日蘭辭典+

18 resultaten voor ‘afkomen’
日蘭辭典 (trefwoord)
fushigi不思議
zn. wonder (驚異) o.; mysterie (不可思議) v.; (奇異) zonderlingheid v.; mirakel v. ¶ 不思議な wonderlijk; vreemd; zonderling; raar; onverklaarbaar. ¶ 不思議に onverwachts; op onverklaarbare wijze. ¶ 不思議だ het is vreemd, dat...... ¶ 不思議はない geen wonder, dat...... ¶ 不思議なには het vreemde van de zaak is, dat. ¶ 不思議にも wonderlijk genoeg......; wonder boven wonder. ¶ 不思議に助かった hij is er door een wonder goed afgekomen.
kudaru下る、降る

i.w. (1) [おりる] afdalen; afstijgen; afstappen (下降); vallen; neerkomen. (2) [命令が] afkomen. (3) [劣る] achterstaan bij; minder zijn dan. (4) [下痢] diarrhee hebben; loslijvig zijn. (5) [降參] zich overgeven; toegeven. (6) [引退] zich terugtrekken; ontslag nemen. (7) [都から田舍に行く] naar buiten gaan; het land op gaan. ¶ 天より下る uit den hemel nederdalen. ¶ 馬背より下る van het paard stijgen. ¶ 命令が下つた het bevel is afgekomen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afkomen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
上がる agaru (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙;花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂;湯から] uit (het) bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価;血圧;気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) [成績;腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) [双六;とらんぷ;まーじゃんで] winnen; uit zijn; (17) [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈;月経;つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [ばってりーが] het laten afweten; leeglopen; (18) [魚;貝;虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) [領地;役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; (26) [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; (27) […~] klaar-; af-; gereed-; (28) […~] hevig …; intens …; compleet …; (29) […~] [krachtterm]
下りる oriru (1) afdalen; neerdalen; naar beneden komen; afgaan; zich naar beneden begeven; afklimmen; afklauteren; [馬から] van een paard stijgen; afkomen; afstijgen; afstappen; [幕が] vallen; (2) uit een voertuig stappen; uitstappen; uitstijgen; (3) [鳥が] na een vlucht zich neerzetten; neerstrijken; landen; (4) zich vormen; zich vertonen; [霜が] rijpen; [gew.] rijmen; [露が] dauwen; (5) een miskraam hebben; een abortus hebben; een expulsie hebben; (6) (uit het lichaam) afgescheiden worden; uitgescheiden worden; als excretie het lichaam verlaten; (7) (in het midden van iets) opgeven; ophouden; uitvallen; (8) [許可証が] verleend worden; uitgereikt worden; afgegeven worden; verstrekt worden; [Belg.N.] afgeleverd worden; [年金が] toegekend worden; toegestaan worden
下る kudaru (1) afdalen; naar beneden gaan; afkomen; (2) vallen; neerkomen; neerdalen; (3) [川を〜] afvaren; afdrijven; stroomafwaarts varen; gaan; afgaan; (4) [都から地方へ〜] gaan; het land op gaan; naar het platteland gaan; (5) [命令が〜] afkomen; gegeven worden; afgekondigd worden; uitgevaardigd worden; (6) diarree hebben; buikloop hebben; (7) zich terugtrekken; ontslag nemen; (8) achterstaan bij …; minder zijn dan …; (9) zich overgeven; zich gewonnen geven; de strijd opgeven; (10) nederig zijn; deemoedig zijn; ootmoedig zijn; (11) achteruitgaan; vervallen; aftakelen
仕上がる;為上がる shiagaru afkomen; klaarkomen; gereedkomen; afraken; het einde bereiken; [sportt.] topvorm; topconditie bereiken
償却する shoukyakusuru terugbetalen; aflossen; inlossen; afkomen; restitueren; delgen; amortiseren; [m.b.t. handel] afschrijven; depreciëren
