日蘭辭典+

49 resultaten voor ‘stijl’
日蘭辭典 (trefwoord)
kamae
(構え) zn. (1) [結構] constructie v.; bouw m. (2) [姿勢] houding v. ¶ 大した構をして居る op grooten voet leven.
omomuki
(き) zn. (1) [旨] bedoeling v.; beteekenis v.; inhoud van een brief (手紙の).(2) [雅] smaak m.
fūryū風流
zn. smaak m.; kunstzin m. ¶ 風流な smaakvol; elegant; artistiek.
kofū古風
zn. oude stijl m. ¶ 古風な ouderwetsch; antiek.
kakiburi書き振り
(書き振り) schrijfwijze v.; stijl m.
ichiryū一流
zn. eerste rang m. ¶ 一流の eerste rangs-; toonaangevend. ¶ 一流の政治家 een staatsman van den eersten rang. ¶ 彼一流の策略 zijn geliefkoosde list. ¶ 彼一流の筆法 zijn speciale stijl.
kotai古體

(古体) zn. oude stijl m.

zokubun俗文

zn. alledaagsche stijl m. ¶ 俗文學 populaire literatuur.

yōsō洋裝

(洋装) zn. westersche stijl m.; Europeesche kleeding (服裝) v. ¶ 洋裝の本 naar Europeeschen trant ingebonden boek.

yōshiki樣式

(様式) zn. vorm m.; stijl m.; modaliteit v.

yōfū洋風

zn. Europeesche stijl m.; buitenlandsche mode v.

wayō和洋

zn. Japansche en Europeesche stijl m. ¶ 和洋折衷 gemengde stijl; semi-Europeesche stijl.

wafū和風

zn. (1) [風] lekker briesje o. (2) [日本風] Japansche stijl m.; Japansche wijze v.

tsūzoku通俗

zn. populariteit v.; geschiktheid voor het gewone publiek. ¶ 通俗の populair. ¶ 通俗語 spreektaal; uitdrukking van de dagelijksche omgangstaal. ¶ 通俗化 popularisatie. ¶ 通俗化する populariseeren; bevattelijk maken voor het gewone publiek. ¶ 通俗體 populaire stijl; eenvoudige stijl.

tsukurikata作方
SUPPLEMENT (trefwoord)
kanroku貫禄
De waardigheid, de stijl etc. die mensen van iemand ervaren door zijn of haar houding of figuur; het gezag of gewicht dat iemand heeft; prestige; status; autoriteit; overwicht; aanzien; tegenwoordigheid; voorkomen; ernst. ¶ 貫禄のある kanroku no aru gewichting; belangrijk; aanzienlijk; gerespecteerd; vooraanstaand; prominent; notabel. ¶ 貫禄がついた kanroku ga tsuita (idem.) ¶ 君は課長としての貫禄がないね。 Kimi wa kachō to shite no kanroku ga nai ne. Je mist de autoriteit van een afdelingshoofd.; Je hebt niet het gezag van een afdelingshoofd.; Je hebt voor een afdelingshoofd niet genoeg aanzien. (TTC)

NB het woord 貫禄 kanroku verwees oorspronkelijk naar (de omvang van) het salaris van een samurai in dienstbetrekking, en afgeleid daarvan zijn belangrijkheid.
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Aozora Bunko╱Mori Ōgai╱De wilde gans 〈1:10-11〉〈青空文庫〉森鴎外『雁』
先ずざっとこう云う性の尊敬を受け、それに乗じて威福を擅にすると云うのが常である。然るに上条でを利かせている、の壁は頗るを殊にしていた。

Mazu zatto kō yū tachi no otoko ga sonkei wo uke, sore ni jōjite ifuku wo hoshiimama ni suru to yū no ga tsune de aru. Shikaru ni Kamijō de haba ga kikasete iru, boku no kabe tonari no otoko wa sukoburu omomuki wo koto ni shite ita.

