日蘭辭典+

29 resultaten voor ‘toegeven’
日蘭辭典 (trefwoord)
makeru負ける
i.w. (1) [敗北する] verslagen zijn; nederlaag lijden; overwonnen worden; t.w. het verliezen. i.w. (2) [屈服する] zich gewonnen geven; toegeven. t.w. (3) [を] laten afdingen; verlagen; reduceeren; verminderen. ¶ 負ける tien cent laten afdingen; het een dubbeltje goedkooper geven. ¶ 五に負ける vijf yen laten.
nabiku靡く
i.w. buigen; zich buigen; toegeven (服從). ¶ に靡く bukken voor de macht van het geld. ¶ 稻がに靡いてゐる de rijsthalmen golven in den wind.
kudaru下る、降る

i.w. (1) [おりる] afdalen; afstijgen; afstappen (下降); vallen; neerkomen. (2) [命令が] afkomen. (3) [劣る] achterstaan bij; minder zijn dan. (4) [下痢] diarrhee hebben; loslijvig zijn. (5) [降參] zich overgeven; toegeven. (6) [引退] zich terugtrekken; ontslag nemen. (7) [都から田舍に行く] naar buiten gaan; het land op gaan. ¶ 天より下る uit den hemel nederdalen. ¶ 馬背より下る van het paard stijgen. ¶ 命令が下つた het bevel is afgekomen.

kuppuku屈服

zn. onderwerping v.; overgave v. ¶ 屈服する zich onderwerpen; zich vergeven; toegeven; het hoofd buigen; den strijd opgeven.

kussuru屈する

i.w. (1) [曲る] buigen. (2) [屈從] buigen; bukken; toegeven. t.w. (3) [曲げる] buigen. (4) [屈服さす] doen buigen; doen bukken; ten onder brengen; tot toegeven dwingen. ¶ 指を屈する op de vingers aftellen.

kutsuju屈從

(屈従) zn. nederigheid v.; slaafschheid v.; onderworpenheid v. ¶ 屈從する zich onderwerpen; slaafs toegeven; zich laten trappen.

yuzuriai讓合
yuzuru讓る

(譲る) i.w. (1) [讓步] toegeven. (2) [劣る] de mindere zijn; zich gewonnen geven. t.w. (3) [讓渡] overdragen; afstaan. (4) [讓る] verkoopen. ¶ 位を讓る afstand doen van den troon. ¶ 權利を讓る rechten afstaan. ¶ 店を讓る winkel overdoen. ¶ 一歩讓らぬ geen duimbreed wijken. ¶ 誰にも讓らない bij niemand achterstaan.

