日蘭辭典+

58 resultaten voor ‘wijze’
日蘭辭典 (trefwoord)
aaiuああいふ
(ああいう) bw. zoo; aldus; op die manier; op die wijze; vnw. zulk; zoodanig. ¶ ああいふ事 zoo iets. ¶ ああいふ物 zulke dingen; zoodanige dingen;
anbai鹽梅
(塩梅) zn. (1) [調味] smaak m. (2) [狀態] toestand m. (3) [手段] manier v.; wijze v. (4) [配列] orde v. ¶ 鹽梅する (配列) arrangeeren; groepeeren; sorteeren. ¶ 味を附ける kruiden. ¶ の鹽梅 temperatuur van het bad. ¶ 鹽梅は如何ですか hoe gaat het er mee? hoe staat het er mee?
dōyaraどうやら
bw. vermoedelijk; wel. ¶ どうやら天氣になりそうだ het zal wel goed weer worden. ¶ どうやらかうやら op de een of andere manier; zoo goed en zoo kwaad mogelijk.
teguchi手口
zn. manier v.; methode v.; middel o.
dōshiteどうして
bw. (1) [如何樣にして] hoe?; op welke wijze. (2) [何故] waarom?; op welken grond? ¶ どうしてhoe het ook zij; in elk geval; wat men ook doet. ¶ どうしても………せぬ in geen geval; stellig niet.
dōnari-kōnariどうなりこうなり
bw. op de een of andere manier; zoo goed en zoo kwaad mogelijk.
nan to何と
tw. wat!; bw. hoe; hoezeer. ¶ 何と暑いことwat is het warm! ¶ 何とか het een of ander; dit of dat; zus of zoo. ¶ 何とも niets; volstrekt niets. ¶ 何とも言へぬ men kan er niets van zeggen; onbeschrijfelijk. ¶ 何とも思はぬ onbeduidend; er niets om geven; het kan mij niets schelen; ¶ 何となく eenigszins; eenigermate; op de een of andere wijze; onbestemd. ¶ 何となく氣味が惡い ik voel me, waarom weet ik niet, niet erg op mijn gemak. ¶ 何となれば want; omdat.
furi
(振り) (1) [ぶらぶらすること] schommeling v.; slingering v.; trilling v. (2) [仕振] manier van doen; wijze v. (3) [態度] gedrag o.; optreden o. (4) [姿] uiterlijk o. (5) [見せかけ] mom o.; schijn m. ¶ 風をする voorgeven; doen alsof. ¶ 知らぬ振りをする zich van den domme houden. ¶ 一振り een zwaardslag.
kunshi君子

zn. hoogstaand man m.; wijze m.; man van eer.

yūtai勇退

zn. ontslagneming op eervolle wijze.

yōtoji洋綴

zn. Europeesche wijze van inbinden; Europeesche band m.

(様) bn. (1) [樣式] manier v.; wijze v.; methode v. (2) [種類] soort v. (3) [外觀] uiterlijk o.; voorkomen o. ¶ 此樣な zulk; zoodanig. ¶ 此樣に zoo; op deze wijze. ¶ 同じ樣に op dezelfde wijze. ¶ ……¶ の樣に als; gelijk; alsof. ¶ 狂人の樣に als een krankzinnige. ¶ いつもの樣に zooals gewoonlijk; als altijd.

wafū和風

zn. (1) [風] lekker briesje o. (2) [日本風] Japansche stijl m.; Japansche wijze v.

tsuyuharai露拂

(露払) zn. voorlooper m.; heraut m. ¶ 露拂に bij wijze van inleiding.

tsuraate面當

(面当て) zn. hatelijkheid v.; insinuatie v.; steek onder water. ¶ 面當の insinueerend. ¶ 面當に om te insinueeren; bij wijze van insinuatie; om zijn ergernis te luchten; bij wijze van hatelijkheid. ¶ 面當を言ふ hatelijkheid zeggen; steek onder water geven.

tsukurikata作方
tsukaikata使方

zn. wijze van gebruik. ¶ 使方が分らぬ niet weten hoe te gebruiken; niet kunnen omgaan met.

tsukaimichi使途

(使い道) zn. wijze van gebruik; nut o.; dienst m. ¶ 使途のある nuttig; bruikbaar. ¶ 使途が廣い voor velerlei doeleinden te gebruiken.

tsukaiyō使樣

(使様) zn. wijze van gebruik.

