日蘭辭典+

19 resultaten voor ‘wijken’
日蘭辭典 (trefwoord)
yuzuru讓る

(譲る) i.w. (1) [讓步] toegeven. (2) [劣る] de mindere zijn; zich gewonnen geven. t.w. (3) [讓渡] overdragen; afstaan. (4) [讓る] verkoopen. ¶ 位を讓る afstand doen van den troon. ¶ 權利を讓る rechten afstaan. ¶ 店を讓る winkel overdoen. ¶ 一歩讓らぬ geen duimbreed wijken. ¶ 誰にも讓らない bij niemand achterstaan.

wakareru別れる

i.w. zich afscheiden; scheiden; heengaan; uiteengaan; afscheid nemen; zich splitsen (岐出); uit elkaar vallen (分散). ¶ 分れて afzonderlijk. ¶ 仲好く別れる als goede vrienden scheiden. ¶ 東京市は十五區に分れてゐる Tokyo is verdeeld in vijftien wijken.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <wijken>
去る saru (1) verlaten; weggaan (bij; van); vertrekken (bij; van; uit); ervandoor gaan; [gew.] aangaan; ertussenuit knijpen; opstappen; heengaan (van); heenlopen; [i.h.b.] sterven; scheiden (van; uit); [m.b.t. echtgenoot;echtgenote] zich laten scheiden van; zich verwijderen van; aflopen van; weglopen van; verdwijnen; wegkomen; zich wegscheren; [veroud.] zich wegpakken; [inform.] opdonderen; [inform.] ophoepelen; [inform.] opflikkeren; [inform.] oprukken; [w.g.] opdoeken; [studentent.] opzooien; [uitdr.] zich uit de voeten maken; (2) achter zich laten; op [x uur afstand enz.] liggen; afliggen van; verwijderd liggen van; (3) wijken; afnemen; wegtrekken; verdwijnen; overgaan; eindigen; ophouden te bestaan; aflopen; ten einde lopen; voorbijgaan; vergaan; (4) [m.b.t. seizoen;tijdruimte] verstrijken; voorbijgaan; vergaan; [i.h.b.] voorbijvliegen; verlopen; passeren; [fig.] omgaan; [fig.] omlopen; [fig.] omkomen; (5) verwijderen; afhalen; weghalen; wegwerken; uithalen; wegnemen; afdoen; afnemen; verbannen; zich af maken van; (6) zich ontdoen van; bannen; uitbannen; afzetten (van); laten varen; (7) [m.b.t. baan] opgeven; stoppen met; [m.b.t. ambt] neerleggen; verlaten; opzeggen; afstand doen van; bedanken voor; vaarwelzeggen; [m.b.t. toneel] afgaan (van); (8) totaal ~; volledig ~; compleet ~; geheel en al ~; volkomen ~ [voorafgegaan door een ren'yōkei]; (9) jongstleden; [afk.] jl.; laatstleden; [afk.] ll.; ~ dezer; vorige ~; verleden ~; gepasseerde ~
取れる toreru (1) losgaan; loskomen; loslaten; losraken; [m.b.t. vlekken] er uitgaan; [m.b.t. gewenning e.d.] afraken van; eraf gaan; er afgaan; (2) [m.b.t. koorts;pijn;spanning] wijken; overgaan; weggaan; (3) [m.b.t. geld;loon;vrijaf] kunnen krijgen; kunnen verdienen; kunnen vangen; kunnen opstrijken; te innen zijn; beuren; kunnen behalen; kunnen loskrijgen; [m.b.t. polsslag] kunnen opnemen; (4) kunnen opvatten; kunnen opnemen; geïnterpreteerd kunnen worden; (5) [in zijn hand enz.] kunnen houden; kunnen pakken; kunnen nemen; (6) [m.b.t. vis;wild enz.] kunnen vangen; te vangen zijn; kunnen buitmaken; in de wacht kunnen slepen; kunnen bemachtigen
屈する kussuru (1) buigen; plooien; (2) onderwerpen; overwinnen; (3) zich onderwerpen; zich neerleggen; zwichten; zich gewonnen geven; door de knieën gaan; zich overgeven; toegeven; wijken; (4) ontmoedigd raken; de moed verliezen; terugdeinzen; versagen; opgeven
