日蘭辭典+

53 resultaten voor ‘vorm’
日蘭辭典 (trefwoord)
jitai字體
(字体) zn. vorm van een karakter; lettervorm m.; schriftstijl m.; schrift o.
iyō異樣
(異様) zn. zonderling uiterlijk o.; vreemde vorm m. ¶ 異樣vreemd; zonderling; ongewoon.
sama
(様) zn. (1) [有樣] toestand m. (2) [體裁] uiterlijk o.; vorm m. (3) [敬稱] (男) heer m.; mijnheer m.; mevrouw (夫人) v.; jongeheer (十六歳以下の男) m.; (お孃さん) juffrouw v.; mejuffrouw v.; jongejuffrouw (十六歳以下の) v.
hyōmen表面
zn. oppervlakte v.; buitenkant (側面) m.; voorkant (前側) m.; bovenkant (上面) m. ¶ 表面oppervlakkig; schijnbaar; blijkbaar. ¶ 表面上 voor den vorm; voor den schijn; oppervlakkig beschouwd.
kōsei構成
zn. (1) [¶ 組成] vorming v.; samenstelling v. (2) [¶ 組織] organisatie v. ¶ 構¶ 成する vormen; samenstellen; organiseeren. ¶ 構¶ 成分子 onderdeel; component. ¶ 構¶ 成者 samensteller; organisator. ¶ 構成せられる gevormd worden door; bestaan uit; samengesteld zijn uit.
yugamu歪む

i.w. scheef zijn; gewrongen zijn; krom zijn; uit den vorm zijn. ¶ 歪んだ scheef; krom; verwrongen.

yōshiki樣式

(様式) zn. vorm m.; stijl m.; modaliteit v.

utsuwa

(器) zn. (1) [容器] vat o. (2) [道具] gereedschap o.; werktuig o. ¶ 水は方圓の器に隨ふ water neemt den vorm aan van het vat, waarin het zich bevindt. ¶ 僕はその器ぢゃありません daartoe ben ik niet in staat; dat gaat boven mijn begrip.

une

zn. dijkje tusschen rijstvelden. ¶ 畦立つ dijkjes maken; ribbels vormen. ¶ 畦のある geribd; geribbeld.

ukemi受身

zn. verweer o.; lijdende vorm (文法の) m.; passief o. ¶ 受身の動詞 werkwoord in den lijdenden vorm. ¶ 受身になる passief zijn; ondergaan.

uchimono打物

zn. (1) [兵器] wapen o.; zwaard o. (2) [金物] smeedwerk o. (3) [菓子の] koekjes uit een vorm. ¶ 打物師 instrumentmaker; wapensmid.

tsuranaru連る

(連なる) i.w. (1) [連續] zich verbinden; zich vereenigen; band vormen; zich aansluiten. (2) [整列] in een rij staan; rij vormen. (3) [參列] bijwonen; tegenwoordig zijn. (4) [關係] in verband staan; in relatie staan; verbonden zijn aan. ¶ 連った onafgebroken; aaneengestoten.

tsukuru作る

t.w. (1) [製作] maken; vervaardigen. (2) [構成] vormen. (3) [建設] bouwen. (4) [耕作] bebouwen; bewerken. (5) [培養] verbouwen; telen. ¶ 木で造る van hout maken. ¶ 酒を造る arak stoken; sake brouwen. ¶ 野菜を作る groenten kweeken. ¶ 財產を作る fortuin maken; rijk worden. ¶ 顏を作る toilet maken; zich werven en poeieren. ¶ 列を作る een rij vormen; in ’t gelid gaan staan. ¶ 家庭を作る huishouden opzetten. ¶ 罪を作る zonde begaan.

tsūgau番ふ

i.w. bij elkaar behooren; een paar vormen; (つるむ) paren met; dekken. ¶ 牝馬を番はせる een merrie laten dekken.

