日蘭辭典+

64 resultaten voor ‘zacht’
日蘭辭典 (trefwoord)
amai甘い
bn. (1) [甘味] zoet. (2) [淡味] flauw; laf; smakeloos. (3) [愚鈍] dwaas; mal. (4) [叱り方が] slap; niet streng genoeg. (5) [やさしい] zacht. ¶ 子供に甘い toegevend voor kinderen. ¶ 甘い物 zoetigheid.
atatakai溫い
(温かい・暖い暖かい) bn. warm; zacht. ¶ 溫い冬 zachte winter. ¶ 溫い同情 warme sympathie;
yasashii優しい
bn. (1) [柔和] zacht; zachtmoedig; zachtaardig. (2) [優雅] bevallig. (3) [深切] vriendelijk; lief.
otonashiiおとなしい
(大人しい) bn. zoet; gehoorzaam; gedwee; tam; mak; gewillig; zacht.
sunao素直
zn. zachtheid v. ¶ 素直な zacht; gedwee; volgzaam; gewillig; gehoorzaam; onderworpen.
shizuka na靜な
(静かな) bn. rustig; stil; kalm; zacht.
shizuka ni靜に
(静かに、静に) bw. rustig; stil; kalm; zacht; zachtjes. ¶ 靜にする kalmeeren. ¶ 靜にしろ stilte! wees stil! ¶ まあ靜に houd je kalm. ¶ 心靜に考へて見給へ denk er eens kalm over na.
soyokaze微風
(そよ風) zn. zacht briesje o.; licht koeltje o.
jūnan柔軟

zn. zachtheid v. ¶ 柔軟なる zacht; buigzaam; plooibaar. ¶ 柔軟性 buigzaamheid; plooibaarheid. ¶ 柔軟體操 vrije gymnastische oefeningen.

yuruyaka na緩かな
yurui緩い

bn. (1) [弱い] los; slap. (2) [寬大な] zachtmoedig; zacht. (3) [緩調な] langzaam. (4) [稀薄な] slap; dun. ¶ 緩くなる losraken; slap worden. ¶ 緩くする verdunnen; aanlengen; verslappen.

yūka融化

zn. zacht-worden o. ¶ 融化する zacht worden; smelten.

yawaraka na柔かな

bn. zacht; teeder; kalm.

usubikari薄光り

zn. zacht schijnsel o.; flauw licht o.

SUPPLEMENT (trefwoord)
kiiro黄色
zn. geel ¶_市販のバナナはきれいな黄色をしているが、それはもともと 緑だったバナナに化学薬品を撒いた上で、果実を熟成させたものである De bananen die verkocht werden waren mooi geel, maar het het ging om [producten] die gerijpt waren door de oorspronkelijk groene bananen te besprenkelen met een chemisch middel. ¶ 何日か経過するとバナナは黄色になり、柔らかくなる。 Nadat er een aantal dagen was verstreken werden de bananen geel en zacht.
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Aozora Bunko╱Mori Ōgai╱De wilde gans 〈11:4〉〈青空文庫〉森鴎外『雁』
肱掛からを見れば、高野槙から、爽かな朝風に、微か揺れていると、その向うの一面に茂っているとが見える

Hijikakemado kara soto wo mireba, kōyamaki no eda no aida kara, sawayaka na asakaze ni, kasuka ni yurete iru yanagi no ito to, sono mukō no ike ichimen ni shigette iru hasu no ha to ga mieru.