引き下がる hikisagaru zich terugtrekken; terugtreden; wijken; terugkrabbelen; bakzeil halen; toegeven; [fig.] de aftocht blazen
引く hiku (1) trekken (aan); halen; [een hendel;de trekker enz.] overhalen; [naar zich] toetrekken; aanhalen; [een boog] spannen; opspannen; (2) [de aandacht] trekken; [klanten] aantrekken; [sympathie] winnen; [belangstelling] wekken; (3) [een vaartuig] jagen; slepen; [een schip] treilen; [een trekdier] geleiden; leiden; (4) citeren; aanhalen; (5) stammen uit; afstammen van; [系統を] afkomen van; spruiten uit; [i.h.b.] aarden naar; (6) [hout] zagen; [op een pottenbakkersschijf] draaien; (7) malen; vermalen; fijnmalen; (8) [een lijn;een draad] trekken; lijnen; spinnen; [een rechte] beschrijven; (9) aanhouden; rekken; (10) [gordijnen] dichttrekken; dichtdoen; (11) aanbrengen; besmeren; bedekken; bestrijken; (12) [elektriciteit] aanleggen; installeren; aansluiten; [water (door buizen enz.)] aanvoeren; [veroud.] aanleiden; (13) [een getal] aftrekken; [een bedrag] afhouden; in mindering brengen; afnemen; [iets in prijs] verlagen; afdoen; verminderen; reduceren; terugbrengen; [i.h.b.] korting geven; (14) [de troepen] terugtrekken; intrekken; [visnetten] ophalen; [de handen (van iets)] aftrekken; (15) overrijden; omrijden; omverrijden; aanrijden; (16) achteruitgaan; teruggaan; terugtrekken; afgaan (van); terugwijken; (17) zich retireren; zich terugtrekken; verlaten; [veroud.] resigneren; (18) afnemen; zakken; dalen; wijken; wegtrekken; teruglopen
引っ込む;引込む hikkomu (1) inzinken; verzinken; invallen; inzakken; (2) zich terugtrekken; zich retireren; zich afzonderen; terugwijken; achteruitwijken; wijken
折れる oreru (1) plooien; [i.h.b.] dubbelplooien; (2) breken; afbreken; knappen; [ぽきっと] afknappen; knakken; het begeven; (3) zwenken; afbuigen; afdraaien; afslaan; draaien; een bocht; draai maken; (4) plooien; bijdraaien; tegemoetkomingen doen; toegeven; inbinden; door de bocht gaan; wijken; zwichten; zich gewonnen geven; zich onderwerpen; zich neerleggen; (5) [腰句が] haperen; niet lopen; (6) [Barg.] sterven; doodgaan
抜ける;脱ける nukeru (1) doorsteken; [de doelman enz.] passeren; [een tunnel enz.] doorgaan; doortrekken; lopen door; [i.h.b.] doorboren; (2) [van haar;tanden] uitvallen; losgaan; losraken; loslaten; (3) aflaten; wijken; [m.n. van kracht;fut;pit] eruit gaan; het laten afweten; begeven; [fig.] verschalen; kwijtraken; (4) [ergens] uitraken; ertussenuit komen; ontkomen; wegkomen; ontlopen; ontsnappen; ontschieten; ontgaan; ontglippen; [m.n. een genootschap;wedstrijd;computerprogramma enz.] verlaten; zich terugtrekken; eruit gaan; ervandoor gaan; er tussenuit kletsen; (5) missen; ontbreken; wegvallen; mankeren; (6) wat mankeren; niet goed wijs zijn; niet goed bij zijn verstand zijn; (7) [van vesting;stad enz.] vallen
晴れる;霽れる hareru (1) opklaren; ophelderen; ophalen; [van mist] optrekken; wegtrekken; ophouden [met regenen enz.]; [gew.;m.b.t. weer] opschonen; verdwijnen; [van gevoelens e.d.] wijken; oplossen; ophouden; (2) opgeruimder worden; bijtrekken; opmonteren; opkikkeren; beter gehumeurd worden; (3) [verdenking;zonden e.d.] kwijtraken; gezuiverd worden van; vrijgepleit worden
