日蘭辭典+

24 resultaten voor ‘schade’
日蘭辭典 (trefwoord)
aganau贖ふ
(贖う購う) t.w. boeten; boete doen voor; loskoopen; vrijkoopen. ¶ 罪を贖う zijn schuld boeten. ¶ 因人を贖う een gevangene loskoopen. ¶ 損害を贖う schade vergoeden.
kesson缺損

(欠損) zn. nadeel o.; schade v.; tekort ¶ 缺損する schade lijden; tekort komen.

kagai禍害
zn. schade v.
furi不利
zn. nadeel o.; schade v. ¶ 不利の ongunstig; onvoordeelig.
satei査定

zn. vaststelling van onderzoek; schatting v.; begrooting o. ¶ 査定する vaststellen; begrooten. ¶ 損害を一百と査定した de schade werd begroot op honderd gulden. ¶ 査 定豫算案 vastgestelde begrooting.

koshō故障

zn. [障碍] belemmering v.; beletsel o.; moeilijkheid v.; bedrijfsstoring v.(2) [事故] ongeval o. (3) [異議] bezwaar o.; protest o.(4) [破損] schade v. (5) [缺點] gebrek o. ¶ 故障を言ふ, bezwaar maken; protesteeren. ¶ 故障車 onbruikbare wagen; kapotte wagen. ¶ 故 障なく zonder moeilijkheden; glad; zonder bezwaren; vlot.

zangai慘害

(惨害) zn. groote schade v.; verwoesting v.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <schade>
ダメージ damēji schade; beschadiging; averij; nadeel
ada (1) vijand; tegenstander; (2) vijandigheid; vijandschap; animositeit; verbolgenheid; kwaadwilligheid; malice; haat; wrok; rancune; vete; (3) kwaad; schade; nadeel; slechte dienst; iets contraproductiefs
創痍 sōi (1) wond; wonde; verwonding; kwetsuur; letsel; [fig.] [戦争の~] litteken; (2) schade; beschadiging
加える kuwaeru (1) [wisk.] optellen; bij elkaar tellen; (2) toevoegen; bijvoegen; (3) doen toenemen; meer laten worden; vermeerderen; verhogen; groeien; uitbreiden; (4) meerekenen; meetellen; incalculeren; (5) laten meedoen; laten deelnemen; (6) (een slag; schade; etc.) toedienen; (een belediging) naar het hoofd slingeren
危害 kigai letsel; schade; leed; krenking
害毒 gaidoku kwaad; schade; onheil; kwade; verpestende; schadelijke invloed; pest; verderf; vloek; kanker; vergif; vergift
gai schade; aantasting; kwaad; nadeel; afbreuk; leed; injurie; euvel; iets pernicieus; iets verderfelijks; slechts; kwalijks; kwade; funeste invloed
son (1) verlies; strop; (2) nadeel; schade; tegenvaller; drawback; handicap; damnum; (3) nadelig; ongunstig; onvoordelig; verliesgevend; verloren [investering enz.]; niet-lonend; ondankbaar; nutteloos; vergeefs; zonder resultaat; onrendabel
損傷 sonshō schade; beschadiging; aantasting; afbreuk; letsel; verwonding; kwetsuur; blessure; blessuur
損壊 sonkai (1) vernietiging; vernieling; destructie; (2) schade; beschadiging
損害 songai schade; beschadiging; [fig.] averij; verlies; [i.h.b.] verlies aan mensenlevens; [i.h.b.] verliezen; [i.h.b.] slachtoffers
故障 koshō (1) belemmering; beletsel; moeilijkheid; storing; struikelblok; handicap; (2) ongeval; ongeluk; (3) gebrek; defect; tekortkoming; fout; (4) schade; beschadiging; averij; (5) bezwaar; tegenwerping; bedenking; protest; tegenkanting
毀損 kison (1) schade; beschadiging; toetakeling; (2) [名誉の] diffamatie; eerroof; laster; smaad; aantasting; belastering
痛み itami (1) (lichamelijke) pijn; lichamelijk lijden; (2) (psychologische) smart; leed; kwelling; verdriet; (3) beschadiging; schade; kneuzing; (4) rotting; ontbinding; bederf; corruptie
破損 hason schade; beschadiging; letsel; breuk
被害 higai schade; beschadiging; afbreuk; letsel; [fig.] averij
被害額 higaigaku schade; hoeveelheid schade; schadeomvang
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.23 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 17 treffers (zoekopdracht: 'schade'). 
2005-2026