RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <overgeven>
げろ gero (1) braken; overgeven; kotsen; (2) braaksel; overgeefsel; kots; spuugsel; spuug; (3) bekentenis
げろげろ gerogero (1) [~吐く] overgeven; kotsen; braken; (2) [~鳴く] kwaken; het geluid 'kwak' laten horen [= nabootsing van het geluid van kikkers]
上げる ageru (1) heffen; opheffen; omhoogheffen; verheffen; oprichten; tillen; optillen; omhoogtillen; omhoogbrengen; liften; verhogen; eleveren; [凧を] oplaten; opsteken; [棚に] leggen op; opleggen; [帆を] hijsen; ophijsen; omhooghijsen; opbrengen; opvissen; [碇を] lichten; hieuwen; [陸に] landen; aan land zetten; [顔を] opkijken; (2) loven; prijzen; roemen; huldigen; ophemelen; hoog opgeven van; (3) opvoeren; doen toenemen; optrekken; opjagen; opdrijven; [温度を] hoger zetten; [スピードを] vergroten; (4) bevorderen; promoveren; (5) overgeven; braken; opgeven; kotsen; vomeren; over z'n nek gaan; [gew.] opbrengen; (6) [客を] binnenlaten; inlaten; brengen; leiden naar; geleiden; (7) [学校へ] op school doen; (8) geven; aanbieden; toedienen; offreren; schenken; voorzetten; [娘を] wegschenken; (9) offeren; ten offer brengen; (10) overhandigen; ter hand stellen; reiken; overreiken; (11) ten einde brengen; afdoen; afwerken; volbrengen; voltooien; (12) klaarspelen; gedaan weten te krijgen; (13) [式を] houden; vieren; celebreren; fêteren; (14) [例を] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (15) [子を] krijgen; [母が] het leven schenken; baren; [父が] verwekken; (16) verbeteren; ontwikkelen; ontplooien; (17) [髪を] doen; opmaken; opsteken; kappen; (18) aanhouden; pakken; oppakken; vatten; inrekenen; snappen; in hechtenis nemen; in de kraag grijpen; arresteren; (19) [芸者を] bestellen; laten komen; erbij halen; uitnodigen; ontbieden; engageren; (20) frituren; in kokend vet bakken; braden; [gew.] fritten; (21) [結果を] behalen; bereiken; verkrijgen; verwerven; realiseren
交付する kōfusuru (1) overhandigen; ter hand stellen; overreiken; overgeven; (2) uitreiken; afgeven; verstrekken; verlenen; [Belg.N.] afleveren
任す makasu (1) zijn zin laten doen; laten begaan; zijn gang laten gaan; (2) toevertrouwen; overlaten; het laten aankomen op; in handen geven; overgeven; (3) opdragen; gelasten; mandateren
反吐 hedo (1) braken; overgeven; kotsen; (2) braaksel; overgeefsel; kots; spuugsel; spuug
吐く tsuku (1) [へどを] braken; overgeven; kotsen; (2) slaken; [ため息を] zuchten; (3) [息を] ademen; ademhalen; (4) [悪態を] uitslaan; uitkramen
吐く;嘔く haku (1) spuwen; [spreekt.] spugen; opgeven; opspuwen; ophoesten; uitkotsen; (2) braken; overgeven; opgeven; [inform.] kotsen; vomeren; [uitdr.;volkst.] over zijn nek gaan; [uitdr.;volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren; (3) uiten; zeggen; uiting geven aan; luchten; slaken; uitdrukken; laten zien; uitspreken; [fig.] spuien; (4) uitstoten; uitwerpen; uitbraken; uitspuwen; [rook enz.] uitademen; [spreekt.] uitspugen; afgeven; afscheiden; van zich doen uitgaan; (5) [泥を] bekennen; opbiechten; toegeven; doorslaan; [Barg.] kotsen; [Barg.] poekelen; [Barg.;uitdr.] poep van zeike gaan
嘔吐する ōtosuru braken; vomeren; overgeven; spuwen; kotsen; over z'n nek gaan; [volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren
