
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
iyō・異樣
hyōmen・表面
zn. oppervlakte v.; buitenkant (側面) m.; voorkant (前側) m.; bovenkant (上面) m. ¶ 表面の oppervlakkig; schijnbaar; blijkbaar. ¶ 表面上 voor den vorm; voor den schijn; oppervlakkig beschouwd.
kōsei・構成
zn. (1) [¶ 組成] vorming v.; samenstelling v. (2) [¶ 組織] organisatie v. ¶ 構¶ 成する vormen; samenstellen; organiseeren. ¶ 構¶ 成分子 onderdeel; component. ¶ 構¶ 成者 samensteller; organisator. ¶ 構成せられる gevormd worden door; bestaan uit; samengesteld zijn uit.
une・畦
zn. dijkje tusschen rijstvelden. ¶ 畦立つ dijkjes maken; ribbels vormen. ¶ 畦のある geribd; geribbeld.
tsukuru・作る
t.w. (1) [製作] maken; vervaardigen. (2) [構成] vormen. (3) [建設] bouwen. (4) [耕作] bebouwen; bewerken. (5) [培養] verbouwen; telen. ¶ 木で造る van hout maken. ¶ 酒を造る arak stoken; sake brouwen. ¶ 野菜を作る groenten kweeken. ¶ 財產を作る fortuin maken; rijk worden. ¶ 顏を作る toilet maken; zich werven en poeieren. ¶ 列を作る een rij vormen; in ’t gelid gaan staan. ¶ 家庭を作る huishouden opzetten. ¶ 罪を作る zonde begaan.
SUPPLEMENT (trefwoord)
taichō・体調
n. fysieke conditie. ¶ 今日の体調はどうですか。Kyō no taichō wa dō desu ka?Hoe voelt u zich vandaag? ¶ 今日は体調が悪い。 Kyō wa taichō ga warui.Ik ben niet in vorm vandaag. ¶ 今晩はどうも体調がすぐれないのでなにも食べれそうもない。 Konban wa dōmo taichō ga sugurenai no de nani mo taberesō mo nai. Ik voel me vanavond niet bepaald geweldig en ik kan daarom denk ik ook niet eten.
painappuru・パイナップル
zn. (een, de) ananas. ¶ パイナップルやレモンのような酸性の果実はすっぱい。 painappuru ya remon no yō na sansei no kajitsu wa suppai. Vruchten met een aciditeit zoals die van ananas en citroen zijn zuur. ¶ その果物は形はオレンジに似ていて、味はパイナップルのようだ。 Sono kabutsu wa katachi wa orenji ni nite ite, aji wa painappuru no yō da. De vorm van de vruchten lijkt op die van sinaasappels maar ze smaken naar ananas.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vorm>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
アスペクト asupekuto (1) aanblik; voorkomen; aanzien; uiterlijk; aspect; (2) [spraakk.] aspect; vorm
アーチ型 āchigata boogvorm; vorm; gedaante van een gewelf
パターン patān (1) patroon; manier; leest; wijze; [fig.] stramien; (2) patroon; mal; model; vorm; (3) patroon; dessin; tekening; motief; ontwerp; plan; (4) [maatwoord voor patronen]
フォルム forumu (1) vorm; (2) forum
フォーム fōmu (1) vorm; stijl; trant; (2) formulier; (3) schuim
一体 ittai (1) (één) lichaam; eenheid; (2) standbeeld; sculptuur; (3) stijl; vorm; trant; (4) [in combinatie met een vraagwoord] in hemelsnaam; in godsnaam; verdorie; nu eigenlijk; (5) om de waarheid te zeggen; per slot van rekening; strikt genomen
一種 isshu (1) soort; type; aard; vorm; (2) dezelfde soort; hetzelfde type; dezelfde aard; dezelfde vorm; (3) eerste klasse; (4) van een soort; van een bepaalde soort; een bepaalde soort van; (5) van hetzelfde soort; van hetzelfde type
体形 taikei (1) vorm; figuur; bouw; fysiek; (2) lichaamstype; lichaamsvorm; lichaamsbouw; [geneesk.] habitus; somatotype
体格 taikaku lichaamsbouw; lichaamsgestel; gestel; lichamelijke gesteldheid; fysiek; bouw; postuur; vorm; figuur; maat
体裁 teisai (1) schijn; voorkomen; uitzicht; uiterlijk; uiterlijkheid; (2) vorm; format; stijl; wijze; (3) (schone) schijn; fatsoen; (4) omhaal; woordenkraam; woordenkramerij
体;躰 tai (1) lichaam; lijf; (2) staat; toestand; gesteldheid; (3) vorm; voorkomen; gedaante; stijl; (4) wezen; essentie; substantie; aard; natuur; (5) [taalk.] substantief; substantivum; (6) sterkte; kloekheid; ruggengraat; (7) [ikebana] bovenste leidtak; (8) [wisk.] lichaam; (9) [maatwoord voor goden- en boeddhabeelden;lijken e.d.]; (a) lichaam; ledematen; (b) gedaante; vorm; (c) figuur; voorwerp; (d) wezen; essentie; substantie; (e) orgaan; organisatie; (f) lichamelijke opvoeding
