; marktplaats; (2) [econ.] markt; handel
乾物屋 kanbutsuya (1) handel; zaak in drogerijen; drogisterij; [w.g.] drogistwinkel; (2) handelaar in drogerijen; drogist; kruidenier; grutter
交易 kōeki (1) handel; handelsverkeer; commercie; [i.h.b.] ruilhandel; ruilverkeer; (2) uitwisseling; ruil; ruiling; (3) vermenging
交通 kōtsū (1) verkeer; (2) verbinding; connectie; aansluiting; (3) communicatie; contact; uitwisseling van informatie; (4) omgang; het omgaan met mensen; vriendschappelijk verkeer; (5) transport; vervoer; handelsverkeer; handel
取引 torihiki handel; zaken; handelszaken; transacties; affaire; koopmanschap
商い akinai (1) handel; commercie; koophandel; (2) omzet; [Belg.N.] zakencijfer
商事 shōji (1) handel; handelszaken; commerciële aangelegenheden; (2) handelmaatschappij; handelsvennootschap; handelscompagnie; handelsvereniging; handelsonderneming; handelsfirma
商売 shōbai (1) handel; zaak; nering; bedrijf; commercie; zaken; het zakenleven; het zakendoen; koophandel; koopmanschap; business; affaire; (2) beroep; werk; vak; branche; [Belg.N.] stiel
商店 shōten winkel; zaak; handelszaak; handel; shop
商業 shōgyō handel; handelsbedrijf; koopmansbedrijf; koophandel; koopmanschap; commercie; business; [attr.] zaken-; [attr.] commercieel
shō (1) handel; zaak; winkel; (2) handelaar; koopman; handelsman; (3) [wisk.] quotiënt; uitkomst van een deling; (4) Shāng [Chinese dynastie;1766-1122 v.Chr.;genoemd naar de hoofdstad van de Yīn 殷]
営業 eigyō zaken; handel; bedrijf
売買 baibai koop en verkoop; in- en verkoop; [i.h.b.] koophandel; markthandel; handel; transactie; deal; affaire; zaken; markt
実業 jitsugyō nijverheid; zaken; handel; commercie; business; bedrijfsleven
店屋;見世屋 miseya winkel; zaak; handel; handelszaak; winkelzaak; bazaar; magazijn
店舗 tenpo (1) winkel; winkelzaak; handelszaak; zaak; handel; shop; (2) [maatwoord voor winkels;handelszaken]
ten -winkel; -handel; -zaak [als tweede lid in samengestelde meishi]
mise winkel; zaak; handel; bazaar; magazijn; firma; huis
業界 gyōkai (1) zakenwereld; bedrijfsleven; handelskringen; branche; sector; bedrijfstak; tak; (2) -industrie; -handel; -bedrijf; -nijverheid
(1) het gaan; gang; tocht; reis; toer; (2) [Chin.gesch.] winkelwijk; handelswijk (in Suí; Táng-China); (3) [Chin.gesch.] ambachtsgilde; gilde; gild (in Táng-China); (4) [Chin.gesch.] xíng; ballade [= klassiek Chinees episch dichtstuk]; (a) gaan; (b) reis; toeren; (c) uitvoeren; daad; handeling; (d) winkel; handel; [i.h.b.] bank
貿易 bōeki handel; koophandel; commercie
通商 tsūshō handel; handelsverkeer; commercie; [gew.] commerce
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.25 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 26 treffers (zoekopdracht: 'handel'). 
2005-2026