日蘭辭典+

37 resultaten voor ‘streng’
日蘭辭典 (trefwoord)
amai甘い
bn. (1) [甘味] zoet. (2) [淡味] flauw; laf; smakeloos. (3) [愚鈍] dwaas; mal. (4) [叱り方が] slap; niet streng genoeg. (5) [やさしい] zacht. ¶ 子供に甘い toegevend voor kinderen. ¶ 甘い物 zoetigheid.
kyūkutsu窮屈
zn. (1) [嚴重] strengheid v.; striktheid v. (2) [気詰り] gedwongenheid v.; onvrijheid v. (3) [狭隘] beperktheid v.; engheid v. ¶ 窮屈な streng; strikt; onvrij; beperkt; nauw; eng. ¶ 窮屈な規則 strenge regelen. ¶ 窮屈に思ふ zich onvrij gevoelen. ¶ 窮屈な服 nauwe kleeren. ¶ 窮屈な家 een bekrompen woning. ¶ 窮屈に云へば strikt gesproken; eigenlijk gezegd.
genjū嚴重
zn. gestrengheid v. ¶ 嚴重streng; strikt. ¶ 嚴重に言へば strikt genomen. ¶ 嚴重な規律 strenge tucht. ¶ 時間嚴重に守る strikt op tijd zijn.
kowa-iken强意見

zn. strenge berisping v.

