日蘭辭典+

56 resultaten voor ‘naar’
日蘭辭典 (trefwoord)
akumade飽く迄
(あくまで) bw. (1) [最後迄] tot het uiterste; tot het bittere einde. (2) [極力] naar zijn beste krachten; naar zijn beste vermogen.
amamoyō雨模樣
(雨模様) zn. dreigend weer o. ¶ 雨模樣だ het ziet er uit naar regen.
aogu仰ぐ
i.w. (1) [上を向く] opzien naar; zich wenden tot. (2) [敬ふ] opzien tot; eerbied hebben voor; hoogachten. (3) [賴る] vertrouwen op; zich verlaten op.
aomuke-ni仰向けに
bw. met gezicht naar boven; op den rug liggend. ¶ 仰向になって游ぐ op den rug zwemmen. ¶ 仰向に倒れる achterover vallen.
aegu喘ぐ
i.w. hijgen; naar adem snakken.
aibosuru愛慕する
i.w. smachten naar; verlangen naar.
aji
zn. (1) [食物の] smaak v. ¶ の惡い onsmakelijk. (俗) naar. ¶ の良い smakelijk; lekker. ¶ 味を見る proeven. (2) [趣] smaak v. ¶ のある smaakvol; interessant. ¶ 無き flauw. ¶ 趣のない flauw; geesteloos. ¶ のがする smaken naar.
yakujo躍如
bw. levendig. ¶ 躍如たる levendig; natuurlijk; naar het leven geteekend.
yarimizu遣水
(遣り水) zn. leiding water o. ¶ 庭へ遣水を引く water naar den tuin leiden.
ue
zn. (1) [頂] top m. (2) [] bovenste gedeelte v.; bovenkant m. ¶ このない喜び grootste vreugde. ¶ いやがにも tot overmaat. ¶ 下からまで van onder tot boven. ¶ の bovenst; hoogst. ¶ の文 bovenstaande zin. ¶ 五つからの子供 kinderen van vijf jaaren ouder. ¶ 丘の huis op den heuvel. ¶ 其の bovendien; daarenboven. ¶ naar boven. ¶ op; bovenop; na (後に). ¶ onder invloed van drank. ¶ 歸京の toen ik in Tokyo terug kwam. ¶ 再考ので bij nadere overweging. ¶ かくなるは nu het zoover gekomen is. ¶ ……のに出る overtreffen; meer zijn dan. ¶ 一番は八つです het oudste kind is acht. ¶ にはある niets is volmaakt; alles is voor verbetering vatbaar.
yoru依る
i.w. (1) [依賴] vertrouwen op; afhangen van. (2) [基く] gegrond zijn op; overeenstemmen met; veroorzaakt zijn door. (3) [手段に] gebruik maken van. ¶ に依って op grond van; in overeenstemming met; vertrouwend op; volgens.
soto
zn. buitenkant m. ¶ buiten; buitenshuis. ¶ より見る door het raam naar buiten kijken. ¶ 食事する buitenshuis eten. ¶ 出る naar buiten gaan.
sōtai相對

(相対) zn. verhouding v.; evenredigheid v.; tegenstelling v. ¶ 相對の betrekkelijk. ¶ 相對的に betrekkelijk; naar evenredigheid; naar verhouding; in verhouding tot. ¶ 相對論 relativiteitsleer.

TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Aozora Bunko╱Mori Ōgai╱De wilde gans 〈11:4〉〈青空文庫〉森鴎外『雁』
肱掛からを見れば、高野槙から、爽かな朝風に、微か揺れていると、その向うの一面に茂っているとが見える

Hijikakemado kara soto wo mireba, kōyamaki no eda no aida kara, sawayaka na asakaze ni, kasuka ni yurete iru yanagi no ito to, sono mukō no ike ichimen ni shigette iru hasu no ha to ga mieru.

