RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vangen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
ふん縛る funjibaru (1) knevelen; vastbinden; boeien; aan handen en voeten binden; (2) vangen; vatten; inrekenen; arresteren
キャッチする kyatchisuru (1) vangen; pakken; (2) te pakken krijgen; onderscheppen; weten te vangen
取る toru (1) nemen; vatten; pakken; grijpen; hanteren; (2) krijgen; ontvangen; winnen; halen; aannemen; aanvaarden; (3) kiezen; uitkiezen; pikken; (4) vragen; aanrekenen; innen; (5) begrijpen; interpreteren; opvatten; (6) wegnemen; verwijderen; weghalen; (7) vangen; oogsten; binnenhalen; (8) afnemen; afpakken; stelen; pikken; (9) vergen; vereisen; (10) boeken; reserveren; vastleggen; (11) innemen; bezetten
受け止める uketomeru (1) [ぼーるを] vangen; opvangen; onderscheppen; (2) [攻撃を] stuiten; tegenhouden; stoppen; afwenden; afweren; afslaan; weren; pareren; (3) [問題を] aanpakken; tegemoet treden; behandelen; reageren op; (4) [批判を] opnemen; opvatten; oppikken; beschouwen
填める;嵌める hameru (1) [een deur enz.] inmonteren; monteren; fitten; inpassen; vatten; [een diamant enz.] zetten; invatten; inkassen; [goudsm.] kassen; (juist) plaatsen; inzetten; inbrengen; inleggen; [een ring enz.] aandoen; [aan iems. vinger enz.] steken; omdoen; [handschoenen enz.] aantrekken; (2) verstrikken; vangen; foppen; bedotten; bedriegen; in de val laten lopen; beetnemen; [fig.] beethebben; erin laten lopen; bedotten; erin luizen; ertussen nemen; te pakken nemen; [uitdr.] te grazen nemen
引っ掛ける;引掛ける;引っかける;引っ懸ける hikkakeru (1) ophangen (aan); hangen (aan); [i.h.b.] vasthaken; (2) (nonchalant; haastig) aantrekken; [een trui enz.] aanschieten; [zijn kleren] aangooien; (3) spatten (op); bespatten; spetten; plassen; [een vloeistof] uitstorten; (4) [een drankje] achteroverslaan; in één teug legen; [er eentje] achterovergooien; (5) strikken; vangen; verstrikken; verschalken; verlokken; beetnemen; bedotten; om de tuin leiden; in de val laten lopen; iem. in de luren leggen; (6) aanrijden; omverrijden; grijpen
打ち取る uchitoru (1) [sportt.] verslaan; het winnen van; [honkb.] [三振に] (met 3 maal slag) uitgooien; (2) met geweld overvallen; overrompelen; met geweld nemen; zich meester maken van; innemen; veroveren; bemachtigen; (3) gokkend verwerven; (4) vangen; vatten; grijpen; pakken; snappen; verschalken
捕まえる tsukamaeru (1) grijpen; vastgrijpen; pakken; vastpakken; aanvatten; vatten; beetpakken; beetgrijpen; beetnemen; beetkrijgen; [fig.] in de wacht slepen; (2) staande houden; aanklampen; aanschieten; enteren; praaien; bij de lurven grijpen; pakken; vatten; bij de kladden grijpen; bij zijn vodden pakken; (3) vangen; te pakken krijgen; snappen; gevangennemen; in de kraag vatten; grijpen; [i.h.b.] aanhouden; oppakken; opvangen; inrekenen; arresteren
捕らえる toraeru (1) vatten; pakken; grijpen; vangen; snappen; klissen; (2) te pakken krijgen; weten te vangen; [de kans] krijgen; [een idee] aangrijpen; bemachtigen; de hand leggen op; beetpakken; beetkrijgen; beetnemen; weten vast te leggen; [fig.] captiveren; (3) gevangennemen; arresteren; aanhouden; oppakken; inrekenen; [uitdr.] in de kraag vatten; [m.b.t. een bende] oprollen; [Barg.] schutten; (4) snappen; verstaan; komen achter [de waarheid enz.]; (kunnen) volgen; beethebben; begrijpen; bevatten; inzien; omvatten; (5) opvangen; zien; bemerken; gewaarworden; (6) aangrijpen; aanpakken; aandoen; roeren; ontroeren; treffen; raken; een diepe indruk maken op
捕る;獲る;穫る toru (1) [zijn prooi] vangen; verschalken; buitmaken; te pakken krijgen; (2) oogsten; inhalen; [vruchten] plukken; inzamelen
捕捉する hosokusuru (1) grijpen; vangen; vatten; pakken; oppakken; gevangennemen; [れーだーで] opvangen; detecteren; (2) begrijpen; bevatten; snappen; vatten; verstaan
捕獲する hokakusuru vangen; buitmaken; gaan strijken met; [scheepv.] opbrengen
捕 bu pakken; vangen; grijpen
捕 ho (a) pakken; vangen; grijpen; (b) [honkb.] vanger; catcher
撮る toru [写真を] nemen; schieten; [Belg.N.] trekken; [映画を] opnemen; vastleggen; [しーんを] (weten te) vangen; [pregn.] kieken
落とし入れる otoshiireru (1) verschalken; verstrikken; strikken; vangen; verlokken; verleiden; inlokken; in de val lokken; [人を困難に] in een hachelijke situatie brengen; (2) [砦を] innemen; veroveren; onderwerpen; overweldigen; zich meester maken; (3) [硬貨を] inwerpen; ingooien
落とす otosu (1) laten vallen; neergooien; naar beneden gooien; droppen; (2) verliezen; zonder dat men er zich van bewust is iets laten vallen; al gaande ongemerkt laten vallen; kwijtraken; (3) [een vlek] verwijderen; uitwassen; wegwassen; [een baard] afscheren; wegscheren; afschrapen; wegschrapen; (4) innemen; veroveren; doen vallen; bemachtigen; zich meester maken van; (5) weglaten; schrappen; ontdoen van; laten uitvallen; (6) zachter gaan praten; [zijn stem] verstillen; verzachten; [zijn blik] naar de beneden richten; [zijn blik] naar de grond richten; [zijn blik] neerslaan; (7) (zich) verlagen; zich vernederen; degraderen; ontaarden; in waarde verminderen; [het vertrouwen] verliezen; (8) verslechteren; slechter maken; (9) [een duivel;een kwade geest etc.] uitdrijven; [een ziekte;een kwaal etc.] verdrijven; genezen; (10) afdingen; afbieden; pingelen; (11) [een persoon] laten ontsnappen; laten ontkomen; laten vluchten; (12) vangen; in de val laten lopen; te pakken krijgen; (13) [een kandidaat] verwerpen; niet selecteren; niet slagen [voor een examen]; (14) [m.b.t. rakugo 落語] [een verhaal] tot een komisch einde brengen; [een verhaal] eindigen met een rake opmerking; (15) [een schaduw] werpen
陥れる otoshiireru (1) verschalken; verstrikken; strikken; vangen; verlokken; verleiden; inlokken; in de val lokken; [人を困難に] in een hachelijke situatie brengen; (2) [砦を] innemen; veroveren; onderwerpen; overweldigen; zich meester maken