Wel, het was normaal dat zo’n soort man respect kreeg en zich daarvan bediende om naar wens zijn invloed uit te oefenen. Echter, als ik het heb over de man die mijn buurman was in Kamijou en daar zijn invloed deed gelden, die had een uitzonderlijke stijl.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <stijl>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
グレゴリオ暦 guregorioreki gregoriaanse kalender; tijdrekening; stijl
スタイル sutairu (1) stijl; trant; wijze; [i.h.b.] schrijfstijl; [i.h.b.] schrijftrant; [i.h.b.] schrijfwijze; (2) stijl; mode; vogue; snit; (3) figuur; bouw; (lichaams)vorm
タッチ tatchi (1) aanraking; [m.b.t. schrijfmachine;piano] aanslag; toucher; [m.b.t. sport;muziek] techniek; stijl; (2) [m.b.t. penseel;gereedschap] toets; streek; touche
フォーム fuxoomu (1) vorm; stijl; trant; (2) formulier; (3) schuim
一体 ittai (1) (één) lichaam; eenheid; (2) standbeeld; sculptuur; (3) stijl; vorm; trant; (4) [in combinatie met een vraagwoord] in hemelsnaam; in godsnaam; verdorie; nu eigenlijk; (5) om de waarheid te zeggen; per slot van rekening; strikt genomen
一家 ikka (1) familie; de gehele familie; (2) huis; huishouden; (3) stijl
今風 imafuu mode van vandaag; nieuwe; eigentijdse; nieuwste; laatste; heersende mode; trend van de dag; tegenwoordige rage; de laatste smaak; dernier cri; haute nouveauté; modernisme; modern karakter; moderne smaak; stijl
仕立て shitate (1) kleermakerij; snit; stijl; coupe; (2) toebereiding; het klaarmaken; toerusting; outillage
仕草 shigusa (1) gebaar; lichaamshouding; houding; geste; gesticulatie; gedrag; (2) [ton.] manier van acteren; acteerstijl; stijl
伊達 date (1) vertoon; schijn; show; praal; bluf; affectatie; (2) smaak; verfijning; stijl; elegantie; sofisticatie; sophistication; (3) zwier; branie; (4) Date; (5) stijlvol; elegant; verfijnd; chic; deftig; gedistingeerd; geraffineerd; (6) dandyachtig; fatterig
体裁 teisai (1) schijn; voorkomen; uitzicht; uiterlijk; uiterlijkheid; (2) vorm; format; stijl; wijze; (3) (schone) schijn; fatsoen; (4) omhaal; woordenkraam; woordenkramerij
体;躰 tai (1) lichaam; lijf; (2) staat; toestand; gesteldheid; (3) vorm; voorkomen; gedaante; stijl; (4) wezen; essentie; substantie; aard; natuur; (5) [taalk.] substantief; substantivum; (6) sterkte; kloekheid; ruggengraat; (7) [ikebana] bovenste leidtak; (8) [wisk.] lichaam; (9) [maatwoord voor goden- en boeddhabeelden;lijken e.d.]; (a) lichaam; ledematen; (b) gedaante; vorm; (c) figuur; voorwerp; (d) wezen; essentie; substantie; (e) orgaan; organisatie; (f) lichamelijke opvoeding
作り方 tsukurikata (1) bereidingswijze; productiemethode; constructiemethode; receptuur; recept; (2) uitvoering; makelij; maaksel; constructie; formatie; bouw; structuur; stijl; (3) [landb.] teelwijze; (4) [bouwk.] bouwstijl
作り;造り tsukuri (1) bouw; constructie; makelij; factuur; afwerking; uitvoering; (2) bouw; cultuur; teelt; kweek; [庭の] aanleg; (3) stijl; presentatie; toilet; [i.h.b.] kledingstijl; kleedstijl; (4) plakjes verse rauwe vis; sashimi
作風 sakufuu stijl; trant; manier; wijze
品格 hinkaku waardigheid; gratie; bevalligheid; klasse; stijl; cachet; distinctie; allure
kata (1) gietvorm; vorm; smeltvorm; matrijs; mal; matrix; (2) model; toonbeeld; voorbeeld; (3) stijl; vorm; mode; (4) patroon; tekening; (5) kata [van judo of karate]; de zuiverste vorm van budo-technieken uitgevoerd volgens vaste regels; (6) traditie; basis; vaste regel; formaliteit
奥床しさ okuyukashisa (1) elegantie; élégance; bevalligheid; gratie; sierlijkheid; stijl; charme; zwier; zwierigheid; (2) verfijning; verfijndheid; smaak; raffinement