Wanneer hij door het raam naar buiten keek, kon hij tussen de takken van de parasolden door de zachtjes in de frisse ochtendwind bewegende afhangende takken van de treurwilg, en daarachter een dikke laag lotusbladeren op de vijver zien.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <naar>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
いけ好かない ikesukanai onaangenaam; onplezierig; onprettig; vervelend; naar; [Belg.N.] ambetant; akelig; walgelijk; verschrikkelijk
いつものとおり itsumonotoori zoals gebruikelijk; zoals gewoonlijk; naar; volgens gewoonte; gewoontegetrouw; als vanouds
からに karani (1) […~] naar; afgaande op; (2) […~は] daar; nu dat; gezien; (3) […~] gelijktijdig met; meteen als; zodra; (4) […~] [redengevend partikel] want; omdat; vermits; (5) […む~] toch; niettemin; desondanks
により niyori bij; volgens; naar; op; door; wegens; vanwege; krachtens; uit hoofde van; overeenkomstig; via; langs
に依って niyotte (1) op grond van; [afk.] o.g.v.; krachtens; [jur.] ex; uit hoofde van; uit kracht van; uitgaande van; vertrouwend op; (2) volgens; naar; overeenkomstig; in overeenstemming met; conform; zoals; als; (3) wegens; tengevolge van; [afk.] t.g.v.; ingevolge; als gevolg van; vanwege; door; door toedoen van; naar aanleiding van; [Belg.N.] omwille van; (4) door middel van; via; met behulp van; aan de hand van; dankzij; middels; (5) in antwoord op; als reactie op
に向かって nimukatte naar; tegenover; naar ~ toe; op
he (1) […~] [duidt een richting aan] naar; naar … toe; richting …; tot; op … af; voor; (2) […~] [duidt een plaats van handeling aan]; (3) […~] [duidt degene aan tot wie de handeling gericht is] naar
むかつく mukatsuku (1) misselijk; naar; onpasselijk; ongesteld worden; zich niet goed voelen; (2) boos; kwaad; nijdig; [gew.] vals worden; gebelgd; verbolgen raken; walgen (van); zich opwinden; [veroud.] zich vergrammen
不快な fukaina onaangenaam; onplezierig; onbehaaglijk; ongenoeglijk; onwelgevallig; ongevallig; onprettig; oncomfortabel; beroerd; naar; akelig; onaardig; stuitend; aanstotelijk; aanstootgevend
不愉快 fuyukai onaangenaam; onplezierig; onprettig; vervelend; ongemakkelijk; oncomfortabel; naar; belabberd
何時ものように itsumonoyouni als; zoals gewoonlijk; naar; volgens gewoonte; zoals z'n gewoonte is; zoals men pleegt te doen; gewoontegetrouw; op de gebruikelijke wijze; [form.] ouder gewoonte
儘;任;随;侭 mama (1) toestand zoals hij is; als zodanig; gegeven situatie; zoals het is; originele staat; zo; blauwblauw; onaangeroerd [blijven;laten;zijn enz.]; intact ~; onaangetast ~; met rust ~; ongemoeid ~; (2) zoals men wil; [naar de] wens; inval van 't ogenblik; z'n zin [krijgen;geven enz.]; (3) zoals ~; naar ~; volgens ~; (4) [drukwezen] correctie vervalt; sic; zoals het er staat; stet
困った komatta (1) gênant; lastig; verlegen makend; pijnlijk; vervelend; naar; [Belg.N.;spreekt.] ambetant; (2) [生活に] behoeftig; noodlijdend; nooddruftig
