日蘭辭典+

105 resultaten voor ‘rustig’
日蘭辭典 (trefwoord)
ankyo suru安居する
anmin安眠
zn. diepe slaap m.; rustige slaap m. ¶ 安眠する rustig slapen; goed slapen. (俗) lekker slapen.
an-on安穩
(安穏) zn. vrede m.; rust v. ¶ 安穩な vredig; rustig.
anshin安心
zn. gemoedsrust v.; vertrouwen o. ¶ 安心の出來ぬ人物 iemand, met wien men zich niet op zijn gemak gevoelt. ¶ 安心な rustig. ¶ 安心さす geruststellen. ¶ 安心する gerust zijn; vol vertrouwen zijn. ¶ ほっと安心する een zucht van verlichting slaken. ¶ これで大きに安心到しました dit is mij een pak van het hart.
anzen安全
zn. veiligheid v.; zekerheid v. ¶ 保護預り safe deposit. ¶ 安全瓣 veiligheidsklep. ¶ 安全止 pal. ¶ 安全ピン veiligheidsspeld. ¶ 安全率 veiligheidscoëfficient; marge. ¶ 安全倉庫 brandkluis. ¶ 安全器 (電氣) loodzekering. ¶ 安全な veilig. ¶ 安全に veilig; rustig.
yasui安い
bn. (1) [安意] vredig; rustig. (2) [安價] goedkoop; laag in prijs. ¶ 安く買ふ voordelig koopen. ¶ 安く見る niet naar waarde schatten. ¶ も少し安くしておけ laat nog wat van den prijs vallen. ¶ 安からぬ心地 ongerustheid.
shizuka na靜な
(静かな) bn. rustig; stil; kalm; zacht.
shizuka ni靜に
(静かに、静に) bw. rustig; stil; kalm; zacht; zachtjes. ¶ 靜にする kalmeeren. ¶ 靜にしろ stilte! wees stil! ¶ まあ靜に houd je kalm. ¶ 心靜に考へて見給へ denk er eens kalm over na.
taizen泰然
yūyū悠悠

bw. kalm; op z'n gemak; rustig. ¶ 悠々たる kalm; rustig; uitgestrekt.

yūzen悠然

bw. kalm; rustig.

yūyō悠容

zn. kalmte v. ¶ 悠容たる kalm; rustig; zeker van zichzelf; zelfbewust.

yomiji黃泉

(黄泉) zn. de andere wereld v. ¶ 黃泉の障り beletsel om rustig te sterven.

yasurakana安らかな
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <rustig>
おっとりした ottorishita relaxed; rustig; kalm; onverstoorbaar
しっとり shittori (1) vochtig; nat; nattig; (2) rustig; kalm; bedaard; (3) bevallig; gracieus; elegant
しんみりした shinmirishita (1) rustig; zacht; stil; (2) intiem; vertrouwelijk; persoonlijk; innig; confidentieel; (3) [~話] ontroerend; aandoenlijk
じっくり jikkuri rustig; kalm; niet overhaast; bezadigd; zorgvuldig; grondig; bedachtzaam; voldoende
じっと jitto (1) rustig; kalm; stil; onbeweeglijk; roerloos; bedaard; (2) [m.b.t. blik] star; onafgewend; geconcentreerd; aandachtig; (in)gespannen; strak; onbeweeglijk; vast; (3) geduldig; volhardend; lijdzaam; lankmoedig; volhoudend; lijdelijk; gelaten; met geduld; kalm
そっと sotto (1) stilletjes; zachtjes; lichtjes; rustig; rustigjes; (2) stiekem; stiekempjes; geniepig; stilletjes; tersluiks; heimelijk; steels; sluiks; onopvallend; in stilte; in het geniep; geheim; sub rosa; ondershands; verstolen; (3) ongemoeid; met rust
のんびり nonbiri onbezorgd; onbekommerd; zorgeloos; kommerloos; gemakkelijk; luilekker; kalmpjes; rustig; kalm; op zijn gemak; ontspannen; behaaglijk; relaxed
ひっそり hissori (1) stil; rustig; geluidloos; (2) verlaten; uitgestorven; (3) onopvallend; discreet; ongemerkt
ゆっくり yukkuri (1) kalm; rustig; op zijn gemak; kalmpjes; bedaard; gelaten; ontspannen; relaxed; (2) langzaam; ongehaast; traag; traagjes; (3) ruimschoots; ruim; rijkelijk; genoeg; (meer dan) voldoende; uitvoerig; volop; [tijd] zat; comfortabel