委ねる yudaneru (1) toevertrouwen; overlaten; betrouwen; bevelen; overgeven; begeven; [w.g.] aanvertrouwen; [veroud.] aanbetrouwen; [veroud.] aanbevelen; [veroud.] vertrouwen; (2) [身を] zich overgeven; zich wijden; zich toewijden; zich in dienst stellen; zich inzetten
寄越す;遣す yokosu (1) sturen; zenden; afzenden; oversturen; overzenden; toesturen; toezenden; doen toekomen; overbrengen; overhandigen; geven; overgeven; (2) [aangehecht aan de ren'yōkei + て]
引き渡す hikiwatasu (1) leveren; aanleveren; overhandigen; overleveren; overdragen; ter hand stellen; uit handen geven; afgeven; overgeven; bezorgen; afleveren; uitleveren; (2) spannen; strak trekken
戻す modosu (1) terugbrengen; terugbezorgen; teruggeven; terugplaatsen; retourneren; terugzetten; terugzenden; terugstellen; terugsturen; terugleggen; achteruitzetten; achteruitstellen; weer in zijn oude staat brengen; (2) overgeven; braken; opgeven; vomeren; [volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren
手渡す tewatasu overhandigen; overdragen; overleveren; overgeven; overreiken; aanreiken; [w.g.] reiken; ter hand stellen; geven; aangeven; afgeven
提出する teishutsusuru indienen; voorleggen; inleveren; aanhangig maken; afgeven; overgeven; ter hand stellen; bieden; [m.b.t. mening] naar voren brengen; opperen; [bewijsstukken enz.] voorbrengen; [m.b.t. klacht] inbrengen; [m.b.t. klacht] neerleggen; [m.b.t. bewijs] aanvoeren; [m.b.t. ontslag] aanbieden; [m.b.t. oplossing] aandragen; [m.b.t. verzet;protest] aantekenen; [jur.;stukken enz.] produceren; [jur.] exhiberen; [jur.] overleggen; [jur.] deponeren; [m.b.t. probleem] stellen
明け渡す akewatasu [城を] prijsgeven; opgeven; overdragen; overgeven; overleveren; afstaan; afgeven; [店を] overdoen; [gew.] overlaten; [家を] ontruimen; verlaten; evacueren
渡す watasu (1) overzetten; overvoeren; overvaren; overschepen; (2) [m.b.t. touw] spannen; [m.b.t. brug] leggen; slaan; bouwen; (3) overbrengen; overmaken; overdragen; delegeren; overleveren; overgeven; uitleveren; afdragen; afstaan; opgeven; (4) overhandigen; in handen geven; indienen; ter hand stellen; afgeven; overreiken; aanreiken; presenteren; leveren
譲る yuzuru (1) afstaan; [zijn ambt] overdragen; overlaten; uit handen geven; overleveren; overgeven; overhandigen; [eigendom] vervreemden; [onroerend goed] vermaken; nalaten; legateren; legeren; (2) verkopen; (3) wijken; toegeven; opgeven; zwichten; (4) [de bal] afgeven; [voorrang] geven; [van plaats] wisselen; verruilen; laten voorgaan; (5) uitstellen; opschorten; verschuiven (tot later); wegleggen; sparen
譲渡する jōtosuru [jur.] overdragen; overmaken; overgeven; vervreemden; aliëneren; in andere handen brengen; afstaan; afstand doen van; cederen; transporteren
預ける azukeru (1) toevertrouwen; deponeren; in bewaring geven; inchecken; consigneren; afgeven ter bewaring; afzetten; [銀行に金を] op de bank zetten; (2) overlaten; overdragen; overgeven; overleveren; uitbesteden; outsourcen; (3) [椅子に体を] vlijen; laten rusten; plaatsen; (4) [勝負を] door een derde laten beslissen; (5) [theeceremonie] [茶道具を] klaarzetten; gereedzetten; (6) [土地を] in leen geven; belenen; met een leen begiftigen; verpachten; (7) in pand geven; stellen; te pand zetten; panden; verpanden; (8) aan prostitutie overgeven; prostitueren; (9) [酒を] afslaan; zich onthouden van