困難 konnan (1) moeilijkheid; hindernis; obstakel; (2) nood; ontbering; beproeving; (3) beproeving; moeite; ongeluk; bezoeking; (4) verwarring; verlegenheid; het niet goed weten wat men moet doen; (5) moeilijk; niet gemakkelijk; problematisch; (6) vervelend; lastig; hinderlijk; onaangenaam; naar; (7) gênant; lastig; verlegen makend; ongemakkelijk; ongelukkig; pijnlijk; [Belg.N.;spreekt.] ambetant; (8) hard; bitter; doornig; vol doornen en distels; moeilijk; verdrietelijk
嫌い kirai (1) afkeer; tegenzin; antipathie; (2) hatelijk; gehaat; onaangenaam; misselijk; misselijkmakend; ergerlijk; akelig; naar; eng
嫌な iyana afkerig; wars; ergerlijk; vervelend; onaangenaam; onplezierig; naar; akelig
嫌み iyami (1) hatelijkheid; venijnigheid; nijdigheid; steek; piek; hak; belediging; beschimping; bespotting; grievende; kwetsende; sarcastische opmerking; sarcasme; (2) afkeer; weerzin; (3) onaangenaam; naar; vervelend; [Belg.N.] ambetant; onplezierig; ergerlijk; aanstootgevend; aanstotelijk; odieus; misselijk; [i.h.b.] vrijpostig; brutaal; (4) geaffecteerd; gemaakt; gekunsteld
嫌らしい;厭らしい iyarashii (1) onaangenaam; onplezierig; naar; akelig; vervelend; walgelijk; weerzinwekkend; (2) onfatsoenlijk; onbehoorlijk; ongepast; onbetamelijk; onwelvoeglijk; onoorbaar; ondeugend; aanstootgevend; obsceen; indecent; liederlijk; schuin; vuil; schunnig; smerig; scabreus; [gew.] schouw
嫌らしい yarashii (1) onaangenaam; onplezierig; naar; (2) hatelijk; verfoeilijk; verwerpelijk; (3) vreselijk; verschrikkelijk; (4) wreed; gruwelijk; (5) vies; smerig; (6) gemeen; ordinair; ongepast; (7) gênant; beschamend; (8) ondeugend; ruw
嫌味のある iyaminoaru (1) onaangenaam; naar; vervelend; [Belg.N.] ambetant; onplezierig; ergerlijk; aanstootgevend; aanstotelijk; odieus; misselijk; (2) sarcastisch
iya (1) afkeer; aversie; ergernis; verveling; (2) afkerig; wars; ergerlijk; vervelend; onaangenaam; onplezierig; naar; akelig; beroerd; belabberd
心付き無し kokorozukinashi onaangenaam; naar; stuitend; ergerlijk; ergerniswekkend; irriterend; irritant; onuitstaanbaar; aanstootgevend; odieus; hatelijk
忌々しい imaimashii vervelend; ergerlijk; irritant; storend; verdrietelijk; degoutant; verhipt; vervloekt; bliksems; akelig; naar; misselijk; hatelijk; sarrig
恋しい koishii (1) geliefd; bemind; lief; dierbaar; zeer gezien; (2) nostalgisch; vervuld van nostalgie; heimwee hebbend naar; verlangen; naar; missen
悲惨 hisan rampzalig; rampspoedig; tragisch; droevig; bedroevend; desastreus; heilloos; miserabel; ellendig; erbarmelijk; jammerlijk; zielig; beroerd; naar
惨め mijime ellendig; erbarmelijk; miserabel; onzalig; beroerd; belabberd; akelig; droevig; naar; jammerlijk; zielig; deerlijk; godsjammerlijk; kommerlijk
愛敬のない;愛嬌のない aikyounonai onvriendelijk; ongenietbaar; onaangenaam; onaantrekkelijk; bars; bits; [Belg.N.] bitsig; onaardig; slechtgezind; onsympathiek; antipathiek; bot; kortaf; zuur; nors; stuurs; vervelend; naar; onhebbelijk; onbeminnelijk; ongezellig; onplezierig; onvrolijk; koel
抉り出す eguridasu (1) uitscheppen; uithollen; uitgutsen; uitsteken; uitboren; uitschrapen; uitkrabben; (2) [fig.] aan het licht brengen; uitbrengen; onthullen; voor de dag halen; naar boven brengen; naar; aan de oppervlakte brengen; openbaren; blootleggen