ゆっくりと yukkurito (1) kalm; rustig; op zijn gemak; kalmpjes; bedaard; gelaten; ontspannen; relaxed; (2) langzaam; ongehaast; traag; traagjes; (3) ruimschoots; ruim; rijkelijk; genoeg; (meer dan) voldoende; uitvoerig; volop; [tijd] zat; comfortabel
ゆったりした yuttarishita (1) kalm; rustig; bezadigd; bedaard; ongehaast; ontspannen; relaxed; (2) [〃着物] wijd; ruim; soepel; slobberig; loszittend
アダルト adaruto (1) pornografisch; porno-; erotisch; seks-; (2) volwassen; matuur; rijp; adult; [~なムード] rustig; kalm
クール kūru (1) [tv;radio] seizoen (van dertien weken); (2) [geneesk.] kuur; (3) Kool [= sigaret]; (4) [comp.] Cuil [= zoekmachine]; (5) Cœur; [myth.] Cumhall; Cumal; (6) Chur; (7) koel; fris; (8) kalm; rustig; bedaard; (9) koel; onderkoeld; ongeëmotioneerd; kil
スヤスヤ suyasuya [~と眠る] rustig; zachtjes; vredig
優しい;恥しい yasashii (1) zacht; [m.b.t. stem] rustig; teder; mild; braaf; suave; zoet [als een lammetje]; (2) gracieus; bevallig; elegant; sierlijk; (3) vriendelijk; aardig; lief; liefdevol; minzaam; lieflijk; zachtaardig; goedaardig; goed; -vriendelijk [b.v. klantvriendelijk]; (4) attent; zorgzaam; begaan met; medelevend met; oplettend; bezorgd; voorkomend; gedienstig; (5) zich klein voelen; zich nietig voelen; zich schamen; zich generen; beschaamd zijn; zich opgelaten voelen; zich niet op zijn gemak voelen; in verlegenheid gebracht zijn [meestal 恥しい gespeld]; (6) nederig; teruggehouden; ootmoedig; modest; deemoedig; braaf [meestal 恥しい gespeld]
円い marui (1) rond; circulair; [~顔;月] vol; (2) sferisch; bolrond; bol; (3) minzaam; aardig; rustig; kalm
円満 enman rustig; vreedzaam; evenwichtig; vlot; harmonieus; aardig; vriendelijk; vriendschappelijk; amicaal; minzaam; welwillend; verzoenend; minnelijk; suave; bevredigend; probleemloos; aanvaardbaar
円満な enmanna rustig; vreedzaam; evenwichtig; vlot; harmonieus; aardig; vriendelijk; vriendschappelijk; amicaal; minzaam; welwillend; verzoenend; minnelijk; suave; bevredigend; probleemloos; aanvaardbaar
円満に enmanni rustig; vreedzaam; evenwichtig; vlot; harmonieus; vriendschappelijk; amicaal; minnelijk; in der minne; probleemloos; aanvaardbaar
冷静 reisei (1) kalmte; koelbloedigheid; bedaardheid; zelfbeheersing; rust; onverstoorbaarheid; tegenwoordigheid van geest; bezadigdheid; flegma; contenantie; contenance; aplomb; (2) koelbloedig; koel; kalm; bedaard; beheerst; rustig; bezadigd; onaangedaan; onberoerd; sereen; onverstoorbaar; flegmatisch; flegmatiek; gelijkmatig; gelijkmoedig
和やか nagoyaka vredig; harmonisch; rustig; vreedzaam; aangenaam; mild; aimabel; sympathiek; lief
地味な jimina (1) sober; eenvoudig; ongekunsteld; niet opzichtig; onopvallend; pretentieloos; ingetogen; [~色] zacht; rustig; stemmig; gedekt; (2) onopvallend; bescheiden; discreet; gereserveerd; terughoudend; teruggetrokken; niet opdringerig