Wanneer hij door het raam naar buiten keek, kon hij tussen de takken van de parasolden door de zachtjes in de frisse ochtendwind bewegende afhangende takken van de treurwilg, en daarachter een dikke laag lotusbladeren op de vijver zien.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zacht>
しんみりした shinmirishita (1) rustig; zacht; stil; (2) intiem; vertrouwelijk; persoonlijk; innig; confidentieel; (3) [~話] ontroerend; aandoenlijk
なだらか nadaraka (1) [m.b.t. helling;glooiing] zacht; lichtjes; zachtjes; (2) [m.b.t. verloop;ontwikkeling] vlot; gesmeerd; gladjes; soepel; van een leien dakje; probleemloos
スムーズ sumūzu glad; vlak; vloeiend; vlot; gemakkelijk; zacht
ソフト sofuto (1) software; programmatuur; [i.h.b.] DVD- of VHS-materiaal [verkorting van sofutowea ソフトウェア]; (2) slappe vilthoed; slappe deukhoed; slappe gleufhoed [verkorting van sofutobō ソフト帽]; (3) immaterieel; onstoffelijk goed; (4) zacht; soft; week; slap
ピアノ piano (1) piano; [meton.] klavier; [pej.] tingeltangel; (2) piano; [muz.] zacht
ピヤノ piyano (1) piano; [meton.] klavier; [pej.] tingeltangel; (2) piano; [muz.] zacht
フワフワ fuwafuwa (1) zacht; licht; donzig; vlossig; flossig; luchtig; (2) luchthartig; wuft; lichtvaardig; lichtzinnig; frivool; (3) luchtigjes; licht; lichtjes
優しい;恥しい yasashii (1) zacht; [m.b.t. stem] rustig; teder; mild; braaf; suave; zoet [als een lammetje]; (2) gracieus; bevallig; elegant; sierlijk; (3) vriendelijk; aardig; lief; liefdevol; minzaam; lieflijk; zachtaardig; goedaardig; goed; -vriendelijk [b.v. klantvriendelijk]; (4) attent; zorgzaam; begaan met; medelevend met; oplettend; bezorgd; voorkomend; gedienstig; (5) zich klein voelen; zich nietig voelen; zich schamen; zich generen; beschaamd zijn; zich opgelaten voelen; zich niet op zijn gemak voelen; in verlegenheid gebracht zijn [meestal 恥しい gespeld]; (6) nederig; teruggehouden; ootmoedig; modest; deemoedig; braaf [meestal 恥しい gespeld]
優しく yasashiku vriendelijk; aardig; zachtmoedig; zacht; zachtjes; teder; goedhartig
囁く sasayaku (1) fluisteren; zacht; met gedempte stem spreken; [niet alg.] wispelen; (2) fluisteren; bedekt(elijk) zeggen; praatjes; geruchten doen rondgaan; roddelen
地味な jimina (1) sober; eenvoudig; ongekunsteld; niet opzichtig; onopvallend; pretentieloos; ingetogen; [~色] zacht; rustig; stemmig; gedekt; (2) onopvallend; bescheiden; discreet; gereserveerd; terughoudend; teruggetrokken; niet opdringerig
地味 jimi (1) sober; eenvoudig; ongekunsteld; niet opzichtig; onopvallend; pretentieloos; ingetogen; [m.b.t. kleuren] zacht; [m.b.t. kleuren] rustig; [m.b.t. kleuren] stemmig; [m.b.t. kleuren] gedekt; (2) onopvallend; bescheiden; discreet; gereserveerd; terughoudend; teruggetrokken; niet opdringerig
大人しい otonashii (1) zacht; (2) rustig; bedaard; kalm; stil; (3) gehoorzaam; volgzaam; gedwee; gewillig; zoet; gezeglijk; meegaand; inschikkelijk; (4) [m.b.t. dieren] tam; getemd; mak; niet wild; (5) zoet; braaf; goed; niet stout; (6) bescheiden; nederig; ingetogen