SUPPLEMENT (trefwoord)
nan to ka何とか
(frase) (1) op de een of andere wijze; op een of andere manier; enigerlei wijze; het een of ander; dit of dat; zus of zo. ¶ なんとかそのテストに受かった。 Nan to ka sono tesuto ni ukatta. Op een of andere manier ben ik geslaagd voor de test. ¶ なんとか日曜日までに家賃を払わないといけない。 Nan to ka nichiyōbi made ni yachin wo harawanai to ikenai. Op een of andere manier moet ik uiterlijk zondag de huur betalen. ¶ はなんとか時間までそこに着いた。 Boku wa nan to ka jikan made ni soko ni tsuita. Op een of andere manier lukte het me om er op tijd te komen. ¶ 彼女はなんとかして世間体をつくろった。 Kanojo wa nan to ka shite sekentei wo tsukurotta. Op een of andere wijze wist ze haar gezicht te bewaren. (2) (in plaats van de naam van iets of iemand) zus of zo; je-weet-wel; nog wat; hoe-heet-hij [zij, het]-ook al weer; ding; dinges. ¶ 田中なんとかというから電話がありました。 Tanaka nan to ka to iu hito kara denwa ga arimashita. Er was een telefoontje van een Tanaka-nog-wat voor je. ¶ 事部長のなんとかさんが捜してたよ。 Jinji buchō no nan to ka-san ga sagashite ta yo. De manager van personeelszaken, hoe heet hij ook al weer, was naar je op zoek. (yamasv) (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <wijze>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
どうにか dounika (1) enigszins iets; [veroud.] ietwat; (2) op de een of andere manier; wijze; hoe dan ook; ergens; min of meer; enigszins; op welke wijze dan ook
どうやらこうやら douyarakouyara op de een of andere manier; wijze; hoe dan ook; ergens
スタイル sutairu (1) stijl; trant; wijze; [i.h.b.] schrijfstijl; [i.h.b.] schrijftrant; [i.h.b.] schrijfwijze; (2) stijl; mode; vogue; snit; (3) figuur; bouw; (lichaams)vorm
パターン pataan (1) patroon; manier; leest; wijze; [fig.] stramien; (2) patroon; mal; model; vorm; (3) patroon; dessin; tekening; motief; ontwerp; plan; (4) [maatwoord voor patronen]
モード moodo (1) mode; (2) wijze; manier; methode; (3) [muz.] toonaard; toonsoort; toongeslacht; toonladder; (4) [wisk.;statistiek] modus; (5) modus; conditie; gesteldheid; (6) gestreepte plaid; reisdeken; (7) Maud; Maude
仕方 shikata (1) manier; wijze; methode; het hoe; werkwijze; (2) gebaar; geste
仕様 shiyou (1) manier; wijze; methode; (2) gebruiksaanwijzing; handleiding; gedetailleerde beschrijving; bestek
体裁 teisai (1) schijn; voorkomen; uitzicht; uiterlijk; uiterlijkheid; (2) vorm; format; stijl; wijze; (3) (schone) schijn; fatsoen; (4) omhaal; woordenkraam; woordenkramerij
何だか nandaka ergens; op de een of andere manier; wijze; ik weet niet hoe het komt; maar
作風 sakufuu stijl; trant; manier; wijze
tetsu (1) wijze man; wijze; (2) wijs; (a) wijs; inzicht hebbend; (b) wijsbegeerte; filosofie
哲夫 teppu wijs man; wijze
塩梅 anbai (1) [cul.] smaak; kruiding; (2) toestand; mate; manier; wijze; (3) conditie; gezondheidstoestand; vorm; (4) regeling; schikking; arrangement; ordening
容体 youdai (1) fysieke; lichamelijke toestand; [geneesk.] toestand van de patiënt; (2) gestalte; gedaante; (3) manier; wijze; (4) pretentie
shiki (1) stijl; wijze; manier; vorm; trant; systeem; methode; (2) ceremonie; plechtigheid; (3) [wisk.;chem.] formule; [wisk.] uitdrukking; [wisk.;chem.] vergelijking
振り buri (1) -toon; -intonatie; (2) manier van ~; -wijze; met de allure van ~; op zijn ~; -lijk; (3) [geeft een zekere afmeting aan]; (4) na een onderbreking van ~; voor het eerst in ~; pas na ~
方式 houshiki (1) methode; systeem; (2) manier; wijze; modus; formule; aanpak; opzet; procedure; formaliteit; (3) vorm; (4) [maatwoord voor methodes;manieren]