地味 jimi (1) sober; eenvoudig; ongekunsteld; niet opzichtig; onopvallend; pretentieloos; ingetogen; [m.b.t. kleuren] zacht; [m.b.t. kleuren] rustig; [m.b.t. kleuren] stemmig; [m.b.t. kleuren] gedekt; (2) onopvallend; bescheiden; discreet; gereserveerd; terughoudend; teruggetrokken; niet opdringerig
大らか ōraka (1) tolerant; verdraagzaam; ruimdenkend; onbekrompen; grootmoedig; groothartig; genereus; (2) rustig; kalm; beheerst; bedaard; sereen; zichzelf meester
大人しい otonashii (1) zacht; (2) rustig; bedaard; kalm; stil; (3) gehoorzaam; volgzaam; gedwee; gewillig; zoet; gezeglijk; meegaand; inschikkelijk; (4) [m.b.t. dieren] tam; getemd; mak; niet wild; (5) zoet; braaf; goed; niet stout; (6) bescheiden; nederig; ingetogen
大人しく otonashiku kalm; rustig; gedwee; mak; gehoorzaam
安い;廉い yasui (1) goedkoop; voordelig; schappelijk; laaggeprijsd; redelijk (geprijsd); billijk; profijtig; zacht [prijsje]; laag [b.v. interest]; bon-marché; [inform.] gepikt; (2) onbekommerd; onbezorgd; zonder zorgen; op zijn gemak; zorgeloos; [m.b.t. gemoed] luchtig; (3) kalm; rustig; [m.b.t. verloop] onbewogen; bedaard; (4) nederig; eenvoudig; onaanzienlijk; gering; ondergeschikt; minder(waardig); laag(geboren); inferieur; min [denken over iemand]; (5) grof; gemeen; plat; laag; laag-bij-de-gronds; vulgair; goedkoop; ordinair; onbehoorlijk; obsceen; onbeschaafd; [m.b.t. taal] ongekuist; beneden alle peil; laaghartig; smerig; vuig; platvloers; schunnig; vunzig
安らか yasuraka (1) vredig; rustig; vreedzaam; (2) ontspannen; gerust
安らかな yasurakana (1) vredig; rustig; vreedzaam; (2) ontspannen; gerust
安らかに yasurakani (1) vredig; rustig; vreedzaam; in vrede; (2) ontspannen; gerust; op z'n gemak
安眠する anminsuru rustig; gerust; zacht; zachtjes slapen
安穏 annon (1) vrede; rust; kalmte; (2) vredig; rustig; kalm
安閑 ankan (1) rustig; op z'n gemak; met de armen over elkaar; (2) werkeloos; zonder iets te doen; nietsdoend; passief; lijdzaam
an (a) kalm; rustig; (b) simpel; eenvoudig; (c) goedkoop
yasu (1) goedkoopheid; goedkoopte; [veroud.] goedkoop; (2) Yasu; (a) goedkoop; karig; (b) in waarde verminderd; lager gewaardeerd; (c) lichtvaardig; onbezonnen; (d) vredig; rustig; comfortabel
yuta rustig; kalm; ontspannen
平ら taira (1) effen; vlak; gelijk; glad; plat; egaal; waterpas; geheel horizontaal; zonder oneffenheden; (2) in een gemakkelijke houding; comfortabel; (3) kalm; rustig; bedaard; beheerst; evenwichtig; stabiel; gelijkmatig
平らな tairana (1) effen; vlak; gelijk; glad; plat; egaal; waterpas; geheel horizontaal; (2) comfortabel; (3) kalm; rustig; bedaard; beheerst; evenwichtig; stabiel; gelijkmatig
平和 heiwa (1) vrede; (openbare) rust; openbare orde; (2) vrede; pais en vree; [Lat.] pax; (3) vredig; rustig; (4) vreedzaam; vredelievend; irenisch