yakamashii喧しい

bn. (1) [騷々しい] lawaaiig; (2) [小言多き] lastig; kijfachtig. (3) [嚴格な] streng. ¶ 食物にやかましい kieskeurig. ¶ 喧しく met veel lawaai; met veel drukte. ¶ 喧しく云ふ zich druk maken. ¶ やかましい靜かにしろ maak toch niet zoo'n lawaai! ¶ やかましい問題 een hevige kwestie. ¶ 稅關で喧しく言ふでせう ik denk, dat je moeilijkheden krijgt met de douane. ¶ 喧し屋 lastige kerel.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <streng>
きつい kitsui (1) intens; sterk; (2) hard; streng; zwaar; (3) strak; nauw; (4) moedig; sterk
ぎゅうぎゅう gyūgyū (1) [~鳴る] [= klanknabootsing van een knarsend;krakend;knerpend;piepend;schurend geluid]; (2) [~と縛る] strak aangespannen; (3) [~押し込む] tot proppens toe; samengedrukt; als haringen in een ton; als haringen opeengepakt; als sardientjes in een blik; opeengepropt; propvol; tjokvol; bomvol; stampvol; afgestampt; afgeladen vol; (4) [~絞られる] duchtig; streng; flink; (5) pijnlijk; smartelijk
ぴったりした pittarishita (1) juist; gepast; geschikt; geëigend; passend; (2) dicht; spannend; strak; nauw; nauwsluitend; strakgespannen; krap; hermetisch; [veroud.] streng
一条 ichijō (1) één lijn; streep; baan; striem; straal; streng; sliert; (2) één bepaling; clausule; artikel; passage; (3) die zaak; affaire; dat geval; (4) Ichijō
一筋;一条 hitosuji (1) lijn; streep; striem; straal; streng; (2) familie; geslacht; clan; huis; (3) kunst; vaardigheid; (4) honderd aan een snoer geregen muntstukken; (5) gewone maatregelen; gebruikelijke methode; (6) gewoon; normaal; gebruikelijk; (7) toegewijd; noest; ernstig; ijverig; vlijtig; (8) vlot; ongehinderd; zonder hapering; vloeiend
一糸 isshi een draad; streng; snoer
厳しい kibishii (1) streng; hard; strikt; stijf; strak; gestreng; (2) intens; streng
厳つい ikatsui [~顔] streng; [~肩] hoekig; vierkant; bonkig
厳めしい ikameshii (1) waardig; deftig; statig; ontzagwekkend; imposant; majestueus; majesteitelijk; indrukwekkend; [~肩書き] ronkend; hoogdravend; (2) [~顔つき] streng; strak; ernstig; bars; grimmig; nors
厳めしく ikameshiku (1) plechtstatig; plechtiglijk; waardig; deftig; majestueus; majesteitelijk; ontzagwekkend; (2) streng; strak; ernstig
厳密な genmitsuna strikt; streng; rigoureus; stipt; precies; punctueel; nauw; scrupuleus; nauwkeurig
厳密に genmitsuni strikt; streng; rigoureus; stipt; precies; punctueel; nauw; scrupuleus; nauwkeurig
厳格 genkaku streng; strikt; gestreng; stringent; rigide; rigoureus; nauw; Spartaans
厳然と genzento ernstig; zwaar; streng; gezaghebbend
厳重 genjū (1) gestrengheid; strengheid; striktheid; rigourositeit; onverbiddelijkheid; heftigheid; felheid; (2) stevigheid; sterkte; degelijkheid; vastheid; (3) gestreng; streng; strikt; rigoureus; onverbiddelijk; heftig; fel; (4) stevig; sterk; degelijk; solide; vast
喧しい yakamashii (1) lawaaierig; luidruchtig; rumoerig; roezig; schreeuwerig; kabaal makend; herrie makend; veel leven makend; kakofonisch; schetterig; roezemoezig; lawaaiig; luid; gehorig; krakeelachtig; tumultueus; tapageus; bruyant; (2) [m.b.t. procedure] lastig; vervelend; omslachtig; log; ergerlijk; [inform.] flikkers; (3) zeurderig; drammerig; zanikachtig; zeverend; (4) veeleisend; kieskeurig; nauwgezet; kies; vies; (angstvallig) precies; pietluttig; pietepeuterig; kritisch; moeilijk; vitterig; muggenzifterig; vitziek; (5) streng; strikt; rigoureus; gestreng; rigide; strak; star; [m.b.t. programma] straf; [m.b.t. gelovige] steil; stringent; (6) controversieel; omstreden; beladen; geruchtmakend; ophefmakend; verhit
固い katai (1) sterk; hard; (2) streng; vasthoudend; niet aflatend; (3) robuust; vast zittend zodat het niet kan bewegen; (4) stijfkoppig; koppig
堅い katai (1) solide; vast; (2) vast en zeker; (3) in orde; rechtschapen; (4) stijf; strak; streng
gen (1) streng; [弓の] pees; (2) [muz.] snaar; (3) [meetk.] koorde
kin (1) spier; spieren; (a) spier; (b) streng
shi (1) een tienduizendste; (2) een duizendste van een procent; (a) draad; streng; (b) draadachtig iets; (c) [muz.] snaarinstrument; snaar; (d) een tienduizendste deel; extreme geringe hoeveelheid
細かい komakai (1) klein; fijn; (2) gedetailleerd; minutieus; nauwgezet; tot in de details gaand; tot in de bijzonderheden gaand; (3) streng; rigoureus; strikt; nauwkeurig; (4) krenterig; gierig; overdreven zuinig; overdreven spaarzaam; op de penning; (5) pietluttig; van weinig belang; onbeduidend; nietig; futiel; armzalig; gering; klein; (6) delicaat; subtiel; verfijnd; fijn
tsuna (1) touw; koord; reep; lijn; snoer; streng; kabeltouw; [scheepv.] tros; [scheepv.] sjorring; (2) houvast; zekerheid; (3) [sumō-jargon] (titel van) yokozuna; sumōkampioen; sumōkampioenschap
緊密 kinmitsu (1) nauw; hecht; innig; dik; (2) strikt; streng; strak; star; rigoureus
o (1) draad; snoer; streng; (2) [琴の] snaar; [弓の] pees; (3) bandje; riempje; (4) duur; voortgang; (5) leven
線維 sen'i (1) draad; streng; (2) vezel
苛酷 kakoku wreed; hard; hardvochtig; onbarmhartig; meedogenloos; genadeloos; ongenadig; streng
辛い karai (1) heet; pikant; (2) zout; (3) bitter; hard; (4) erg; verschrikkelijk; (5) streng
koku (1) hard; cru; wreed; zwaar; streng; scherp; fel; vinnig; (a) streng; wreed; erg; (b) hevig; fel
重い omoi (1) zwaar; veel wegend; niet licht; (2) gewichtig; belangrijk; ernstig; serieus; (3) [罰が] streng; zwaar; (4) zwaarmoedig; bezwaard; gedrukt; bedrukt; neerslachtig; gedeprimeerd; (5) kritiek; hachelijk; precair; [病気が] gevaarlijk; moeilijk; [お産が] lastig; (6) [口が] zwijgzaam; niet spraakzaam; stil; niet mededeelzaam
険しい kewashii (1) steil; sterk hellend; (2) (van iemands karakter) hard; (van iemands karakter) hardvochtig; (3) (van iemands gelaatsuitdrukking) streng; (van iemands gelaatsuitdrukking) grimmig; (4) boos; kwaad; verbolgen
難しい muzukashii (1) misnoegd; ontstemd; nors; stuurs; grimmig; bedrukt; somber; ernstig; (2) moeilijk; vervelend; lastig; hard; zwaar; heel [bv. hele klus]; (3) ernstig; kritiek; zwaar; bedenkelijk; precair; (4) ingewikkeld; gecompliceerd; complex; netelig; delicaat; (5) ongemakkelijk [karakter]; streng; strikt; lastig; hard; moeilijk te voldoen; kieskeurig; veeleisend
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.97 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 32 treffers (zoekopdracht: 'streng'). 
2005-2026