RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <bouw>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
がたい gatai (1) lichaamsbouw; bouw; lichaamsgestel; gestel; lichaamsvorm; lijf; figuur; fysiek; [Belg.N.;spreekt.] carrure; (2) [biol.] blasteem; (3) moeilijk te …
スタイル sutairu (1) stijl; trant; wijze; [i.h.b.] schrijfstijl; [i.h.b.] schrijftrant; [i.h.b.] schrijfwijze; (2) stijl; mode; vogue; snit; (3) figuur; bouw; (lichaams)vorm
ストラクチャー sutorakuchaa (1) structuur; bouw; samenstel; samenstelling; (2) bouwwerk; constructie; bouwsel
体付き karadatsuki lichaamsbouw; lichaamsgestel; bouw; figuur; fysiek; [Belg.N.;spreekt.] carrure
体位 taii (1) fysiek; lichaamsbouw; bouw; lichaamsgestel; gestel; lichamelijke gesteldheid; lichaamsgesteldheid; constitutie; [Belg.N.;spreekt.] carrure; (2) lichaamshouding; houding; postuur; pose
体形 taikei (1) vorm; figuur; bouw; fysiek; (2) lichaamstype; lichaamsvorm; lichaamsbouw; [geneesk.] habitus; somatotype
体格 taikaku lichaamsbouw; lichaamsgestel; gestel; lichamelijke gesteldheid; fysiek; bouw; postuur; vorm; figuur; maat
作り方 tsukurikata (1) bereidingswijze; productiemethode; constructiemethode; receptuur; recept; (2) uitvoering; makelij; maaksel; constructie; formatie; bouw; structuur; stijl; (3) [landb.] teelwijze; (4) [bouwk.] bouwstijl
作り;造り tsukuri (1) bouw; constructie; makelij; factuur; afwerking; uitvoering; (2) bouw; cultuur; teelt; kweek; [庭の] aanleg; (3) stijl; presentatie; toilet; [i.h.b.] kledingstijl; kleedstijl; (4) plakjes verse rauwe vis; sashimi
作り;造り zukuri (1) -teelt; -kweek; -bouw; -cultuur; -aanleg; (2) -bouw; gemaakt; gebouwd van …
作 saku (1) werk; stuk; werkstuk; product; gewrocht; voortbrengsel; maaksel; (2) [landb.] het bebouwen; het bewerken; bouw; verbouw; cultuur; bewerking; grondbewerking; teelt; (3) [landb.] oogst; opbrengst; productie; teelt; geteelde; (4) [landb.] rug tussen twee ploegvoren; (a) maken; fabriceren; opzettelijk doen; (b) product; werk; (c) graan; teelt; oogst; (d) tot bloei brengen; bevordering; (e) [afk.] provincie Mimasaka 美作
営繕課 eizenka (1) bouw- en reparatieafdeling; (2) onderhouds- en herstellingsafdeling
営繕費 eizenhi (1) bouw- en reparatiekosten; (2) onderhouds- en herstellingskosten
図体 zuutai postuur; gestalte; lichaamsbouw; bouw; lichaamsvorm; lichaam; [Belg.N.] carrure
容姿 youshi figuur; lichaamsvorm; bouw; lichaam; lijf; uiterlijk; voorkomen; aanschijn; verschijning
工事 kouji werken; bouw; bouwwerken; bouwwerkzaamheden; constructie
工作 kousaku (1) handwerk; handenarbeid; handvaardigheid; knutselwerk; (2) constructie; bouw; (3) zet; manoeuvre; maneuver; stap; kunstgreep; handgreep; gemanoeuvreer; gelobby
建て tate (1) [beurst.] contract; (2) [beurst.] ter beurze genoteerd aandeel; genoteerde effecten; (3) [beurst.] open positie; noch niet gladgestreken contract; (a) bouw-; constructie-
建立 konryuu;kenritsu oprichting; het optrekken; bouw
建築 kenchiku (1) bouw; opbouw; constructie; oprichting; aanbouw; (2) gebouw; bouwwerk; bouwsel; (3) architectuur; bouwkunst
建設 kensetsu (1) bouw; opbouw; aanbouw; aanleg; constructie; oprichting; het slaan (van een brug); (2) oprichting; vestiging; stichting; het instellen; instelling
建造 kenzou bouw; het bouwen; opbouw; aanbouw; constructie
敷設;布設;鋪設 fusetsu (1) aanleg; (2) bouw; aanbouw; constructie
普請 fushin (1) bouw; constructie; (2) kasteelbouw; (3) [zenboeddh.] verplichte aanwezigheid
栽培 saibai [landb.] cultuur; verbouw; verbouwing; aanbouw; aanplant; aanpoot; bouw; kweek; teelt; teling; aanplanting; aankweek; kwekerij
構成 kousei (1) het maken; vorming; bouw; constructie; samenstelling; constitutie; compositie; (2) het organiseren; organisatie; het op poten zetten; het op touw zetten; (3) [chem.] moleculenconfiguratie
構築 kouchiku bouw; constructie; aanleg
構造 kouzou (1) bouw; constructie; het maken; (2) kader; geraamte; raamwerk; frame; dragende constructie; (3) organisatie; structuur; (4) [maatwoord voor constructies;structuren]
着工 chakkou aanvang van de werkzaamheden; start van de constructie; bouw
築造 chikuzou bouw; constructie
組立て kumitate (1) assemblage; samenvoeging; montage; (2) structuur; bouw; constructie; compositie; samenstelling; (3) systeem; organisatie
組織 soshiki (1) organisatie; inrichting; (2) organisatie; structuur; formatie; samenstelling; vorming; inrichting; georganiseerdheid; opbouw; bouw; constructie; compositie; systeem; stelsel; (3) [biol.] weefsel; [i.h.b.] textuur; [i.h.b.] innerlijke structuur; (4) [maatwoord voor organisaties;structuren]
結構 kekkou (1) structuur; constructie; bouwsel; bouw; geraamte; kader; (2) steun; stut; spant; (3) opbouw (van een verhaal); plot; verwikkeling (van een verhaal); (4) goed; fijn; mooi; (5) prachtig; magnifiek; schitterend; (6) lekker; heerlijk; (7) ten zeerste; zeer; erg; geweldig; in hoge mate; ruimschoots; rijkelijk; overvloedig; buitengewoon; buitengemeen; enorm; geweldig; (8) aardig; nogal; tamelijk; vrij; vrij wat; redelijk; in redelijk hoge mate; behoorlijk; best
耕作 kousaku bebouwing; bouw; verbouw; verbouwing; aanbouw; cultuur; bewerking; grondbewerking
骨格;骨骼 kokkaku (1) geraamte; skelet; gestel; beendergestel; beenderstelsel; beenstelsel; karkas; (2) lichaamsbouw; bouw; gestalte; lichaamsgestel; fysiek
骨組み honegumi (1) skelet; geraamte; bouw; fysiek; [veroud.] gestel; (2) samenstel; frame; structuur; opzet; opbouw; (3) raamwerk; kader