平和に heiwani vreedzaam; in vrede; vredig; in rust en vrede; rustig; harmonisch; minnelijk; minlijk; in der minne
平和的 heiwateki vreedzaam; vredig; vredelievend; rustig; minnelijk; minlijk; harmonisch
平和的な heiwatekina vreedzaam; vredig; vredelievend; rustig; minnelijk; minlijk; harmonisch
平和的に heiwatekini vreedzaam; in vrede; vredig; in rust en vrede; rustig; harmonisch; minnelijk; minlijk; in der minne
平安 heian (1) vrede; rust; kalmte; vredigheid; tranquilliteit; [veroud.;lit.t.] pais; [veroud.;lit.t.] peis; (2) Heian; (3) vredig; rustig; kalm; sereen; placide; [gew.] tranquil
平気 heiki (1) kalmte; onverstoorbaarheid; gelijkmoedigheid; rust; (2) onverschilligheid; gelatenheid; indifferentie; (3) kalm; rustig; beheerst; gelaten; gelijkmoedig; onbewogen; ijzig; onaangedaan; ongeroerd; onberoerd; onverstoorbaar; (4) onverschillig; ongevoelig; indifferent; niet onder de indruk van ~; er geen invloed van ondervinden; zich niet aantrekken; ~ doet iemand niets; ~ laat iemand koud
平気な heikina (1) kalm; rustig; beheerst; gelaten; gelijkmoedig; onbewogen; ijzig; onaangedaan; ongeroerd; onberoerd; onverstoorbaar; (2) onverschillig; ongevoelig; indifferent
平然 heizen kalm; rustig; beheerst; onbewogen; bedaard; zichzelf meester; onberoerd; onaangedaan; [Belg.N.] onverstoord
平然たる heizentaru kalm; rustig; beheerst; onbewogen; bedaard; onberoerd; onaangedaan; [Belg.N.] onverstoord
平然と heizento kalm; rustig; beheerst; onbewogen; bedaard; zichzelf meester; onberoerd; onaangedaan; [Belg.N.] onverstoord; met onverstoorbare kalmte; met een uitgestreken gezicht; zonder te verblikken of verblozen
平然とした heizentoshita kalm; rustig; beheerst; onbewogen; bedaard; onberoerd; onaangedaan; [Belg.N.] onverstoord
平然として heizentoshite kalm; rustig; beheerst; onbewogen; bedaard; zichzelf meester; onberoerd; onaangedaan; [Belg.N.] onverstoord; met onverstoorbare kalmte; met een uitgestreken gezicht; zonder te verblikken of verblozen
平穏 heion (1) vrede; rust; vredigheid; vreedzaamheid; (2) openbare orde; (3) kalm; rustig; vredig; vreedzaam; sereen
hei (1) effenheid; vlakheid; gelijkheid; het effen-zijn; het vlak-zijn; (2) kalmte; gelijkmatigheid; rust; evenwicht; (a) vlak; effen; plat; horizontaal; (b) rustig; kalm; gematigd; (c) gewoon; alledaags; (d) onpartijdig; fair; (e) pacificeren; tot rust brengen; (f) gemakkelijk; eenvoudig; (g) [wisk.] kwadraat; tweede macht; (h) [Jap.gesch.] de Taira; [letterk.] Heike monogatari
(a) veilig en wel; rustig; (b) gezond
徐ろに omomuroni (1) langzaam; traag; in een langzaam tempo; ongehaast; slenterig; op z'n gemak; (2) kalm; kalmpjes; bedaard; rustig; rustigjes; geposeerd; sereen
悠々 yūyū (1) onmetelijk; uitgestrekt; ruim; (2) rustig; kalm; bedaard; ontspannen; er de tijd voor nemend; (3) ruim; ruimschoots; comfortabel