yurushi

zn. (1) [許可] vergunning v.; verlof o. (2) [宥怒] vergeving v.; vergiffenis v. (3) [放免] verschooning v.; kwijtschelding v. (4) [免許] licentie v. ¶ 許す vergunnen; veroorloven; toelaten; (宥怒) vergeven; vergiffenis schenken; (放免) verschoonen; straf kwijtschelden; (認める) toegeven; erkennen; (緩くする) verslappen; verlichten. ¶ 許し得べき vergefelijk; verschoonbaar; toelaatbaar. ¶ 其筋から許されて met vergunning van de bevoegde autoriteiten. ¶ 入學を許す tot een school toelaten. ¶ 願を許す verzoek inwilligen; verzoek toestaan. ¶ 罪を赦す zonden vergeven. ¶ 時間の許す限り voor zoover de tijd het toelaat.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <toegeven>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
プラスする purasusuru optellen; toegeven; erbij doen; bijvoegen; toevoegen; bijdragen
参る mairu (1) komen; gaan; (2) ter kerke gaan; naar [de tempel;het heiligdom;een graf] gaan; een eredienst bijwonen; (3) zich gewonnen geven; zich overgeven; het afleggen; zich verloren geven; kamp geven; zwichten; het opgeven; toegeven; [pregn.] inleveren; verslagen zijn; de handdoek in de ring gooien; de handdoek in de ring gooien; aan het kortste eind trekken; onder het juk door gaan; [Barg.] het laten afknappen; (4) [m.b.t. probleem] er niet met zijn pet bijkunnen; niet op kunnen tegen; er geen raad mee weten; niet de baas kunnen; niet opgewassen zijn tegen; ergens niet van terug hebben; ergens niet tegen kunnen; niet uit de voeten kunnen met; (5) weg zijn van; [uitdr.] plat gaan voor; smoor zijn op; gek zijn op; aan iemands voeten liggen; zich laten inpakken; weglopen met; vallen voor; verkikkerd raken op; verkocht zijn; (6) verzwakken; achteruitgaan; [i.h.b.] uitgeput zijn; uitgeteld zijn; afgemat zijn; het loodje leggen; in het voetzand geraken; de pijp aan Maarten geven; sterven; (7) [beleefdheidsvorm in het adres van een brief]; (8) gaan …; komen …
ju (1) [boeddh.] vedanā [= waarneming]; (a) ontvangen; krijgen; (b) gehoor geven; toegeven; (c) ondergaan; incasseren
吐く;嘔く haku (1) spuwen; [spreekt.] spugen; opgeven; opspuwen; ophoesten; uitkotsen; (2) braken; overgeven; opgeven; [inform.] kotsen; vomeren; [uitdr.;volkst.] over zijn nek gaan; [uitdr.;volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren; (3) uiten; zeggen; uiting geven aan; luchten; slaken; uitdrukken; laten zien; uitspreken; [fig.] spuien; (4) uitstoten; uitwerpen; uitbraken; uitspuwen; [rook enz.] uitademen; [spreekt.] uitspugen; afgeven; afscheiden; van zich doen uitgaan; (5) [泥を] bekennen; opbiechten; toegeven; doorslaan; [Barg.] kotsen; [Barg.] poekelen; [Barg.;uitdr.] poep van zeike gaan
告白する kokuhakusuru (1) bekennen; erkennen; toegeven; belijden; avoueren; [愛を] verklaren; (2) biechten; opbiechten
容認する youninsuru (1) goedkeuren; goedvinden; toestemmen in; akkoord gaan met; toelaten; (2) toegeven; erkennen; aanvaarden
屈する kussuru (1) buigen; plooien; (2) onderwerpen; overwinnen; (3) zich onderwerpen; zich neerleggen; zwichten; zich gewonnen geven; door de knieën gaan; zich overgeven; toegeven; wijken; (4) ontmoedigd raken; de moed verliezen; terugdeinzen; versagen; opgeven
屈伏する kuppukusuru zich onderwerpen; zich overgeven; zich neerleggen; toegeven; zwichten
引き下がる hikisagaru zich terugtrekken; terugtreden; wijken; terugkrabbelen; bakzeil halen; toegeven; [fig.] de aftocht blazen
往生する oujousuru (1) de eeuwige gelukzaligheid deelachtig worden; naar de hemel gaan; (2) toegeven; zich gewonnen geven; zwichten; zich bij iets neerleggen; (3) van z'n stuk gebracht zijn; perplex staan; verbijsterd zijn
意志を曲げる ishiwomageru overstag gaan; inbinden; zwichten; toegeven; zich schikken; wijzer wezen; de wijste zijn
我を折る gawooru toegeven; inleveren; zich matigen; water in z'n wijn doen; water bij de wijn doen; een minder hoge toon aanslaan; z'n eisen verminderen; terugkrabbelen; achteruitkrabbelen; bakzeil halen
折れる oreru (1) plooien; [i.h.b.] dubbelplooien; (2) breken; afbreken; knappen; [ぽきっと] afknappen; knakken; het begeven; (3) zwenken; afbuigen; afdraaien; afslaan; draaien; een bocht; draai maken; (4) plooien; bijdraaien; tegemoetkomingen doen; toegeven; inbinden; door de bocht gaan; wijken; zwichten; zich gewonnen geven; zich onderwerpen; zich neerleggen; (5) [腰句が] haperen; niet lopen; (6) [Barg.] sterven; doodgaan
服従する fukujuusuru gehoorzamen; gehoorzaam zijn; volgzaam zijn; opvolgen; gewillig zijn; zich onderwerpen; zich schikken; toegeven; gevolg geven; zich neerleggen; door de knieën gaan
白状する hakujousuru bekennen; toegeven; erkennen; opbiechten
自供する jikyousuru bekennen; erkennen; toegeven; getuigen; getuigenis afleggen; verklaren
自白する jihakusuru bekennen; toegeven; belijden; avoueren; opbiechten
認める mitomeru (1) opmerken; zien; bespeuren; bekennen; waarnemen; in de gaten hebben; getuige zijn van; (2) [schuldig enz.] bevinden; vinden; achten; menen; oordelen; beschouwen; aanzien; houden voor; van mening zijn dat; (3) toegeven; erkennen; inzien; aanvaarden; accepteren; aannemen; honoreren; bekrachtigen; goedkeuren; toelaten; toestaan; sanctioneren; (4) erkennen; waarderen; appreciëren
譲る yuzuru (1) afstaan; [zijn ambt] overdragen; overlaten; uit handen geven; overleveren; overgeven; overhandigen; [eigendom] vervreemden; [onroerend goed] vermaken; nalaten; legateren; legeren; (2) verkopen; (3) wijken; toegeven; opgeven; zwichten; (4) [de bal] afgeven; [voorrang] geven; [van plaats] wisselen; verruilen; laten voorgaan; (5) uitstellen; opschorten; verschuiven (tot later); wegleggen; sparen
譲歩する jouhosuru toegeven; concessies doen; tegemoetkomen aan; een compromis sluiten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.71 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 20 treffers (zoekopdracht: 'toegeven'). 
2005-2026