在り方 arikata zijnswijze; vorm; toestand; hoedanigheid; conditie
型 kata (1) gietvorm; vorm; smeltvorm; matrijs; mal; matrix; (2) model; toonbeeld; voorbeeld; (3) stijl; vorm; mode; (4) patroon; tekening; (5) kata [van judo of karate]; de zuiverste vorm van budo-technieken uitgevoerd volgens vaste regels; (6) traditie; basis; vaste regel; formaliteit
塩梅 anbai (1) [cul.] smaak; kruiding; (2) toestand; mate; manier; wijze; (3) conditie; gezondheidstoestand; vorm; (4) regeling; schikking; arrangement; ordening
姿 sugata (1) figuur; gedaante; gestalte; vorm; [arch.] gestaltenis; (2) voorkomen; verschijning; aanzicht; (3) toestand; staat; gesteldheid; (4) gekleed als …; gestoken in …
容 yō (a) inbrengen; (b) inhoud; (c) vorm; uiterlijk; (d) verhoren; aanvaarden; vergeven; (e) innerlijke rust; (f) eenvoudig
式 shiki (1) stijl; wijze; manier; vorm; trant; systeem; methode; (2) ceremonie; plechtigheid; (3) [wisk.;chem.] formule; [wisk.] uitdrukking; [wisk.;chem.] vergelijking
形容 keiyō (1) beschrijving; kenmerking; afschildering; (2) vorm; toestand; uiterlijk; voorkomen; figuur
形式 keishiki (1) vorm; (2) uiterlijk; uiterlijke gedaante; uiterlijke vorm; uiterlijke verschijning; schijn; (3) formaliteit; conventie; omgangsvorm; procedure; (4) (in de kunst) formalisme; (in de kunst) het nadruk leggen op de uiterlijke vorm; (5) (in de filosofie) een idee; (in de filosofie) een vorm
形態 keitai (1) vorm; gedaante; (2) [psych.] gestalt; (3) [biol.;taalk.] morfologie
形成する keiseisuru vormen; formeren; maken; vorm; gestalte geven
形状 keijō vorm; gedaante; gestalte
形相 keisō (1) vorm; gedaante; uiterlijk; voorkomen; (2) [fil.] eidos
形象 keishō (1) vorm; gedaante; (2) beeld; voorstelling
形象化する keishōkasuru vorm; gestalte geven aan; belichamen; verbeelden; voorstellen; concretiseren; incarneren
形 katachi (1) vorm; voorkomen; gedaante; uiterlijk; (2) vorm; verschijningsvorm; formaliteit
形 kei vorm; gedaante; uiterlijk
影 ei (a) schaduw; (b) licht; (c) beeld; vorm; (d) afbeelding; weergave
恰好;格好 kakkō (1) vorm; voorkomen; presence; houding; uiterlijk; (2) postuur; een pose; een figuur; gedaante; gestalte; positie; (3) manier [van doen]; houding; (4) passend bij; redelijk; billijk; matig
態 tai (1) vorm; gedaante; gestalte; voorkomen; (2) [taalk.] vorm; (a) staat; gesteldheid; toestand; conditie; situatie
方式 hōshiki (1) methode; systeem; (2) manier; wijze; modus; formule; aanpak; opzet; procedure; formaliteit; (3) vorm; (4) [maatwoord voor methodes;manieren]
様式 yōshiki (1) stijl; vorm; (2) wijze; manier; patroon
正式 seishiki (vereiste; juiste) vorm; formaliteit; vormelijkheid; ceremonieel; formeel; vormelijk; officieel; plechtig; ceremonieel; [adv.] naar de vorm; [adv.] formaliter; [adv.] in (optima) forma
相 sō (1) voorkomen; aanblik; aspect; uiterlijk; (2) kenmerk; kentrek; eigenschap; wichelteken; [boeddh.] lakṣaṇa [= onderscheidend kenmerk]; nimitta [= teken;merkteken]; (3) [spraakk.] aspect; vorm; (4) [chem.] fase; [natuurk.] aggregatietoestand; aggregaatstoestand; (5) [geol.] faciës; (1) voorkomen; vorm; (2) wichelarij; -mantie; (3) onderling; wederzijds; (4) opvolging; opeenvolging; (5) provincie Sagami
調子 chōshi (1) toon; toonhoogte; (2) tempo; ritme; (op) dreef; (op) gang; (3) stijl; [stelk.] register; manier; wijze; stemming; (4) conditie; vorm; staat (van gereedheid); toestand; (in; niet in zijn normale) doen
象 shō (a) vorm; voorkomen; (b) vormgeven; modelleren
象 zō (1) [dierk.] olifant; [inform.] jumbo; [veroud.;lit.t.] elefant; Elephantidae; (a) olifant; slurfdieren; (b) vorm; patroon; afbeelding; (c) inlegsel; inlegwerk
Tijd: 1.26 sec. jiten.nl: 16 treffers, warandict: 37 treffers (zoekopdracht: 'vorm').
2005-2026
