日蘭辭典+

24 resultaten voor ‘kijk’
日蘭辭典 (trefwoord)
soraそら

tw. daar!; kijk!; pas op!; ho la!; hei daar!

achira彼方
(あちら) bw. ginds; daar; aan den anderen kant. ¶ 彼方の dat; gindsch; gene. ¶ 彼方を向け kijk den anderen kant uit. ¶ 彼方に行け maak, dat je weg komt.
yo
tw. zeg!; hoor!; pas op!; kijk!
kyōkō强硬

(強硬) zn. vastheid v.; zekerheid v.; koppigheid v.; stelligheid v.; beslistheid v. ¶ 强硬なる stellig; beslist; stevig; flink; eener kijk; hevig; koppig.

yūshoku憂色

zn. somber uitzien o. ¶ 憂色を帶びる somber kijken.

yōsu樣子

(様子) zn. (1) [狀態] toestand m.; conditie v. (2) [姿態] uiterlijk o. (3) [態度] houding v.; manier van doen. ¶ 大體の樣子 de algemeene toestand; de staat van zaken. ¶ 樣子を窺ふ zien, hoe het ermee staat; kijken uit welken hoek de wind waait. ¶ 樣子がよい er goed uitzien. ¶ 樣子をする zich aanstellen; zich voordoen als; voorwenden. ¶ 樣子振る aanstellerig doen; zich aanstellen.

ume

(梅) zn. pruimeboom m.; pruim (實) v. ¶ 梅の花 pruimebloesem. ¶ 梅を探る naar de bloeiende pruimeboomen gaan kijken.

ugomeku蠢めく

i.w. zich kronkelen. ¶ 得意の鼻を蠢めかす trotsch zijn op zijn succes; triomfantelijk kijken.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <kijk>
ねえ nee (1) [tussenwerpsel om de aandacht te trekken of om iemand aan te spreken] zeg; hé; (2) [tussenwerpsel om ergens aan te herinneren of om aarzeling uit te drukken] nou; kijk; luister; zie je; weet je
ne zeg; hé; zeg; hoor es; kijk; luister; zie je; ziet u; weet je; weet u
ほら hora kijk!; hé!; hei
ビュー byū (1) uitzicht; gezicht; zicht; (2) bezichtiging; kijk; visie
展望 tenbō (1) uitzicht; gezicht; (2) vooruitzicht; verwachting; kansen; aspect; (3) kijk; visie; opvatting; zienswijze; mening; observatie
御覧 goran (1) [hon.] kijkje; bezichtiging; bekijken; kijken; lezen; doornemen; zien; (2) kijk!; zie!; (3) [hon.] […て御覧] probeer eens …
御覧なさい gorannasai (1) kijk!; zie!; (2) [drukt een beleefd bevel uit wanneer aangesloten op de constructie ren'yōkei + te て]
所見 shoken (1) zienswijze; visie; kijk; denkbeeld; inzicht; opvatting; mening; opinie; oordeel; beschouwing; aanmerking; (2) [geneesk.] advies; deskundigenmening; diagnose; bevinding; indruk; observatie
目;眼 me (1) oog; doppen; kijkers; [kindert.] piepers; kijkerd; gaten; glimmers; [gew.;vulg.] keut; [Barg.] glimmerik; [Barg.] spanling; [Barg.;volkst.] lampjes; (2) het zien; gezicht; gezichtsvermogen; zicht; gezichtsveld; vizier; blik; oogopslag; kijk; optiek; gezichtspunt; oogpunt; zienswijze; inzicht; zorg; (3) aanzicht; aanblik; (4) ervaring; (5) opening; tussenruimte; (6) maatstreep; maat; (7) volume; inhoud; (8) foei; (9) -ste; -de [ordinaal suffix]; (10) [achtervoegsel dat een grens of raakvlak tussen twee zaken;toestanden e.d. markeert;het wordt aangesloten op de ren'yōkei van werkwoordsvormen]; (11) -ig [aangesloten op de stam van adjectieven of op de ren'yōkei van werkwoorden;drukt een mate;eigenschap of tendens uit die neigt naar het genoemde]
manako (1) oogpupil; pupil; (2) oogbal; oogbol; oogappel; [i.h.a.] oog; (3) kijk; visie; zicht; gezichtsveld; perspectief; [i.h.b.] inzicht; oordeelkundigheid; begrip; ervaring
見方 mikata (1) visie; standpunt; opvatting; optiek; invalshoek; perspectief; oogpunt; gezichtshoek; gezichtspunt; zienswijze; benaderingswijze; insteek; inzien; kijk; (2) manier van kijken; kijkwijze; kijkmethode
ken (1) visie; kijk; beschouwing; zienswijze; opvatting; opinie; (2) het cruisen in de rosse buurt; meisjeskeuring; (3) hoogtepunt; highlight; (4) [boeddh.] darśana [= perceptie]; (a) bekijken; (b) nadenken; beschouwing; (c) ontmoeten; (d) verschijnen
視聴料 shichōryō kijk- en luistergeld; omroepbijdrage
視野 shiya (1) gezichtsveld; zicht; blikveld; gezichtskring; (2) kijk; blik; opvatting; visie; zienswijze; opinie; denkwereld; denkbeeld; outlook; mentale horizon
kan (1) voorkomen; uitzicht; uiterlijk; schijn; aanzien; aanblik; blik; gezicht; spektakel; schouwspel; (2) zienswijze; opvatting; kijk; visie
観覧 kanran bezichtiging; bekijking; kijk; bekijk; toeschouwing; toeschouw; [veroud.] schouw
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.01 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'kijk'). 
2005-2026