揺ら揺ら yurayura (1) zwiepend; schommelend; heen en weer gaand; bewegend; zwaaiend; slingerend; deinend; wiegend; (2) trillend; flakkerend; flikkerend; zinderend; (3) kalm; rustig; op z'n gemak; kalmpjes; ontspannen
晏如 anjo kalm; rustig
沈着 chinchaku (1) kalmte; bedaardheid; zelfbeheersing; evenwicht; aplomb; (2) kalm; rustig; bedaard; beheerst
沈静 chinsei (1) stilte; stilheid; (2) rust; kalmte; tranquilliteit; (3) [hand.] stilstand; stagnatie; slapte; slapheid; (4) stil; (5) rustig; kalm; (6) [hand.] slap; flauw; gedrukt; mat; stagnant
泰然 taizen kalm; rustig; bedaard; bezadigd; onbewogen; beheerst; onverstoord; onaangedaan
淑やか shitoyaka rustig; bedaard; ingetogen; stemmig; modest; zedig; bevallig; elegant; waardig
淑やかな shitoyakana rustig; bedaard; ingetogen; stemmig; modest; zedig; bevallig; elegant; waardig
淑やかに shitoyakani rustig; bedaard; ingetogen; stemmig; modest; zedig; bevallig; elegant; waardig
淡々 tantan (1) [~とした色] licht; bleek; zacht; flauw; flets; (2) kalm; rustig; sereen; koel; onaangedaan; onberoerd; stoïcijns; gelijkmoedig; gelaten; ongeïnteresseerd; onverschillig; (3) kabbelend; kalm vloeiend
無事 buji (1) veiligheid; welzijn; welvaren; integriteit; gaafheid; ongeschondenheid; heelheid; (2) afwezigheid van incidenten; kalmte; rust; vrede; (3) veilig en wel; gezond en wel; fris en gezond; buiten gevaar; onbeschadigd; behouden; ongewond; zonder kleerscheuren; zonder een schrammetje; heel; heelhuids; gaaf en ongeschonden; intact; ongekrenkt; onverlet; ongedeerd; ongehavend; in goede orde; (4) zonder incidenten; zonder voorvallen; zonder ongelukken; kalm; rustig; vredig; bedaard; weinig bewogen; onbewogen; rimpelloos; probleemloos
片隅 katasumi (1) hoek; hoekje; (2) rustig; verborgen hoekje; schuilhoek
片隅 hengū (1) hoek; hoekje; (2) rustig; verborgen hoekje; schuilhoek
穏やか odayaka (1) rust; bedaardheid; kalmte; geneigdheid het hoofd koel te houden; (2) stilte; geruisloosheid; roerloosheid; (3) mildheid; zachtheid; zachtaardigheid; welwillendheid; weldadigheid; gematigd karakter; niet agressief karakter; verzoeningsgezindheid; (4) vredigheid; vrede; harmonie; evenwicht; (5) rustig; bedaard; kalm; het hoofd koel houdend; (6) stil; geruisloos; roerloos; (7) mild; zacht; zachtaardig; welwillend; weldadig; gematigd; niet agressief; verzoeningsgezind; (8) vredig; vredevol; harmonieus; evenwichtig
穏やかな odayakana (1) rustig; bedaard; kalm; het hoofd koel houdend; (2) stil; geruisloos; roerloos; (3) mild; zacht; zachtaardig; welwillend; weldadig; gematigd; niet agressief; verzoeningsgezind; (4) vredig; vredevol; harmonieus; evenwichtig
穏便 onbin (1) minnelijk; vreedzaam; rustig; sereen; (2) besloten; vertrouwelijk
納まり返る osamarikaeru (1) volkomen tevreden zijn; (2) rustig; onverstoord blijven; (3) zelfvoldaan; zelfgenoegzaam; zelfingenomen zijn