shiki (1) stijl; wijze; manier; vorm; trant; systeem; methode; (2) ceremonie; plechtigheid; (3) [wisk.;chem.] formule; [wisk.] uitdrukking; [wisk.;chem.] vergelijking
文体 buntai (1) register; stijlregister; taalregister; (2) stijl
bun (1) geschrift; opstel; tekst; stijl; (2) literatuur; letteren; [i.h.b.] de pen; (3) zin; (4) [maatwoord voor zinnen]
hashira (1) pijler; pilaar; zuil; kolom; stijl; schoor; paal; staak; mast; stut; lastdrager; draagzuil; steunpilaar; steunpijler; schoorzuil; schoorpaal; stutpaal; schoorpijler; [w.g.] schoorpilaar; (2) [fig.] steunpilaar; [fig.] ziel; steun; stut; [i.h.b.] kostwinner; [fig.;veroud.] aspunt; (3) [dierk.;schelpenkunde;conchyliologie] adductor; (4) [maatwoord voor boeddha's;kami;goden uit het Japanse pantheon;geesten der afgestorvenen e.d.]
kaku (1) rang; klasse; stand; (2) regel; norm; voorschrift; (3) [taalk.] naamval; casus; (4) [log.] figuur; (a) essentie; wezen; (b) klasse; stijl; (c) stramien; norm; kader; standaard; regel; (d) doorgronden; (e) stoppen; fixeren; (f) aanpakken; slaan; (g) [spraakk.] naamval; casus
様式 youshiki (1) stijl; vorm; (2) wijze; manier; patroon
fude (1) penseel; [i.h.b.] haarpenseel; schrijfpen; pen; kwastje; (2) trant; manier van schrijven; schilderen; penseelvoering; schildering; stijl; schrift; handschrift; [meton.] hand; [meton.] pen; [meton.] penseel
aya (1) patroon; weefpatroon; dessin; motief; figuur; (2) [i.h.b.] gekeperd patroon; keperverband; dwarsgestreept patroon; visgraatmotief; (3) [taalk.] stijlfiguur; stijlversiering; stijl; beeld; bloemrijke; figuurlijke uitdrukking; trope; troop; (4) complexe verwikkeling; plot; intrige; complicatie; (5) [beurst.] kleine fluctuatie; technische verandering; (6) gedessineerde stof; [i.h.b.] keperstof; keperweefsel; gekeperd weefsel; keper; (7) afneemspel; afneemspelletje; kop-en-schotelschemerlamp; (8) [text.] leesroede; (9) onderscheid; verschil
調子 choushi (1) toon; toonhoogte; (2) tempo; ritme; (op) dreef; (op) gang; (3) stijl; [stelk.] register; manier; wijze; stemming; (4) conditie; vorm; staat (van gereedheid); toestand; (in; niet in zijn normale) doen
調 chou (1) [ritsuryō] chō [= belasting in natura;bestaande uit handwerk;lokale producten e.d.]; (2) [muz.] toonaard; toonsoort; tonaliteit; (3) [gagaku] klanksoort; (4) [sugoroku] doublet [= gelijke ogen voor iedere steen]; (5) -stijl; -manier; -wijze; -register; (a) evenwicht; proportie; afstemmen; (b) tempo; stemming; (c) timbre; register; (d) [muz.] toonaard; (e) onderzoeken; (f) maken; bereiden; regelen; (g) [ritsuryō] chō-belasting
風格 fuukaku (1) voorkomen; présence; [i.h.b.] karakter; persoonlijkheid; (2) pit; karakter; extra jeu; charme; karakteristieke smaak; stijl; (3) zeden; gebruiken; gewoonten
風神 fuujin (1) god van de wind; windgod; (2) stijl; persoonlijkheid
風雅 fuuga (1) elegantie; élégance; verfijndheid; verfijning; chic; stijl; smaak; raffinement; (2) [Bashō-school] haiku-esthetiek; (3) [Chin.lit.] fēngyǎ [= wijzen en lofliederen in de Shījīng 詩経]; (4) voornaam; chic; verfijnd; stijlvol; smaakvol; elegant; fraai; gedistingeerd; geraffineerd; (5) gecultiveerd; kunstzinnig; artistiek
fuu (1) gewoonte; gebruik; neiging; (2) manier; wijze; voege; trant; stijl; type; soort; (3) air; allure; voorkomen; uiterlijk; houding; aanzicht; (4) zoals ~; op de manier van ~; in de stijl van ~; à la ~; naar ~
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.33 sec. jiten.nl: 17 treffers, warandict: 32 treffers (zoekopdracht: 'stijl'). 
2005-2026