消える kieru (1) [火が] uitgaan; doven; uitdoven; uitpieteren; verglimmen; [lit.t.] verblinken; [veroud.] uitblaken; [w.g.] verdoven; (2) [雪が] smelten; wegsmelten; dooien; (3) verdwijnen; uit het zicht verdwijnen; [fig.] in rook; damp opgaan; [fig.] verdampen; zich oplossen; vervagen; verijlen; [雲が] wegdrijven; [痛みが] wijken; geleidelijk minder worden; minderen; slijten; [望みが] vervliegen; [音が] wegsterven; versterven; [veroud.] verklinken; [gew.] verhelmen; [泡が] uiteenspatten; (4) uitsterven; ophouden te bestaan; [噂が] overwaaien; voorbijgaan; [鉱脈が] uitgeput raken; (5) wegslijten; afslijten; uitslijten
無くなる nakunaru verdwijnen; zoekraken; verloren gaan; [inform.] foetsie raken; [form.] teloorgaan; blijven; weggaan; wijken; [van lust;zin e.d.] vergaan; [van moed;hoop enz.] ontvallen; tenietgaan; kwijtraken; opraken; zonder (~) komen te zitten; opgaan; ophouden (te bestaan); wegsterven; versterven; ter ziele gaan; overgaan; eindigen; komen te vervallen; [veroud.;lit.t.] verzwinden
解ける tokeru (1) losraken; losgaan; loskomen; loslaten; [i.h.b.] tornen; (2) wijken; slinken; verdwijnen; overgaan; opgehelderd raken; uit de wereld raken; (3) opgeheven raken; ontheven raken; komen te vervallen; [束縛が] vallen; bevrijd raken van; (4) zich ontspannen; [警戒が] verslappen; (5) opgelost raken; [数学の問題が] uitkomen; (6) [雪;氷が] smelten; versmelten; dooien; ontdooien
譲る yuzuru (1) afstaan; [zijn ambt] overdragen; overlaten; uit handen geven; overleveren; overgeven; overhandigen; [eigendom] vervreemden; [onroerend goed] vermaken; nalaten; legateren; legeren; (2) verkopen; (3) wijken; toegeven; opgeven; zwichten; (4) [de bal] afgeven; [voorrang] geven; [van plaats] wisselen; verruilen; laten voorgaan; (5) uitstellen; opschorten; verschuiven (tot later); wegleggen; sparen
退く shirizoku (1) zich terugtrekken; zich verwijderen; aftrekken; zich retireren; verlaten; (2) teruggaan; achteruitgaan; wijken; [fig.] toegeven
退く doku aan de kant gaan (staan); opzijgaan; opzij gaan staan; wijken; uit de weg gaan; plaats maken (voor); plaats inruimen (voor); ruimte maken (voor); vrij baan maken
退く noku (1) opzijgaan; opzij stappen; aan de kant gaan; uit de weg gaan; uitwijken; wijken; plaatsmaken; (2) wegtrekken; ontruimen; zich terugtrekken; (3) verlaten; zich afscheiden; uittreden; (4) op een afstand blijven; afstand bewaren; zich afzijdig houden; (5) terugtrekken; de aftocht blazen; (6) terugtreden; aftreden; [職を] opgeven; neerleggen; afstand doen van; (7) vervreemden; contact kwijtraken; (8) loslaten; loskomen van; afvallen
遠退く tōnoku (1) zich ver verwijderen; terugwijken; op verre afstand komen; [音が] wegsterven; in de verte verdwijnen; [危険が] wijken; (2) (van elkaar) vervreemden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.26 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 17 treffers (zoekopdracht: 'wijken'). 
2005-2026