SUPPLEMENT (trefwoord)
taichō体調
n. fysieke conditie. ¶ 今日の体調はどうですか。Kyō no taichō wa dō desu ka?Hoe voelt u zich vandaag? ¶ 今日は体調が悪いKyō wa taichō ga warui.Ik ben niet in vorm vandaag. ¶ 今晩どうも体調がすぐれないのでなにも食べれそうもない。 Konban wa dōmo taichō ga sugurenai no de nani mo taberesō mo nai. Ik voel me vanavond niet bepaald geweldig en ik kan daarom denk ik ook niet eten.
painappuruパイナップル
zn. (een, de) ananas. ¶ パイナップルやレモンのような酸性の果実はすっぱい。 painappuru ya remon no yō na sansei no kajitsu wa suppai. Vruchten met een aciditeit zoals die van ananas en citroen zijn zuur. ¶ その果物は形はオレンジに似ていて、はパイナップルのようだ。 Sono kabutsu wa katachi wa orenji ni nite ite, aji wa painappuru no yō da. De vorm van de vruchten lijkt op die van sinaasappels maar ze smaken naar ananas.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vorm>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
アスペクト asupekuto (1) aanblik; voorkomen; aanzien; uiterlijk; aspect; (2) [spraakk.] aspect; vorm
アーチ型 āchigata boogvorm; vorm; gedaante van een gewelf
パターン patān (1) patroon; manier; leest; wijze; [fig.] stramien; (2) patroon; mal; model; vorm; (3) patroon; dessin; tekening; motief; ontwerp; plan; (4) [maatwoord voor patronen]
フォルム forumu (1) vorm; (2) forum
フォーム fōmu (1) vorm; stijl; trant; (2) formulier; (3) schuim
一体 ittai (1) (één) lichaam; eenheid; (2) standbeeld; sculptuur; (3) stijl; vorm; trant; (4) [in combinatie met een vraagwoord] in hemelsnaam; in godsnaam; verdorie; nu eigenlijk; (5) om de waarheid te zeggen; per slot van rekening; strikt genomen
一種 isshu (1) soort; type; aard; vorm; (2) dezelfde soort; hetzelfde type; dezelfde aard; dezelfde vorm; (3) eerste klasse; (4) van een soort; van een bepaalde soort; een bepaalde soort van; (5) van hetzelfde soort; van hetzelfde type
体形 taikei (1) vorm; figuur; bouw; fysiek; (2) lichaamstype; lichaamsvorm; lichaamsbouw; [geneesk.] habitus; somatotype
体格 taikaku lichaamsbouw; lichaamsgestel; gestel; lichamelijke gesteldheid; fysiek; bouw; postuur; vorm; figuur; maat
体裁 teisai (1) schijn; voorkomen; uitzicht; uiterlijk; uiterlijkheid; (2) vorm; format; stijl; wijze; (3) (schone) schijn; fatsoen; (4) omhaal; woordenkraam; woordenkramerij
体;躰 tai (1) lichaam; lijf; (2) staat; toestand; gesteldheid; (3) vorm; voorkomen; gedaante; stijl; (4) wezen; essentie; substantie; aard; natuur; (5) [taalk.] substantief; substantivum; (6) sterkte; kloekheid; ruggengraat; (7) [ikebana] bovenste leidtak; (8) [wisk.] lichaam; (9) [maatwoord voor goden- en boeddhabeelden;lijken e.d.]; (a) lichaam; ledematen; (b) gedaante; vorm; (c) figuur; voorwerp; (d) wezen; essentie; substantie; (e) orgaan; organisatie; (f) lichamelijke opvoeding
在り方 arikata zijnswijze; vorm; toestand; hoedanigheid; conditie
kata (1) gietvorm; vorm; smeltvorm; matrijs; mal; matrix; (2) model; toonbeeld; voorbeeld; (3) stijl; vorm; mode; (4) patroon; tekening; (5) kata [van judo of karate]; de zuiverste vorm van budo-technieken uitgevoerd volgens vaste regels; (6) traditie; basis; vaste regel; formaliteit
塩梅 anbai (1) [cul.] smaak; kruiding; (2) toestand; mate; manier; wijze; (3) conditie; gezondheidstoestand; vorm; (4) regeling; schikking; arrangement; ordening
