日蘭辭典+

38 resultaten voor ‘vermogen’
日蘭辭典 (trefwoord)
akumade飽く迄
(あくまで) bw. (1) [最後迄] tot het uiterste; tot het bittere einde. (2) [極力] naar zijn beste krachten; naar zijn beste vermogen.
chikara
zn. (1) [] kracht v. (2) [權] macht v.; invloed m. (3) [能力] bekwaamheid v.; vermogen o. (4) [效果] doeltreffendheid v.; doelmatigheid v. (5) [助] steun m. (6) [氣力] energie v.; geestkracht v. (7) [語勢] nadruk m.; klem v. ¶ の及ぶ限り naar zijn beste vermogen. ¶ に任せて uit alle macht. ¶ 人のになる iemand tot steun zijn. ¶ を籠めて言ふ met nadruk zeggen. ¶ を落す den moed verliezen. ¶ 之にを得て hierdoor aangemoedigd. ¶ 不滅 behoud van arbeidsvermogen. ¶ calorische energie.
zaibutsu財物
zn. goederen o.mv.; eigendommen o.mv.
nōryoku能力
zn. bekwaamheid v.; geschiktheid v.; (法) bevoegdheid v.; competentie v. ¶ 能力ある bekwaam; geschikt; bevoegd; competent; in staat zijn; kunnen; vermogen. ¶ 能力喪失 desqualificatie; verlies eener bevoegdheid.
zairyoku財力

zn. financieele draagkracht v.; gegoedheid v.; vermogen o.