安眠する anminsuru rustig; gerust; zacht; zachtjes slapen
小さい chīsai (1) klein; gering; licht; onbeduidend; bescheiden; [m.b.t. stem] zacht; (2) klein; jong
小さな chīsana (1) klein; gering; licht; onbeduidend; bescheiden; [m.b.t. stem] zacht; (2) klein; jong
小声で kogoede met zachte; gedempte; ingehouden stem; op gedempte toon; op een fluistertoon; zacht; zachtjes; halfluid; fluisterend; binnensmonds; [muz.] sotto voce
柔らか;軟らか;和らか yawaraka (1) zacht; smeu; mals; donzig; (2) mild; zachtaardig; teder; (3) soepel; buigzaam; tegemoetkomend; coulant; flexibel; (4) behaaglijk (warm); mild; (5) sappig; vlot; (6) halfzacht; slap; verwijfd
柔らかい;軟らかい;和らかい yawarakai (1) zacht; smeu; mals; donzig; (2) zachtaardig; teder; mild; murw; (3) behaaglijk (warm); mild; (4) soepel; niet-stroef; vlot; (5) flexibel; coulant; tegemoetkomend; inschikkelijk
柔和 nyūwa zacht; zachtaardig; teder; mild
柔和な nyūwana zacht; zachtaardig; teder; mild
柔軟 jūnan zacht; buigzaam; plooibaar; buigbaar; flexibel; soepel
淡々 tantan (1) [~とした色] licht; bleek; zacht; flauw; flets; (2) kalm; rustig; sereen; koel; onaangedaan; onberoerd; stoïcijns; gelijkmoedig; gelaten; ongeïnteresseerd; onverschillig; (3) kabbelend; kalm vloeiend
淡白 tanpaku (1) [cul.] licht gekruid; (2) [m.b.t. kleur;tint] gedekt; stemmig; zacht; (3) nuchter; eerlijk; ongekunsteld; indifferent; onverschillig
淡白な;淡泊な;澹泊な tanpakuna (1) [cul.] licht gekruid; (2) [m.b.t. kleur;tint] gedekt; stemmig; zacht; (3) nuchter; eerlijk; ongekunsteld; indifferent; onverschillig
温い nukui (1) [meteo.] warm; mild; zacht; (2) suf; dwaas; dom; (3) rijk; bemiddeld; gegoed
温厚 onkō zachtaardig; zachtmoedig; zachtzinnig; vriendelijk; zacht; warmhartig
温和 onwa mild; zacht; gematigd
温暖 ondan lekker warm; zacht; gematigd
甘口 amakuchi (1) honingzoete woorden; stroperige taal; lieve; suikerzoete woordjes; mooie praatjes; fluwelen tong; vleitaal; vleierij; flemerij; flikflooierij; [pej.] gefleem; (2) zoetekauw; zoetbek; zoeterik; snoeper; snoepkous; snoepdoos; (3) [m.b.t. wijnen] zoet; [m.b.t. tabak] licht; zacht; mild
穏やか odayaka (1) rust; bedaardheid; kalmte; geneigdheid het hoofd koel te houden; (2) stilte; geruisloosheid; roerloosheid; (3) mildheid; zachtheid; zachtaardigheid; welwillendheid; weldadigheid; gematigd karakter; niet agressief karakter; verzoeningsgezindheid; (4) vredigheid; vrede; harmonie; evenwicht; (5) rustig; bedaard; kalm; het hoofd koel houdend; (6) stil; geruisloos; roerloos; (7) mild; zacht; zachtaardig; welwillend; weldadig; gematigd; niet agressief; verzoeningsgezind; (8) vredig; vredevol; harmonieus; evenwichtig
穏やかな odayakana (1) rustig; bedaard; kalm; het hoofd koel houdend; (2) stil; geruisloos; roerloos; (3) mild; zacht; zachtaardig; welwillend; weldadig; gematigd; niet agressief; verzoeningsgezind; (4) vredig; vredevol; harmonieus; evenwichtig
素直 sunao (1) braaf; gedwee; zoet; gehoorzaam; volgzaam; inschikkelijk; meegaand; mak; dociel; smijdig; gewillig; gezeglijk; handelbaar; zacht; zachtaardig; goedwillig; [i.h.b.] open; openhartig; eerlijk; naïef; (2) ongekunsteld; ongemaakt; ongemaniëreerd; ongedwongen; natuurlijk; oprecht; rechtuit; eenvoudig