掛ける kakeru (1) ophangen; hangen; behangen; [鉤に〜] vasthaken; [十字架に〜] slaan; [審議に〜] aanhangig maken; (2) zetten tegen; plaatsen tegen; (3) bedekken; afdekken; spreiden over; overspreiden; overdekken; leggen op; [火に〜] op het vuur zetten; (4) [けーぶるを〜] leggen; [橋を〜] aanleggen; slaan; bouwen; installeren; (5) gaan zitten; plaatsnemen; zich neerzetten; (6) besprenkelen; gieten over; uitgieten over; begieten; bestrooien; [火を〜] in brand steken; [さらだにどれっしんぐを〜] aanmaken; (7) [眼鏡を] opzetten; [しょーるを〜] omdoen; bekleden met; aankleden; (8) [ぼたんを〜] dichtdoen; vastmaken; [錠を〜] sluiten; grendelen; vergrendelen; (9) [電話を〜] telefoneren; bellen; opbellen; een telefoontje plegen; [電報を〜] telegraferen; (10) wegen; het gewicht vaststellen; (11) vermenigvuldigen; (12) [望みを〜] een wens doen; z'n hoop vestigen op; [問いを〜] richten; [思いを〜] verliefd worden op; [人に…の疑いを〜] aankijken op; (13) [税を〜] opleggen; heffen; [面倒を] berokkenen; veroorzaken; bezorgen; aandoen; [心配を〜] met bezorgdheid vervullen; bezorgdheid teweegbrengen; zorgwekkend zijn; zorgen baren; verontrusten; troebleren; (14) [機械を〜] aanzetten; [目覚し時計を〜] zetten; [みしんを〜] met; op de machine naaien; [あいろんを〜] strijken; [れこーど;CDを〜] opzetten; afdraaien; [時計のねじを〜] opwinden; (15) [暇;金を〜] besteden aan; (16) [賞金を〜] uitloven; (17) [診療に〜] onder medische behandeling plaatsen; onderwerpen aan; laten opnemen; [裁判に] voor het gerecht brengen; voor de rechter brengen; voorbrengen; laten voorkomen; consulteren; (18) [雌牛を雄牛に〜] stieren; naar; onder de stier brengen; laten paren; laten bollen; (19) [心に〜] denken aan; in acht nemen; in gedachten houden; voor ogen houden; rekening houden met; zich aantrekken; ter harte nemen; indachtig zijn; gedachtig zijn; onthouden
you (1) voorkomen; het eruitzien; aanblik; indruk; (2) [aangehecht aan de ren'yōkei]; (3) zó(danig) dat ~; (in) voege (dat) ~; opdat ~; teneinde dat ~; met het doel dat ~; om ~; zoals ~; naar ~; (4) op ~ wijze; naar de wijze van ~; à la ~; à l'instar ~; ad instar ~; in de stijl van ~; in de vorm van ~; -achtig
次第 shidai (1) volgorde; programma; (2) omstandigheden; toedracht; (3) volgens ~; naar ~; op ~; al naargelang (van); afhankelijk (zijn) van; het ligt aan ~; het is aan ~; afhangen van; (4) zodra (als); zo gauw; meteen (als; toen ~); direct bij ~; na ~ [i.c.m. ren'yōkei van een dōshi]
気障な kizana (1) geaffecteerd; gemaakt; gekunsteld; gemaniëreerd; aanstellerig; nuffig; precieus; (2) verwaand; laatdunkend; zelfingenomen; zelfvoldaan; pedant; betweterig; waanwijs; fatterig; kwasterig; bekakt; opgeschroefd; opgeblazen; blasé; snobistisch; pretentieus; omhooggevallen; arrogant; (3) onaangenaam; naar; misselijk; walgelijk; afstotelijk; verfoeilijk; afschuwelijk; weerzinwekkend; afkeerwekkend; afschuwwekkend; (4) opzichtig; opvallend; showy; flashy; protserig; pompeus
