日蘭辭典+

49 resultaten voor ‘hemel’
日蘭辭典 (trefwoord)
ten
zn. (1) [] hemel m. (2) [天國] de Hemel m. (3) [天命] voorbeschikking v. (4) [上部] top m. ¶ に誓ふ den Hemel tot getuige roepen; zweren. ¶ を畏れる God vreezen; godvruchtig zijn. ¶ hemelsch. ¶ 與え zegening des Hemels; gave Gods. ¶ に hemelwaarts; ten hemel. ¶ なりなり Gods wil geschiedde.
amanohara天の原
zn. hemel m.; firmament o.
ame
zn. hemel m. ¶ 天が下 het ondermaansche.
ao
zn. blauw o.; groen (綠) o. ¶ 青葉 groen; groene bladeren. ¶ 青光り phosporescentie. ¶ 青光する phosphoresceeren; lichten (海). ¶ 青貝 parelmoer. ¶ 青臭い (未熟) groen; nog niet droog achter de ooren; onervaren. ¶ 青物 groente. ¶ 青物屋 groentenboer. ¶ 青菜 bladgroente; loof van knolraap. ¶ 青二才 baar; groen. ¶ 青書生 groen; noviet. ¶ 青筋 ader. ¶ 青空 blauwe hemel. ¶ 青空の下にて onder den blooten hemel; in de open lucht. ¶ 青空色の hemelsblauw; azuur. ¶ 青息吐息 hijgen. ¶ 蒼白い bleek.
やあ
t.w. allemachtig! goede Hemel! o God!
mata-no-yo又の世
zn. de andere wereld
rakuen樂園
(楽園) zn. paradijs o.; hof van Eden. ¶ 自然の樂園 aardsch paradijs; hemel op aarde.
tenpu天父
zn. hemelsche vader m.; God m.
haizai配劑
(配剤) zn. recept o.; bereiding van medicijn. ¶ の配劑 beschikking des hemels.
tōten東天
zn. oostelijke hemel m. ¶ 東天紅 morgen rood; morgengloren; dageraad.
namu南無
tw. red ons!; amen!; o God! ¶ 南無三(南無三寶) o Hemel!; goede God!; o jeminee!
hate, hatenaはて、はてな

tw allemachtig!; lieve hemel!

sora

zn. hemel m. lucht v.; firmament o.; valschheid (僞) v. ¶ 明るい heldere hemel. ¶ で in den vreemde; ver van huis. ¶ 高く hoog in de lucht. ¶ verstrooid. ¶ 負け voorgewende nederlaag. ¶ 淚 krokodillentranen; gehuicheld verdriet. ¶ 讀む uit het hoofd opzeggen. ¶ 覺える uit het hoofd leeren. ¶ なる met de gedachten ergens zijn; verstrooid zijn; zitten te suffen. ¶ を使ふ doen of men van niets weet; zich van den domme houden.

kōten皇天

zn. de Hemel m.; de Voorzienigheid v.

zn. (1) [天空] lucht v.; hemel m. (2) [空虛] ledigheid v. (3) [眞空] vacuum o.; luchtledigheid o. (4) [幻想] ijdelheid v.; ijdele waan m. ¶ 空に上る in de lucht opstijgen; de lucht in gaan. ¶ 空な ledig; ijdel; zinnenloos; doelloos; zinledig. ¶ 空な話 zinledige geklets; ijdele woorden. ¶ 一切空 alles is ijdelheid. ¶ 空に te vergeefs; voor niets. ¶ 空の空 ijdelheid der ijdelheden.

kudaru下る、降る

i.w. (1) [おりる] afdalen; afstijgen; afstappen (下降); vallen; neerkomen. (2) [命令が] afkomen. (3) [劣る] achterstaan bij; minder zijn dan. (4) [下痢] diarrhee hebben; loslijvig zijn. (5) [降參] zich overgeven; toegeven. (6) [引退] zich terugtrekken; ontslag nemen. (7) [都から田舍に行く] naar buiten gaan; het land op gaan. ¶ 天より下る uit den hemel nederdalen. ¶ 馬背より下る van het paard stijgen. ¶ 命令が下つた het bevel is afgekomen.

kumoi雲居

zn. (1) [空] de hemel m. (2) [宮廷] het keizerlijk hof o.

kumori

zn. (1) [空の] bewolkte hemel m. (2) [寫眞の] sluier m. ¶ 雲なき onbewolkt; helder; vlekkeloos.

zaiten no在天の

bn. hemelsch; in den hemel.

yabu

zn. dicht woud o.; wildernis o.; struikgewas o. ¶ 藪から棒に plotseling; als een donderslag aan helderen hemel. ¶ 藪をつついて蛇を出す zich in een wespennest steken. ¶ 藪蛇はやめろ maak geen slapende honden wakker.

undeinosa雲泥の差

zn. groot verschil o.; verschil als tusschen hemel en aarde. ¶ 雲泥の差がある hemelsbreed verschillen.

