RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <verslappen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
伸びる nobiru (1) groeien; in lengte toenemen; rekken; strekken; [w.g.] uitrekken; (2) zich strekken; gestrekt raken; [van kreuken e.d.] vlak worden; glad worden; uitgestreken raken; (3) verslappen; verweken; murwen; (4) vooruitgaan; beter worden; groeien; zich ontplooien; stijgen; toenemen; (5) zich (goed) laten uitsmeren; (goed) uitsmeren; (goed) smeren; (6) uitgeteld raken; uitgevloerd raken; knock-out gaan; geradbraakt raken; uitgeput raken; afgesloofd raken; afgemat raken; de rek gaat eruit; bekaf raken; afgepeigerd raken; afgeknoedeld raken; murw raken; voor Pampus gaan liggen; tegen de vlakte gaan
冷める sameru (1) afkoelen; koelen; koud worden; (2) bekoelen; koelen; betijen; bedaren; luwen; minder worden; flauwer worden; verslappen; verflauwen; verkillen; afnemen; verminderen; slinken; [fig.] tanen; afslijten; [ook m.b.t. koorts] slijten; [m.b.t. koorts] dalen; [m.b.t. koorts] zakken
和らぐ yawaragu milder; zachter worden; verslappen; bedaren; zich matigen; afnemen; verminderen; minder (intens; streng) worden; luwen; [風が] gaan liggen
弛む tayumu (1) verslappen; slap worden; (2) bedaren; luwen; (3) verwaarlozen; verzuimen; nalatig zijn; het laten afweten; met iets sloffen; zich minder inspannen; [i.h.b.] z'n aandacht laten verslappen; slordig worden in het werk; (4) slap hangen; doorhangen; doorzakken; doorbuigen; (5) lusteloos worden; futloos worden; sloom worden
弛む tarumu (1) verslappen; slap worden; doorhangen; slap hangen; doorzakken; doorbuigen; (2) verflauwen; flauw worden; laks worden; minder alert worden; zich minder inspannen; [econ.] slabakken
弛緩する shikansuru slapper worden; verslappen; [w.g.] ontspannen
弱まる yowamaru verzwakken; zwak; zwakker worden; verslappen; minder intensief worden; verminderen; afnemen; verflauwen; bekoelen; [風が~] gaan liggen
弱る yowaru (1) verzwakken; zwak; zwakker worden; achteruitgaan; verminderen; afnemen; verflauwen; verslappen; minder worden; teruglopen; [過労で] uitgeput raken; opraken; ervan weten; een klop van de hamer krijgen; [fig.] een kater hebben; (2) in de knel raken; in een moeilijke situatie raken; in de penarie raken; ten einde raad zijn; geen raad meer weten; van z'n stuk gebracht worden; niet weten wat te doen; in de rats zitten; ermee omhoog zitten; opgelaten zijn met; in z'n maag zitten met; [Belg.N.] verveeld zitten; (3) de dupe zijn; de sigaar zijn; erbij zijn; [volkst.] gesjochten zijn; (4) in de put raken; gedeprimeerd raken; ontmoedigd raken; zich verslagen voelen; neerslachtig worden; depressief worden; terneergeslagen raken; versomberen; somber worden; de fut verliezen; mismoedig worden; flippen
気が抜ける kiganukeru (1) zin verliezen; de moed verliezen; ontmoedigd raken; genoeg hebben van; (2) verschalen; geur; pit; smaak; kracht verliezen; verslappen; verflauwen; vervlakken; (3) versuft raken; bewustzijn verliezen
笑う;咲う;嗤う warau (1) lachen; (2) ontluiken; uitbotten; uitkomen; bloeien; (3) uitlachen; ridiculiseren; (4) verslappen
緩む;弛む yurumu (1) losgaan; loskomen; losraken; los(ser) worden; gaan loszitten; [Belg.N.] lossen; (2) ontspannen; verslappen; verminderen; afnemen; slappen; slabakken; verflauwen; vervlakken; kwijnen; [すぴーどが] minderen; [勾配が] minder steil; scherp worden; [氷が] smelten; (3) [気が] relaxen; ontstressen; [fig.] de teugels vieren; [m.b.t. aandacht] scherpte; intensiteit verliezen
緩める;弛める yurumeru (1) los; losser maken; losknopen; lossen; laten verslappen; vieren; loos geven; ontspannen; minder strak (doen) zijn; (2) [すぴーどを] minderen; verminderen; [勾配を] minder steil maken; (3) [警戒を] (laten) verslappen; laten verflauwen
緩和する kanwasuru (1) versoepelen; verslappen; (2) versoepelen; verslappen; losser maken; verlichten; lenigen; [痛みを] bedaren
萎える naeru (1) [体力が] verkwijnen; minder worden; zwakker worden; afnemen; (2) verwelken; verleppen; verflensen; verdorren; verschrompelen; kwijnen; (3) [fig.] luwen; bekoelen; vervlakken; getemperd raken; vervliegen; verslappen; verflauwen
薄くする usukusuru verdunnen; aanlengen; afzwakken; verzwakken; verslappen; verwateren; verflauwen; zwakker; lichter maken; dilueren
薄める usumeru (1) verdunnen; dunner maken; (2) [de smaak] flauwer maken; verslappen; [m.b.t. whisky] verdunnen met water; aanlengen; (3) bleken
鈍る namaru (1) bot worden; stomp worden; afstompen; (2) [腕が] (erop) achteruitgaan; verzwakken; aan scherpte inboeten; paraatheid verliezen; verslappen; verstoft raken; het laten afweten
鈍る niburu (1) bot worden; stomp worden; afstompen; (2) [腕が] (erop) achteruitgaan; verzwakken; aan scherpte inboeten; paraatheid verliezen; verslappen; verstoft raken; het laten afweten