浅ましい asamashii (1) gemeen; laag; vuig; min; verachtelijk; laag-bij-de-gronds; laaghartig; eerloos; onwaardig; schaamteloos; schandelijk; veil; waardeloos; (2) ellendig; wreed; naar; miserabel; erbarmelijk; jammerlijk; betreurenswaardig; beklagenswaardig; (3) schamel; pover; onaanzienlijk; armzalig; (4) onverwacht; onvoorzien; verrassend; (5) teleurstellend; ontluisterend; spijtig; sneu; (6) erg; enorm; ontzettend; (7) [~なる] aan zijn eind komen; sterven
物凄い monosugoi (1) vreselijk; verschrikkelijk; eng; afschuwelijk; afgrijselijk; afgrijslijk; gruwelijk; akelig; beangstigend; angstaanjagend; affreus; schrikwekkend; vreeswekkend; afschuwwekkend; huiveringwekkend; ijselijk; ijzingwekkend; griezelig; luguber; naar; macaber; (2) onthutsend; ontstellend; ontzaglijk; ontzagwekkend; ontzettend; erg; verpletterend; enorm; overweldigend; ellendig; geducht; formidabel; reusachtig; hels; razend; [fig.] moorddadig; (3) geweldig; fantastisch; prachtig; knap; buitengewoon [goed]
由々しい yuyushii (1) extreem; erg; ernstig; serieus; bedenkelijk; (2) ontzaglijk; ontzagwekkend; [veroud.] ontzagbaar; (3) onheilspellend; ongunstig; omineus; onzalig; sinister; noodlottig; gedoemd; (4) vervelend; onaangenaam; ergerlijk; naar; (5) prachtig; schitterend; prima; magnifiek; grandioos
登校する toukousuru naar; op school gaan; op school komen; een school bezoeken; schoolgaan
相変わらず;相不変 aikawarazu zoals gebruikelijk; zoals gewoonlijk; zoals altijd; net (hetzelfde; dezelfde) als anders; als steeds; naar; volgens gewoonte; gewoontegetrouw; op gebruikelijke wijze; zoals iem. pleegt te doen; zoals iem. gewoon is te doen; [form.] ouder gewoonte; [Lat.] ut semper; [afk.] u.s.
行き iki (1) het gaan; het reizen; reis; (2) heenreis; uitreis; (3) [na een substantief dat aan een plaats refereert] met de bestemming ~; gaande naar ~; naar ~
行き;往き;行;往 yuki (1) vertrek; afvaart; afreis; heenreis; heenrit; heenvlucht; heenweg; (2) reis; tocht; trek; trip; koers; vaart; gang; loop; beloop; het stevenen; het tijgen; het zich begeven; het heengaan; (3) heenreisbiljet; kaartje enkele reis; enkeltje; (4) met bestemming ~; naar ~
通り toori (1) straat; verkeersweg; (2) passage; (doorgaand) verkeer; mouvement; doorgang; (3) doorstroming; doorloop; ventilatie; [m.b.t. stem] bereik; doordringendheid; penetrantie; (4) reputatie; populariteit; [m.b.t. handel] goodwill; (5) aannemelijkheid; begrijpelijkheid; (6) zoals; als; naar; volgens; conform; overeenkomstig; in overeenstemming met; gelijkaardig met; op de wijze van; [arch.] gelijk; (7) [maatwoord voor manieren;wijzen;trants;soorten enz.]; (8) [maatwoord voor het aantal keren]; (9) ongeveer; om en bij; om en nabij; circa; plusminus; [inform.] pakweg
fuu (1) gewoonte; gebruik; neiging; (2) manier; wijze; voege; trant; stijl; type; soort; (3) air; allure; voorkomen; uiterlijk; houding; aanzicht; (4) zoals ~; op de manier van ~; in de stijl van ~; à la ~; naar ~
食らい付く kuraitsuku (1) vastbijten; toebijten; aanbijten; z'n tanden zetten in; bijten in; naar; happen in; naar; (2) zich vastbijten in; zich vastklemmen aan; (3) [fig.] toehappen; toebijten; ingaan op
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.67 sec. jiten.nl: 14 treffers, warandict: 42 treffers (zoekopdracht: 'naar'). 
2005-2026