緩々 yuruyuru (1) traag; langzaam; ongehaast; lijzig; (2) ontspannen; op z'n gemak; kalmpjes; niet gejaagd; (3) slap; zacht; buigzaam; (4) [髪の毛が] weelderig; (5) uitgestrekt; omvangrijk; uitgebreid; (6) slobberig; flodderig; (7) waterig; (8) rustig; vredig; kalm
緩やか;寛やか yuruyaka (1) los; vrij; ongehinderd; ontspannen; soepel; (2) inschikkelijk; mild; coulant; gematigd; grootmoedig; edelmoedig; toegeeflijk; toegevend; inschikkelijk; goedig; lankmoedig; laks; indulgent; tolerant; verdraagzaam; (3) kalm; geleidelijk; rustig; matig; zacht; (4) loszittend; ruim; wijd
緩やかな;寛やかな yuruyakana (1) los; vrij; ongehinderd; ontspannen; soepel; (2) inschikkelijk; mild; coulant; gematigd; grootmoedig; edelmoedig; toegeeflijk; toegevend; inschikkelijk; goedig; lankmoedig; laks; indulgent; tolerant; verdraagzaam; (3) kalm; geleidelijk; rustig; matig; zacht; (4) loszittend; ruim; wijd
練る neru (1) zacht; op zijn gemak lopen; kuieren; pantoffelen; [inform.] kachelen; [gew.] kosteren; (2) in processie lopen; defileren; marcheren; paraderen; een optocht houden; (3) [粉を] kneden; [絵の具を] temperen; (4) [絹を] glans geven; doen glanzen; glanzend maken; polijsten; (5) [文章を] bijschaven; polijsten; bijvijlen; verfijnen; [構想を] uitwerken; ontwikkelen; [計画を] bijwerken; finetunen; (6) [胆力を] ontwikkelen; trainen; oefenen; cultiveren; vormen; uitbouwen; [兵を] drillen
jin (a) [plantk.] Japanse zwartenetel; (b) [plantk.] tuinboon; (c) [plantk.] sojaboon; (d) zacht; teer; (e) routinematig verstrijken
藹々 aiai (1) dichtbegroeid; (2) overvloedig; rijk; vruchtbaar; (3) kalm; rustig; mild; zacht
nan (a) zacht; week; soepel; (b) rustig; mild
軟材 nanzai zachthout; weekhout; zacht; week hout
邌る neru (1) zacht; op zijn gemak lopen; kuieren; pantoffelen; [inform.] kachelen; [gew.] kosteren; (2) in processie lopen; defileren; marcheren; paraderen; een optocht houden
長閑;閑 nodoka (1) kalm; vredig; rustig; stil; sereen; (2) mild; zacht; zoel
長閑な;閑な nodokana (1) kalm; vredig; rustig; stil; sereen; (2) mild; zacht; zoel
静か;閑か shizuka (1) rustig; kalm; stil; bedaard; gerust; placide; vredig; vreedzaam; sereen; [pred.] koest; [inform.] gedeisd; [m.b.t. regen] mild; [muz.] quieto; [muz.] tranquillo; [muz.] tranquillamente; (2) stil; zacht; rustig; geluidloos
静かな;閑かな shizukana (1) rustig; kalm; stil; bedaard; gerust; placide; vredig; vreedzaam; sereen; [pred.] koest; [inform.] gedeisd; [m.b.t. regen] mild; (2) stil; zacht; rustig; geluidloos
静かに shizukani (1) rustig; kalm; stil; bedaard; gerust; placide; vredig; vreedzaam; sereen; koest; [inform.] gedeisd; [muz.] quieto; [muz.] tranquillo; [muz.] tranquillamente; (2) stil; zacht; rustig; geluidloos
rei (a) aantrekkelijk; mooi; (b) rustig; zacht
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.26 sec. jiten.nl: 16 treffers, warandict: 48 treffers (zoekopdracht: 'zacht'). 
2005-2026