
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (titelwoord)
kyō・峽
zn. kloof v.
kyō・狂
zn. krankzinnigheid v.; manie v.; (人) krankzinnige m. & v.; maniak m.
kyō・經
(経) zn. Boedhistisch heilige geschriften o.mv.; soetra v.
kyō・凶
zn. ongeluk o.; onheil o. ¶ 凶な ongelukkig; rampspoedig.
kyō・卿
zn. lord m.; zijne excellentie v.; minister (大臣) m.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <kyō>
享 kyō aanvaarden; in bezit nemen
京 kyō (1) hoofdstad; hofstad; hofplaats; residentie; (2) Kioto; (3) [slotwoord van het Iroha-lied]; (4) [wisk.] tien biljard; tien tot de zestiende macht; 10¹⁶; (a) hoofdstad; hofstad; (b) [afk.] Kioto; (c) [afk.] Peking
今日 kyō vandaag
供 kyō (a) offeren; (b) bieden; toesteken; (c) verslag uitbrengen; (d) met spijs en drank onthalen
共 kyō (a) delen in; deelhebben aan; (b) communisme; communistische partij
凶 kyō (a) misgewas; wanoogst; (b) ongeluk; pech; (c) misdaad; booswicht
匡 kyō verbeteren; corrigeren; rechtzetten
協 kyō (a) samenwerking; bundeling van krachten; gezindheid; (b) verzoening van belangen; meningen; (c) [afk.] genootschap; coöperatie; raad
卿 kyō (1) [ritsuryō] minister; (2) dignitaris van derde of hogere rang; excellentie; (3) U Edele; (4) Lord …; Sir …; Zijne Excellentie …; (a) hoogwaardigheidsbekleder van rang drie of hoger
喬 kyō hoog uitrijzen
境 kyō (1) plaats; streek; gebied; (2) gemoedstoestand; stemming; staat; (3) omgeving; situatie; (4) [boeddh.] viṣaya [= cognitief object]; vastu [= ding]; (a) grens; (b) gebied; terrein; domein; (c) situatie; toestand; (d) [boeddh.] viṣaya; gebied van de zintuigen
姜 kyō (1) [Chin.] Jiāng; [Kor.] Gang; Kang; (a) sterk
孝 kyō (1) kinderlijke gehoorzaamheid; piëteit jegens z'n ouders; ouderliefde; (2) rouw om een ouder; [i.h.b.] rouwdienst
峡 kyō (a) vallei; ravijn; (b) engte; nauwte
強 kyō (1) [sportt.;econ.;pol.] machtige; grote; sterkhouder; reus; gigant; (2) [elektr.] de stand "hard" (van een elektrisch apparaat); (3) iets meer dan …; een goeie …; een dikke …; ruim …; … en nog wat; (a) sterk; (b) versterken; sterk maken; worden; (c) dwingen; forceren
慶 kyō (a) zich verheugen; vieren; heuglijke gebeurtenis; (b) zegen
教 kyō geloof; leer
橋 kyō (1) [anat.] brug van Varol; pons Varolii; pons cerebelli; (a) brug
狂 kyō (1) [geneesk.] -manie; (2) -gekte; -zucht; -drift; -woede; -rage; -itis; (3) -fanaat; -maniak; -enthousiasteling; -enthousiast; -liefhebber; -fan; -gek; -freak; (a) krankzinnig worden; (b) buitengewoon; uitzinnig; enorm; (c) enthousiasme; manie; (d) kolder; scherts; gekheid
経 kyō [boeddh.] soetra; boeddhistisch heilig geschrift; boeddhistische schriftuur
興 kyō (1) vermaak; lol; pret; plezier; (2) interesse; (3) xìng 興 [= impliciete vergelijking;één van de zes genres in het Boek der Liederen]; (a) vermaak
跫 kyō het geluid van stappen
郷 kyō (1) heimat; geboortestreek; vaderland; (a) platteland; (b) heimat; geboortestreek; vaderland; (c) plaats; oord
鏡 kyō (a) spiegel; (b) optisch instrument; (c) toonbeeld; model
Tijd: 0.87 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 24 treffers (zoekopdracht: 'kyō').
2005-2026