緩々 yuruyuru (1) traag; langzaam; ongehaast; lijzig; (2) ontspannen; op z'n gemak; kalmpjes; niet gejaagd; (3) slap; zacht; buigzaam; (4) [髪の毛が] weelderig; (5) uitgestrekt; omvangrijk; uitgebreid; (6) slobberig; flodderig; (7) waterig; (8) rustig; vredig; kalm
緩やか;寛やか yuruyaka (1) los; vrij; ongehinderd; ontspannen; soepel; (2) inschikkelijk; mild; coulant; gematigd; grootmoedig; edelmoedig; toegeeflijk; toegevend; inschikkelijk; goedig; lankmoedig; laks; indulgent; tolerant; verdraagzaam; (3) kalm; geleidelijk; rustig; matig; zacht; (4) loszittend; ruim; wijd
緩やかな;寛やかな yuruyakana (1) los; vrij; ongehinderd; ontspannen; soepel; (2) inschikkelijk; mild; coulant; gematigd; grootmoedig; edelmoedig; toegeeflijk; toegevend; inschikkelijk; goedig; lankmoedig; laks; indulgent; tolerant; verdraagzaam; (3) kalm; geleidelijk; rustig; matig; zacht; (4) loszittend; ruim; wijd
緩るか yururuka (1) los; slap; (2) kalm; ontspannen; rustig; losjes; (3) sluik; soepel; weelderig
落ち着いた ochitsuita kalm; rustig; bedaard; beheerst; bezadigd; onbewogen; flink
落ち着きのある ochitsukinoaru kalm; rustig; bedaard; beheerst; onaangedaan; bezadigd; evenwichtig; zichzelf meester; onverstoorbaar; [Belg.N.] onverstoord
落ち落ち ochiochi [~…ない] rustig; kalm; in alle rust
藹々 aiai (1) dichtbegroeid; (2) overvloedig; rijk; vruchtbaar; (3) kalm; rustig; mild; zacht
nan (a) zacht; week; soepel; (b) rustig; mild
遅々 chichi (1) [仕事が] traag; langzaam; loom; sloom; log; [gew.] lijzig; (2) [春の日が] kalm; luilekker; rustig; mild; (3) laat; verlaat; tardief; vertraagd; opgehouden; met vertraging; oponthoud; achterblijvend; talmachtig; treuzelig
長閑;閑 nodoka (1) kalm; vredig; rustig; stil; sereen; (2) mild; zacht; zoel
長閑な;閑な nodokana (1) kalm; vredig; rustig; stil; sereen; (2) mild; zacht; zoel
roku (1) zes; (2) vlak; effen; (3) recht; correct; (4) gelijkmoedig; kalm; rustig; ontspannen; (5) vredig; vreedzaam; (6) [~ない] niet zoals het hoort; niet voldoende; niet degelijk; (a) land; vasteland; (b) gewoon; alledaags
静か;閑か shizuka (1) rustig; kalm; stil; bedaard; gerust; placide; vredig; vreedzaam; sereen; [pred.] koest; [inform.] gedeisd; [m.b.t. regen] mild; [muz.] quieto; [muz.] tranquillo; [muz.] tranquillamente; (2) stil; zacht; rustig; geluidloos
静かな;閑かな shizukana (1) rustig; kalm; stil; bedaard; gerust; placide; vredig; vreedzaam; sereen; [pred.] koest; [inform.] gedeisd; [m.b.t. regen] mild; (2) stil; zacht; rustig; geluidloos
静かに shizukani (1) rustig; kalm; stil; bedaard; gerust; placide; vredig; vreedzaam; sereen; koest; [inform.] gedeisd; [muz.] quieto; [muz.] tranquillo; [muz.] tranquillamente; (2) stil; zacht; rustig; geluidloos
静粛 seishuku (1) rust; kalmte; stilte; orde; (2) rustig; kalm; stil; ordelijk
rustig; kalm
rei (a) aantrekkelijk; mooi; (b) rustig; zacht
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.98 sec. jiten.nl: 14 treffers, warandict: 91 treffers (zoekopdracht: 'rustig'). 
2005-2026