姿 sugata (1) figuur; gedaante; gestalte; vorm; [arch.] gestaltenis; (2) voorkomen; verschijning; aanzicht; (3) toestand; staat; gesteldheid; (4) gekleed als …; gestoken in …
(a) inbrengen; (b) inhoud; (c) vorm; uiterlijk; (d) verhoren; aanvaarden; vergeven; (e) innerlijke rust; (f) eenvoudig
shiki (1) stijl; wijze; manier; vorm; trant; systeem; methode; (2) ceremonie; plechtigheid; (3) [wisk.;chem.] formule; [wisk.] uitdrukking; [wisk.;chem.] vergelijking
形容 keiyō (1) beschrijving; kenmerking; afschildering; (2) vorm; toestand; uiterlijk; voorkomen; figuur
形式 keishiki (1) vorm; (2) uiterlijk; uiterlijke gedaante; uiterlijke vorm; uiterlijke verschijning; schijn; (3) formaliteit; conventie; omgangsvorm; procedure; (4) (in de kunst) formalisme; (in de kunst) het nadruk leggen op de uiterlijke vorm; (5) (in de filosofie) een idee; (in de filosofie) een vorm
形態 keitai (1) vorm; gedaante; (2) [psych.] gestalt; (3) [biol.;taalk.] morfologie
形成する keiseisuru vormen; formeren; maken; vorm; gestalte geven
形状 keijō vorm; gedaante; gestalte
形相 keisō (1) vorm; gedaante; uiterlijk; voorkomen; (2) [fil.] eidos
形象 keishō (1) vorm; gedaante; (2) beeld; voorstelling
形象化する keishōkasuru vorm; gestalte geven aan; belichamen; verbeelden; voorstellen; concretiseren; incarneren
katachi (1) vorm; voorkomen; gedaante; uiterlijk; (2) vorm; verschijningsvorm; formaliteit
kei vorm; gedaante; uiterlijk
ei (a) schaduw; (b) licht; (c) beeld; vorm; (d) afbeelding; weergave
恰好;格好 kakkō (1) vorm; voorkomen; presence; houding; uiterlijk; (2) postuur; een pose; een figuur; gedaante; gestalte; positie; (3) manier [van doen]; houding; (4) passend bij; redelijk; billijk; matig
tai (1) vorm; gedaante; gestalte; voorkomen; (2) [taalk.] vorm; (a) staat; gesteldheid; toestand; conditie; situatie
方式 hōshiki (1) methode; systeem; (2) manier; wijze; modus; formule; aanpak; opzet; procedure; formaliteit; (3) vorm; (4) [maatwoord voor methodes;manieren]
様式 yōshiki (1) stijl; vorm; (2) wijze; manier; patroon
正式 seishiki (vereiste; juiste) vorm; formaliteit; vormelijkheid; ceremonieel; formeel; vormelijk; officieel; plechtig; ceremonieel; [adv.] naar de vorm; [adv.] formaliter; [adv.] in (optima) forma
(1) voorkomen; aanblik; aspect; uiterlijk; (2) kenmerk; kentrek; eigenschap; wichelteken; [boeddh.] lakṣaṇa [= onderscheidend kenmerk]; nimitta [= teken;merkteken]; (3) [spraakk.] aspect; vorm; (4) [chem.] fase; [natuurk.] aggregatietoestand; aggregaatstoestand; (5) [geol.] faciës; (1) voorkomen; vorm; (2) wichelarij; -mantie; (3) onderling; wederzijds; (4) opvolging; opeenvolging; (5) provincie Sagami
調子 chōshi (1) toon; toonhoogte; (2) tempo; ritme; (op) dreef; (op) gang; (3) stijl; [stelk.] register; manier; wijze; stemming; (4) conditie; vorm; staat (van gereedheid); toestand; (in; niet in zijn normale) doen
shō (a) vorm; voorkomen; (b) vormgeven; modelleren
(1) [dierk.] olifant; [inform.] jumbo; [veroud.;lit.t.] elefant; Elephantidae; (a) olifant; slurfdieren; (b) vorm; patroon; afbeelding; (c) inlegsel; inlegwerk
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.26 sec. jiten.nl: 16 treffers, warandict: 37 treffers (zoekopdracht: 'vorm'). 
2005-2026