RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <moed>
ガッツ gattsu guts; lef; durf; moed
元気 genki (1) energie; vitaliteit; levenskracht; fut; pit; pittigheid; veerkracht; kracht; (2) geestkracht; wilskracht; energieke vastbeslotenheid; (3) gezondheid; welzijn; kracht; energie; (4) moed; dapperheid; flinkheid; onverschrokkenheid; vermetelheid; vuur; kloekheid; (5) vrolijkheid; opgeruimdheid; blijheid; lichte stemming; (6) energiek; levendig; vol levenskracht; vol fut; pittig; veerkrachtig; krachtig; (7) vol van geestkracht; vol van wilskracht; vastbesloten; vastberaden; vast van wil; kordaat; (8) gezond; niet ziek; verkerend in een toestand van fysiek en psychisch welbevinden; verkerend in een toestand van volkomen welzijn; (9) moedig; dapper; onverschrokken; koen; flink; vermetel; vol vuur; kloek; (10) vrolijk; opgeruimd; in lichte stemming; blij
力 chikara (1) kracht; macht; energie; force; invloed; potentie; [i.h.b.] geweld; [volkst.] forsie; (2) sterkte; kracht; moed; (3) hulp; behulp; middelen; (4) kracht; inspanning; moeite; (5) vermogen; kunnen; capaciteit; bekwaamheid; vaardigheid
勇 yū (1) moed; durf; lef; dapperheid; courage; heldhaftigheid; heroïsme; (a) moedig; dapper zijn
勇み isami (1) zelfverzekerdheid; assertiviteit; (2) moed; dapperheid; onverschrokkenheid; manhaftigheid; manmoedigheid; (3) heldenmoed; heldhaftigheid
勇敢 yūkan moed; dapperheid; onverschrokkenheid; bravoure; koenheid; vermetelheid; heldhaftigheid; stoutheid; heldenmoed; heroïsme
勇気 yūki moed; dapperheid; durf; lef; courage
度胸 dokyō moed; lef; durf; flinkheid; sterkte; hart; guts; [vulg.] ballen; [gew.] courage
心臓 shinzō (1) hart; [attr.] cardiaal; [attr.] cardio-; [inform.] rikketik; [inform.] tikker; (2) [fig.] hart; kern; (3) lef; moed; brutaliteit; durf; hart
意気 iki (1) energie; lust; zin; [Belg.N.] goesting; graagte; geestdrift; ijver; enthousiasme; (2) lef; durf; moed; pit; spirit; flinkheid; karakter; moreel; daadkracht; (3) aard; karakter; gemoed; hart
意気地 ikuji (1) volharding; doorzettingsvermogen; daadkracht; persistentie; aanhoudendheid; vasthoudendheid; standvastigheid; hardnekkigheid; karaktersterkte; vastheid van karakter; (2) moed; durf; lef; courage; ruggengraat
根性 konjō (1) karakter; aard; natuur; geest; instelling; mentaliteit; ingesteldheid; (2) lef; karakter; wilskracht; flinkheid; durf; moed; guts; [inform.] ballen
武 bu (1) vechtkunsten; krijgskunst; (2) militaire macht; [meton.] zwaard; (3) dapperheid; moed; heldhaftigheid; (4) militair; krijgsman; (a) dapper; moedig; heldhaftig; (b) oorlog; militaire zaken; (c) provincie Musashi
気力 kiryoku (1) wilskracht; karakter; [sportt.] moraal; (2) energie; vaart; drive; kracht; vitaliteit; gedrevenheid; (3) ruggengraat; doorzettingsvermogen; moed; durf; pit; lef
気骨 kikotsu [fig.] ruggengraat; wilskracht; geestkracht; energie; vastberadenheid; flinkheid; karakter; moed; durf; spirit; pit
肝 kimo (1) [anat.] lever; hepar; (2) inwendige organen; ingewanden; (klein) geweide; gewei; [m.b.t. vis] grom; (3) [fig.] lef; durf; moed
骨 hone (1) bot; been; [i.h.b.] schonk; balein; graat; [i.h.b.] knekel; doodsbeen; (2) gebeente; geraamte; skelet; beenderen; karkas; (3) raamwerk; kader; opzet; hoofdlijn; kern; essentie; (4) ruggengraat; karakter; wilskracht; pit; moed; (5) moeite; inspanning; zwaar werk