
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
kaeru・歸る
(帰る(F)、還る、還る、復る) i.w. (1) [戾る] terugkeeren; thuiskomen; naar huis gaan. (2) [去る] heengaan; weggaan. (3) [反射] terugkaatsten. ¶ 元の位置に復る in den vorigen staat terugkeeren. ¶ 歸らぬ旅 de laatste reize; uitvaart. ¶ お歸り遊ばせ welkom thuis. ¶ 子供の復りたいものですなあ wat zou ik graag weer een kind zijn! ¶ 覆水盆に還らず gedane zaken nemen geen keer; wat gebeurd is, is gebeurd.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <heengaan>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
亡くなる nakunaru overlijden; sterven; blijven; [veroud.] aflijvig worden; doodgaan; heengaan; eraan gaan; [euf.] overgaan; ontvallen; ontslapen; het leven laten; [i.h.b.] sneuvelen; [fig.;euf.] insluimeren; [fig.;euf.] inslapen; [arch.] verscheiden; [uitdr.] ad patres gaan; [uitdr.] tol aan de natuur betalen; [volkst.] peigeren; [scherts.] het laten afweten; [Barg.;uitdr.] poep zeggen
他界する takaisuru overlijden; sterven; ter ziele gaan; heengaan; uit dit leven scheiden
出て行く deteiku (1) weggaan; vertrekken; heengaan; ervandoor gaan; zich uit de voeten maken; opkrassen; 'm smeren; [veroud.] zich wegpakken; (2) zijn entree maken; verschijnen; opdagen; te voorschijn komen
出発 shuppatsu (1) vertrek; afreis; heengaan; [fig.] aftocht; [m.b.t. vaartuig] afvaart; [m.b.t. vliegtuig] opstijging; (2) start; begin
出発する shuppatsusuru (1) vertrekken; heengaan; afreizen; zich op weg begeven; [旅行に] aanvaarden; op weg gaan; verlaten; [fig.] afsteken; [m.b.t. vliegtuig] opstijgen; [m.b.t. vaartuig] afvaren; (2) starten; van start gaan; beginnen; uitgaan van
別れる wakareru scheiden van; achterlaten; verlaten; weggaan; [van zijn;haar echtgenoot;echtgenote] afgaan; uiteengaan; heengaan; afscheid nemen; [fig.] goedendagzeggen
寂滅する jakumetsusuru (1) [boeddh.] nirwana; nirvāṇa verwezenlijken; de verlichting bereiken; (2) overlijden; heengaan; sterven; ontslapen
崩御する hougyosuru [天皇;皇后;皇太后;太皇太后;上皇;法皇;帝王が] overlijden; sterven; heengaan
引き取る hikitoru (1) terugnemen; (terug) overnemen; (2) vorderen; opvorderen; terugvorderen; terugeisen; reclameren; aanspraak maken op; claimen; opvragen; (3) zich belasten met; verantwoordelijkheid opnemen voor; onder z'n hoede nemen; zorgen voor; instaan voor; [話を] beantwoorden; antwoorden op; (4) [息を] sterven; z'n laatste adem(tocht) uitblazen; de laatste snik geven; de geest geven; (5) weggaan; zich terugtrekken; zich verwijderen; heengaan; verlaten; vertrekken; (6) [mil.] zich terugtrekken; aftrekken; de aftocht blazen; afrukken
御出でになる oideninaru (1) [尊敬語] gaan; vertrekken; zich begeven; heengaan; (2) [尊敬語] komen; aankomen; arriveren; (3) [尊敬語] zijn
成仏 joubutsu (1) [boeddh.] verwerving van het boeddhaschap; verlichting; ontwaking; nirwana; (2) [boeddh.] overlijden; heengaan; ontslapen; sterven
果てる hateru (1) eindigen; aflopen; ophouden; (2) sterven; overlijden; doodgaan; heengaan; (3) [aangesloten op de ren'yōkei ] volkomen ~; ten einde toe ~
没する bossuru (1) [日が] ondergaan; (2) verdwijnen; opgaan; [船が] verzinken; (3) sterven; heengaan; overlijden; (4) doen verdwijnen; doen opgaan in; verzwelgen; (5) aanslaan; in beslag nemen; confisqueren; (6) negeren; miskennen; verloochenen
立ち去る tachisaru weggaan; heengaan; verlaten; vertrekken; zich wegpakken
落ちる ochiru (1) vallen; ten val komen; neerstorten; neerdonderen; in het stof bijten; tuimelen; duiken; een duik nemen; (2) omvallen; invallen; instorten; neerstorten; in elkaar vallen; in elkaar storten; (3) [m.b.t. zon;maan etc.] ondergaan; achter de horizon verdwijnen; zakken; (4) niet slagen (bij een examen); struikelen; zakken; stralen; bakken; buizen; falen; sjezen; afgaan; (5) weglaten; uitvallen; achterwege laten; ontbreken; niet gebruiken; (6) verkleuren; verschieten; verbleken; bleek worden; vervalen; valer worden; (7) in de handen van de vijand vallen; ingenomen worden; vallen; raken bij; verloren gaan; te gronde gaan; (8) [m.b.t. een druppel) druppen;druppelen;in druppels neervallen;druipen;(9) vluchten;ontvluchten;de vlucht nemen;het hazenpad kiezen;de plaat poetsen;de benen nemen;er vandoor gaan;op de loop gaan;(10) terugvallen;achteruitgaan;een neerwaartse trend vertonen;een dalende trend vertonen;naar een ongunstige positie afzakken;(11) inferieur zijn;achterstaan bij;niet zo goed zijn als;minder zijn dan;niet kunnen tippen aan;(12) [m.b.t. wind) luwen;gaan liggen;bedaren;kalmer worden;verzachten;(13) [m.b.t. rivier;stroom etc.] uitmonden in; instromen in; uitlopen in; (14) [m.b.t. bliksem) inslaan;treffen;(15) [m.b.t. vissen] stroomafwaarts gaan; stroomafwaarts zwemmen; (16) flauwvallen; bewusteloos vallen; het bewustzijn verliezen; van zijn stokje vallen; van zijn stokje gaan; bezwijmen; sterven; doodgaan; overlijden; ontslapen; heengaan
薨去する koukyosuru overlijden; sterven; heengaan
行く;往く;逝く iku (1) gaan; lopen; wandelen; zich begeven naar; aangaan op; (2) naar wens lopen; lekker lopen; goed werken; succesvol zijn; (3) sterven; overlijden; heengaan; (4) klaarkomen; afgaan
行く;往く;逝く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid;schoonzoon;adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst.;m.b.t. mannen] schieten; (10) blijven ~ [drukt voortduring;voortgang van een handeling of toestand uit]
辞職する jishokusuru (zijn) ontslag nemen; zijn ambt neerleggen; verlaten; afstand doen van een ambt; aftreden; zijn betrekking opzeggen; voor een ambt; betrekking bedanken; zijn functie neerleggen; zijn baan opgeven; heengaan; opstappen; het veld ruimen; resigneren; uittreden; [arch.] demitteren
退去する taikyosuru vertrekken; weggaan; heengaan; verlaten; ontruimen; evacueren; uitwijken; wegtrekken; zich terugtrekken
逝去する seikyosuru sterven; heengaan; overlijden
過ぎ去る sugisaru (1) voorbijgaan; voorbijlopen; passeren; (2) verstrijken; omgaan; omlopen; aflopen; (3) heengaan; sterven; overlijden; omkomen; [arch.] verscheiden
Tijd: 1.48 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'heengaan').
2005-2026