zaisan財產

(財産) zn. bezit o.; bezittingen v.mv.; vermogen o.; eigendommen o.mv.; middelen o.mv. ¶ 無財產者 onbemiddelde. ¶ 財產を有する bemiddeld zijn. ¶ 財產を作る fortuin maken. ¶ 財產分離 scheiding van goederen. ¶ 財產を淸算する boedel afwikkelen. ¶ 財產刑 geldstraf; boete. ¶ 財產權 eigendomsrecht. ¶ 財產目錄 boedelbeschrijving; inventaris van eigendommen. ¶ 財產主 eigenaar. ¶ 財產を相續する eigendommen erven. ¶ 財產稅 vermogensbelasting.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vermogen>
アビリティー abiritī bekwaamheid; vermogen; vaardigheid; begaafdheid; capaciteit
キャパ kyapa (1) capaciteit; vermogen; potentieel; kundigheid; vaardigheid; geschiktheid; aanleg; talent; (2) capaciteit; volume; inhoud; bergruimte
キャパシティ kyapashiti (1) capaciteit; vermogen; potentieel; kundigheid; vaardigheid; geschiktheid; aanleg; talent; (2) capaciteit; volume; inhoud; bergruimte
パワー pawā (1) kracht; power; vermogen; sterkte; macht; [veroud.] mogendheid; (2) energie; fut; pit; uithoudingsvermogen; uithouding; drive; dynamiek; vuur; animo
ワース wāsu (1) waarde; (2) vermogen; (3) Wace; Worth; Wirth; Werth
世帯 setai (1) eigendom; vermogen; fortuin; bezit; (2) huishouding; (3) huishouden; gezin; (4) levensonderhoud; het zich behelpen; (5) gezinsvader; gezinsmoeder; (6) [scheepv.] kombuis; [veroud.] kabuis; kookplaats; scheepskeuken; (7) [maatwoord voor gezinnen;huishoudens]
出力 shutsuryoku (1) [comp.] uitvoer; output; (2) [発電所の] vermogen; capaciteit
出来る dekiru (1) gereedkomen; klaarkomen; afkomen; voltooid worden; (2) gemaakt worden (van); vervaardigd worden (van); [m.b.t. gewassen] voortgebracht worden; [m.b.t. gerechten] op het menu staan; (3) zich ontplooien; groeien; (4) ontstaan; tot stand komen; zich vormen; opgericht worden; zich voordoen; (5) geboren worden; voortkomen; (6) kunnen; in staat zijn te; [form.] vermogen; mogelijk zijn; (7) goed zijn (in); knap zijn; onderlegd zijn; kundig zijn; capabel zijn; bedreven zijn; bekwaam zijn; [m.b.t. een taal] machtig zijn; (8) verkering krijgen; omgang krijgen; het aanleggen met
力量 rikiryō aanleg; talent; gave; begaafdheid; kwaliteiten; capaciteiten; bekwaamheid; vermogen; capabiliteit
chikara (1) kracht; macht; energie; force; invloed; potentie; [i.h.b.] geweld; [volkst.] forsie; (2) sterkte; kracht; moed; (3) hulp; behulp; middelen; (4) kracht; inspanning; moeite; (5) vermogen; kunnen; capaciteit; bekwaamheid; vaardigheid
riki (1) [boeddh.] bala [= kracht;energie]; (2) [boeddh.] sthāman [= vermogen]; (3) [boeddh.] vaśa [= invloed;macht]; (4) [boeddh.] daśa-balāni [= tien krachten van Boeddha] ; (5) [boeddh.] potentieel [= één van de tien levensfactoren;zulkheden]; (6) […人~] kracht (als) van … mensen; (a) lichaams- of geesteskracht; (b) werking; vermogen; (c) zich inspannen
ryoku -kracht; -vermogen; -macht; -capaciteit
器量 kiryō (1) talent; vermogen; capaciteit; gave; bekwaamheid; kaliber; formaat; (2) [女性の] uiterlijk; voorkomen; looks; trekken; gelaatstrekken; gezicht; (3) [男性の] reputatie; verdienste; eer; goede naam
威力 iryoku macht; kracht; vermogen
実力 jitsuryoku (1) prestatievermogen; vermogen; bekwaamheid; vaardigheid; competentie; praktische beheersing; capaciteit; capabiliteit; iems. kunnen; begaafdheid; (2) geweld; wapengeweld; [fig.] de wapenen
容量 yōryō capaciteit; volume; inhoud; bergruimte; vermogen; potentieel
影響する eikyōsuru beïnvloeden; invloed; impact; (uit)werking; effect hebben; van invloed zijn; influenceren; inwerken op; werken op; vermogen; [w.g.] influeren
所帯 shotai (1) huishouding; huishouden; [niet alg.] menage; (2) gezinsleven; (3) gezin; huisgezin; familie; (4) vermogen; status
手腕 shuwan bekwaamheid; vaardigheid; vermogen; kundigheid; vakkundigheid
kon (1) wortel; oorsprong; grondslag; begin; origine; bron; (2) [boeddh.] indriya; ± vermogens; (3) uithouding; volharding; vitaliteit; (4) geslachtsorgaan; [i.h.b.] mannelijk lid; (5) [wisk.] wortel van een vergelijking; (6) [wisk.] wortel; (7) [chem.] radicaal; groep; (a) [biol.] wortel; (b) basis; oorsprong; origine; (c) energie; vermogen; (d) [boeddh.] indriya; (e) [wisk.] wortel
san (1) het baren; het bevallen; bevalling; baring; partus; verlossing; geboorte; [fig.] kraambed; (2) bakermat; geboorteplaats; origine; afkomst; afstamming; [fig.] wieg; (3) product; [m.b.t. personen] een geboren …; [fig.;m.b.t. personen] zoon; dochter van …; ingeborene van …; (4) fortuin; vermogen; rijkdom; bezit; middelen; (5) made in …; vervaardigd in …; afkomstig uit …; uit …; van … afkomst; van …; … van geboorte; geboortig van; uit; … van origine; van … bodem; (a) baren; een kind ter wereld brengen; (b) voortbrengen; product; (c) vermogen; bezit
能力 nōryoku (1) bekwaamheid; vaardigheid; vermogen; [i.h.b. psych.] faculteiten; competentie; geschiktheid; capaciteit; kunde; knapheid; kundigheid; capabiliteit; [veroud.] vatbaarheid; (2) [jur.] bevoegdheid; competentie; (3) [taalk.] beheersing
(1) kunde; vermogen; macht; kunnen; kunst; [Lat.] vis; talent; (2) nut; bruikbaarheid; utiliteit; (3) no; no-theater; no-spel
財産 zaisan eigendom; bezitting; bezit; goed; fortuin; vermogen; rijkdom
財貨 zaika geld en goed; rijkdom; fortuin; vermogen
zai (1) bezit; vermogen; fortuin; rijkdom; (2) [econ.] goed; goederen; activa; (a) kostbaarheid; schat; (b) geld; vermogen
ka (a) geld; (b) vermogen; (c) koopwaar; spullen; bagage
shi (1) kapitaal; vermogen; geldmiddelen; fondsen; (2) materiaal; (3) kwaliteiten; aanleg; talent; gave; begaafdheid; capaciteit; vermogen; aard; karakter; (a) kapitaal; geldmiddelen; (b) materiaal; (c) eigenschap; aard; (d) helpen; (e) kapitalist
資産 shisan [econ.] activa; middelen; actief; baten; vermogen; bezit
身代 shindai (1) vermogen; rijkdom; fortuin; bezit; eigendom; (2) leefomstandigheden; levensomstandigheden; levensonderhoud; bestaan; kostwinning; kost
電力 denryoku (1) elektrisch vermogen; [pregn.] vermogen; (2) elektriciteit; elektrische energie; stroom
馬力 bariki (1) paardenkracht; kracht (als) van een paard; (2) kar; sleperswagen; vrachtkar; (3) vermogen; kracht; vitaliteit; energie; (4) [veroud.;natuurk.] paardenkracht [eenheid van vermogen]; pk; HP [-> horsepower]; CV [-> cheval-vapeur]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.53 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 32 treffers (zoekopdracht: 'vermogen'). 
2005-2026