RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <publiek>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
オーディエンス oodiensu publiek; toehoorders; toeschouwers; luisterpubliek; kijkerspubliek
ギャラリー gyararii (1) galerie; kunstgalerie; (2) [golf] toeschouwers; galerijpubliek; publiek; (3) galerij; corridor; (4) balkon; schellinkje; engelenbak
パブリック paburikku publiek; openbaar
人出 hitode opkomst; publiek; menigte; mensenmenigte; mensenmassa; massa; drom; gedrang
人前 hitomae (1) aanwezigheid van mensen; anderen; publiek; buitenwereld; (2) imago; image; voorkomen
会衆 kaishuu bijeengekomen personen; menigte; verzamelde groep mensen; bijeenkomst; vergaderde personen; vergadering; aanwezigen; publiek; deelnemers; verzamelde toeschouwers; toehoorders; gehoor; [rel.] gemeente
公に ooyakeni in het openbaar; publiek; publiekelijk; officieel; openlijk; en plein public
公の ooyakeno (1) openbaar; publiek; officieel; algemeen; (2) officieel; formeel
公共 koukyou (1) gemeenschap; samenleving; grote publiek; publieke leven; publieke sfeer; (2) openbaarheid; het toegankelijk zijn voor het publiek; (3) publiek; openbaar; openlijk; algemeen; voor iedereen toegankelijk; (4) officieel; van de overheid uitgaand; publiek; van het bevoegd gezag uitgaand
公然 kouzen (1) openbaar; publiek; openlijk; onverholen; onverbloemd; apert; (2) algemeen bekend; notoir; erkend
公然と kouzento openbaar; publiek; openlijk; in het openbaar
公的 kouteki openbaar; publiek; officieel
公社 kousha overheidsbedrijf; staatsbedrijf; openbaar bedrijf; autoriteit; openbaar; publiek; publiekrechtelijk lichaam
公立 kouritsu openbaar; publiek; gemeentelijk; gemeenschaps-; gemeente-
公立の kouritsuno openbaar; publiek; gemeentelijk; gemeenschaps-; gemeente-
公衆 koushuu (1) grote menigte; grote massa; publiek; (2) publiek; openbaar; openlijk; algemeen
出席者 shussekisha aanwezige; deelnemer; bezoeker; [verzameln.] aanwezigen; deelnemers; bezoekers; opkomst; bezoek; publiek
国民 kokumin (1) volk; natie [Dit substantief wordt gebruikt als verzamelwoord.]; (2) burger; onderdaan [Dit substantief wordt gebruikt om naar een lid van een volk te verwijzen.]; (3) volk; publiek; burgerij
官民 kanmin (1) overheid en volk; regering en volk; (2) openbare dienst en privésector; publieke en particuliere sector; overheid en bedrijfsleven; (3) ambtenaren en particulieren; overheidspersonen en private personen; ambtsdragende en ambteloze burgers; (4) publiek-privaat ~
官 kan (1) staat; regering; (2) staatsinstelling; overheidsorgaan; overheidsdienst; rijksdienst; (3) regeringsambtenaar; rijksambtenaar; overheidsambtenaar; overheidsdienaar; (4) grootkanselarij; (5) positie; rang; (a) staatsinstelling; overheidsdienst; (b) rijksambtenaar; overheidsdienaar; (c) functie; positie; (d) publiek; staatseigendom; (e) orgaan; zintuig
巷 chimata (1) wegsplitsing; wegkruising; kruispunt; tweesprong; kruisweg; scheiweg; (2) grens; scheidslijn; scheiding; perk; (3) straat; binnenstad; centrum; (4) wereld; maatschappij; publiek; man in de straat; (5) plaats van handeling; toneel; terrein
座 za (1) zitplaats; plaats(je); zetel; troon; stoel; zitje; (2) (maatschappelijke) positie; (3) [verzameln.] gezelschap; aanwezigen; publiek; [Belg.N.;spreekt.] compagnie
民衆 minshuu (gewone; gemene) volk; massa; bevolking; demos; de mensen; publiek
聴衆 choushuu (1) toehoorders; luisterpubliek; publiek; gehoor; auditorium; (2) [boeddh.] preekluisteraars; preekpubliek; (3) [boeddh.] toehorende geestelijke; auditor
表立った omodatta (1) openbaar; publiek; (2) officieel; formeel; (3) opgedoken; boven water gekomen; geopenbaard; (4) opvallend; opmerkelijk; uitspringend
見所 kenjo (1) [nō-jargon] zitplaats; plaatsen in een no-schouwburg; (2) toeschouwer; kijker; publiek; (3) blikvanger; hoogtepunt in een opvoering
視聴者 shichousha toehoorders en toeschouwers; luister- en kijkerspubliek; publiek
観客 kankyaku kijker; toeschouwer; publiek
観衆 kanshuu toeschouwers; kijkers; kijkerspubliek; publiek
金茶 kincha (1) goudbruin; goudbruine kleur [= de kleur █]; (2) [寄席で] bezoeker; toeschouwer; publiek
露 arawa (1) bloot; naakt; duidelijk zichtbaar; (2) openbaar; publiek; publiekelijk; (3) open; openlijk; onverholen; onverbloemd; onverheeld; onbewimpeld; onbedekt; onomwonden; vrijuit; openhartig; eerlijk; ronduit; (4) duidelijk; onmiskenbaar; apert; klaar; merkbaar; manifest; evident; uitgesproken; uitdrukkelijk; expliciet