方法 houhou (1) methode; wijze; weg; procedé; manier; [Lat.] modus; middel; het hoe; trant; maatregel; beleid; stap; (2) [maatwoord voor methodes]
kata (1) richting; directie; (2) mijnheer; mevrouw; (3) -wijze; manier van ~; (4) per adres; p; a
hou (1) richting; kant; zijde; ~ heen; -waarts; [mijner-;jouwer-;enz] -zijds; (2) vlak; (competentie)gebied; terrein; domein; (3) veeleer ~; aan de ~ kant; eerder ~ (dan ~); wat beter; verkieslijker enz. is [verwijst vaak naar het voorkeursalternatief]; (4) kwadraat; tweede macht; vierkant; (5) methode; manier; wijze
様式 youshiki (1) stijl; vorm; (2) wijze; manier; patroon
様態 youtai (1) wijze; modus; (2) [fil.] modaliteit; (3) toestand; conditie; staat; gesteldheid
欧風 oufuu Europese stijl; wijze
知恵者 chiesha wijs; verstandig; scherpzinnig persoon; wijze; knappe; schrandere kop; grote geest; geleerde; iem. van veel vernuft
習慣 shuukan (1) gewoonte; hebbelijkheid; aanwensel; gewendheid; [w.g.] aanwenst; (2) gewoonte; gebruik; praktijk; zede; wijze; adat; [veroud.] wijs; [w.g.] usance; [w.g.] usantie; [Lat.;studentent.] mos; [Lat.] usus
sei (1) wijze; heilige; (2) klare; verfijnde sake; (3) heilig; gewijd; geheiligd; sacraal; sacramenteel; (4) [r.-k.] heilig; sint; [afk.] H.; [afk.] St.; (a) wijze; heilige; (b) keizer; keizerlijk; (c) grootmeester; virtuoos; (d) heilig; gewijd; zuiver
hijiri (1) wijze; heilige; (2) meester; virtuoos; (3) [boeddh.] eminent geestelijke; [i.h.a.] geestelijke; (4) [boeddh.] asceet; (5) [boeddh.] bedelmonnik; pelgrim; (6) keizer; (7) klare sake; verfijnde sake
jutsu (1) vaardigheid; kundigheid; kunst; techniek; skill; (2) toverij; tovenarij; toverkunst; magie; (3) manier; wijze; (a) kunde; kunst; techniek; (b) kunstgreep; truc; list; kneep
sube middel; methode; wijze; manier; werkwijze; kunst
言い方 iikata wijze; manier van spreken; spreektrant; uitdrukking(svorm); uitdrukkingswijze; manier van zeggen; zegging; zegswijze; verwoording; formulering; bewoording; inkleding; wending
言い様 iizama (1) wijze; manier van spreken; zegswijze; spreektrant; bewoording; (2) […と~] zeggende
話し方 hanashikata (1) wijze; manier van spreken; spreekmanier; spreektrant; spreekstijl; (2) dictie; voordracht; zegging
調子 choushi (1) toon; toonhoogte; (2) tempo; ritme; (op) dreef; (op) gang; (3) stijl; [stelk.] register; manier; wijze; stemming; (4) conditie; vorm; staat (van gereedheid); toestand; (in; niet in zijn normale) doen
調 chou (1) [ritsuryō] chō [= belasting in natura;bestaande uit handwerk;lokale producten e.d.]; (2) [muz.] toonaard; toonsoort; tonaliteit; (3) [gagaku] klanksoort; (4) [sugoroku] doublet [= gelijke ogen voor iedere steen]; (5) -stijl; -manier; -wijze; -register; (a) evenwicht; proportie; afstemmen; (b) tempo; stemming; (c) timbre; register; (d) [muz.] toonaard; (e) onderzoeken; (f) maken; bereiden; regelen; (g) [ritsuryō] chō-belasting
賢人 kenjin (1) wijze; wijs man; (2) troebele sake
賢者 kenja wijze; wijs persoon; geleerde
ken (1) wijsheid; slimheid; pienterheid; schranderheid; verstand; (2) wijze; verstandig; slim; pienter; schrander mens; (3) troebele; blinde; ondoorzichtige; droeve; niet geklaarde; wolkige sake; (4) wijs; schrander; verstandig; slim; pienter; (5) uw ~
fuu (1) gewoonte; gebruik; neiging; (2) manier; wijze; voege; trant; stijl; type; soort; (3) air; allure; voorkomen; uiterlijk; houding; aanzicht; (4) zoals ~; op de manier van ~; in de stijl van ~; à la ~; naar ~
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.65 sec. jiten.nl: 20 treffers, warandict: 38 treffers (zoekopdracht: 'wijze'). 
2005-2026