uchōten有頂天

zn. zevende hemel m.; extase v.; zaligheid v. ¶ 有頂天になつてゐる in den zevenden hemel zijn; overgelukkig zijn; in extase zijn.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <hemel>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
あれ are [drukt verrassing;ontgoocheling;argwaan uit] hé!; wat nou?; kijk eens aan!; nee maar!; dat is me (toch) wat!; o nee!; 't is niet waar!; nou zeg!; kom nou!; wow!; hemel!
スカイ sukai (1) hemel; (2) Skye
三才 sansai (1) hemel; aarde en mensheid; (2) alle dingen in het universum; (3) voorhoofd; kin en neus; (4) drie genieën; (5) drie jaar oud
上の空 uwanosora (1) hogere regionen; hemel; atmosfeer; (2) onaandachtig; onoplettend; onachtzaam; afwezig; absent; afgetrokken; verstrooid; wezenloos
上空 joukuu hoog in de lucht; hemel; luchtruim; [verk.] ruim; [w.g.] luchtruimte
中空 chuukuu (1) [~に] in de lucht; hemel; (2) [~の] hol; leeg vanbinnen
中空 nakazora (1) [~の] in de lucht; hemel; (2) onderweg; (3) onrustig; zenuwachtig; (4) onaf; onvolkomen; (5) halfslachtig; halfbakken; onzorgvuldig; nonchalant; slordig
ken (1) het trigram hemel ☰; (a) hemel
大空 oozora (1) hemel; luchtruim; [lit.t.] uitspansel; [lit.t.] zwerk; [lit.t.] firmament; (2) Ōzora [= gemeente in het oosten van Hokkaidō]; (3) halfslachtig; nonchalant; onberekenbaar; wispelturig; (4) vaag; onbestemd; flou
天上 tenjou (1) hemel; (2) hemelrijk; (3) hemelvaart; [i.h.b.] dood; (4) summum; het ultieme; (5) eerste verdieping; bovenverdieping
天国 tengoku hemel; paradijs
天理 tenri (1) natuurwet; wetten van de natuur; Hemel; (2) Tenri
天界 tenkai (1) hemel; hemels gebied; [form.] firmament; (2) [chr.] hemelrijk; koninkrijk der hemelen; (3) [boeddh.] divya [= hemel]
天空 tenkuu hemel; lucht
天竺 tenjiku (1) India; (2) hemel; (3) hoogte; top; (4) [verk.] soort ruwe katoenen stof van Indiase origine; (5) [prefix dat de uitlandse;niet-Japanse origine van het grondwoord aangeeft]; (6) te heet; te pikant
天蓋 tengai (1) [boeddh.] baldakijn; (2) [zenboeddh.] biezen klokhoed van een bedelmonnik; [meton.] bedelmonnik; (3) [boeddh.] octopus; (4) hemel; [lit.t.] uitspansel; [lit.t.] zwerk; [lit.t.] firmament
ten (1) hemel; lucht; firmament; uitspansel; (2) hemel; empyreum; (3) Hemel; God; Voorzienigheid; Providentie
u (1) [= maatwoord voor gebouwen;daken;tenten]; (a) dakrand; dak; huis; (b) hemel; zwerk; uitspansel
晴天 seiten mooi; lekker; fraai; helder weer; zondagsweer; heldere lucht; hemel; zondagshemel
極楽 gokuraku (1) [boeddh.] Sukhāvatī [= het reine land van Amitābha]; (2) paradijs; hemel; rijk van gelukzaligheid; opperste zaligheid
gen (1) zwart; (2) hemel; (3) [Chin.fil.] xuán; duisternis; (4) diepzinnig en subtiel; (5) negende maand van de maankalender; (6) [prostitutiejargon] arts; [i.h.b.] (als arts verklede) monnik; (a) zwart; (b) diepzinnig; duister; (c) ver; (d) noorden
空中 kuuchuu (1) lucht; hemel; (2) ruimte
空模様 soramoyou (1) hemelgesteldheid; luchtgesteldheid; weersgesteldheid; weerstoestand; weersituatie; weer; hemel; lucht; (2) [fig.] ontwikkelingen; situatie; omstandigheden
空路 soraji (1) hemel; lucht; (2) troosteloze reis; beproevende tocht
kuu (1) lucht; hemel; (2) leegte; leegheid; ledigheid; (3) luchtledige; vacuüm; (4) ijdelheid; ijdele waan; (5) leeg; ledig; (6) ijdel; nietig; futiel; (7) vruchteloos; tevergeefs; nutteloos
sora (1) lucht; luchtruim; (2) hemel; hemelruim; [form.;lit.t.] firmament; [lit.t.] hemelen; (3) [meton.] streek; oord; (4) stemming; gevoel; geest; (5) [~で] van buiten; uit het hoofd; (6) leugen; onwaarheid; valsheid; (7) onjuist …; verkeerd …; ten onrechte …; mis-; waan-; (8) geveinsd(e) …; gemaakt(e) …; voorgewend(e) …; gesimuleerd(e) …; quasi-; schijn-; pseudo-; nep-; (9) [~形容詞] danig …; behoorlijk …; zeer …
青天井 aotenjou (1) het blauw gewelf; het azuren gewelf; hemel; (2) [beurst.;株価が] buitensporig hoog
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.63 sec. jiten.nl: 22 treffers, warandict: 27 treffers (zoekopdracht: 'hemel'). 
2005-2026