出来る dekiru (1) gereedkomen; klaarkomen; afkomen; voltooid worden; (2) gemaakt worden (van); vervaardigd worden (van); [m.b.t. gewassen] voortgebracht worden; [m.b.t. gerechten] op het menu staan; (3) zich ontplooien; groeien; (4) ontstaan; tot stand komen; zich vormen; opgericht worden; zich voordoen; (5) geboren worden; voortkomen; (6) kunnen; in staat zijn te; [form.] vermogen; mogelijk zijn; (7) goed zijn (in); knap zijn; onderlegd zijn; kundig zijn; capabel zijn; bedreven zijn; bekwaam zijn; [m.b.t. een taal] machtig zijn; (8) verkering krijgen; omgang krijgen; het aanleggen met
出来上がる dekiagaru (1) gereedkomen; klaarkomen; afkomen; gereed zijn; klaar zijn; af zijn; voltooid zijn; afgerond zijn; (2) aangeschoten raken; vrolijk raken; in een roes raken; euforisch raken; high raken
剥がれる hagareru afkomen; loslaten; loskomen; afbladderen; afschilferen; afpellen; er afgaan; eraf gaan
剥げる;禿げる;兀げる hageru (1) loslaten; loskomen; afschilferen; afbladderen; afpellen; afkomen; (2) [色が] vervagen; verbleken; verschieten
剥げ落ちる hageochiru (1) afkomen; afbladderen; afschilferen; afpellen; loslaten; loskomen; (2) [色が] verfletsen; verkleuren; verschieten; verbleken; vervagen; [veroud.;gew.] verschijnen
外れる hazureru (1) loskomen; losraken; losgaan; [onoverg.] loslaten; uit [het lid;de hengsels;de rails enz.] raken; afkomen; afraken (van); afvallen; verlaten; [de stad enz.] uitgaan; (2) erbuiten vallen; ernaast zitten; het mis hebben; niet in [het bestek;de prijzen enz.] vallen; missen; in [zijn verwachting enz.] bedrogen uitkomen; teleurgesteld worden; (3) afwijken van; afdwalen van; afdrijven; ingaan tegen; in strijd zijn met
整う;調う;斉う totonou (1) in vorm komen; in nette staat komen; netjes in orde komen; zijn beslag krijgen; geordend raken; op orde raken; er behoorlijk gaan uitzien; een uitgebalanceerd geheel krijgen; (2) gereedkomen; klaarkomen; afkomen; voor elkaar komen; (3) geregeld raken; tot een goed einde komen; op zijn pootjes terechtkomen; in orde komen; terechtkomen
泣く;哭く naku (1) huilen; schreien; janken; gieren; [form.] wenen; [form.] krijten; [inform.] blèren; [inform.] blerken; [pejor.] grienen; [i.h.b.] in tranen zijn; [Barg.;volkst.] piemelen; [Barg.] glimmen; [Barg.] planjeren; (2) verdriet hebben; treurig zijn; (3) erop toegeven; [i.h.b.] een gevraagde koopprijs verminderen; afkomen
由来する yuraisuru voortvloeien uit; voortspruiten uit; voortkomen uit; uitgaan van; volgen uit; stammen uit; afstammen; teruggaan op; dagtekenen uit; afkomstig zijn van; afkomen; ontleend zijn aan; z'n oorsprong vinden in
終わる owaru (1) eindigen; ten einde lopen; ten einde komen; aflopen; afkomen; een einde nemen; (2) klaar zijn; gereed zijn; compleet zijn; (3) [m.b.t. termijn;geldigheid etc.] aflopen; vervallen; verlopen; verstrijken; (4) [na een bijeenkomst;een vergadering etc.] uiteengaan; van elkaar gaan; (5) beëindigen; afwerken; afmaken; tot het einde doen; de laatste hand leggen aan; voltooien
離れる hanareru (1) afkomen; (zich) scheiden (van); zich afscheiden van; zich losmaken; gescheiden raken; uiteengaan; van elkaar gaan; afkomen van; losgaan; loskomen; losraken; loslaten; uiteenvallen; uit elkaar groeien; (2) verlaten; gaan (van); weggaan (uit); [arch.] heengaan (van); [i.h.b.] uitweiden; [i.h.b.] afdwalen; (3) uiteenliggen; af komen te liggen; af komen te staan; ontvallen; verwijderd raken
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.74 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'afkomen'). 
2005-2026