日蘭辭典+

70 resultaten voor ‘hevig’
日蘭辭典 (trefwoord)
araiあらい
(粗い・荒い) bn. (1) [粗] ruw; ruig. (2) [木目編物の目] grof. (3) [海が] woest; ruw. (4) [風が] hard; sterk; hevig. (5) [無作法な] grof; onhebbelijk; ongemanierd.
kangeki感激
zn. ontroering v.; emotie v.; diepe indruk m. ¶ 感激する diep ontroerd zijn; hevige emotie ondergaan.
diabun大分
bw. zeer; heel; in hevige mate. ¶ 大分早く起きる zeer vroeg opstaan. ¶ 大分經ってから na geruimen tijd. ¶ 大分なる het is lang geleden. ¶ 大分氣分がよい zich veel beter voelen.
kumon苦悶

zn. hevige pijn v.; doodstrijd m.; zieleangst m.

kunetsu苦熱

zn. hevige hitte v.; hooge koorts (高熱) v.

kunō苦惱

(苦悩) zn. pijn v.; smart v. ¶ 良心の苦惱 knaging van het geweten; hevige wroeging.

kyōda强打

(強打) zn. harde klap m.; hevige slag m.

kyōdo强度

(強度) zn. kracht v.; intensiteit v.; hevigheid v.; sterkte v. ¶ 强度の強 sterk; hevig; intens; krachtig.

kyōkō强硬

(強硬) zn. vastheid v.; zekerheid v.; koppigheid v.; stelligheid v.; beslistheid v. ¶ 强硬なる stellig; beslist; stevig; flink; eener kijk; hevig; koppig.

yumon憂悶

zn. kwelling v.; hevige pijn v.

yakamashii喧しい

bn. (1) [騷々しい] lawaaiig; (2) [小言多き] lastig; kijfachtig. (3) [嚴格な] streng. ¶ 食物にやかましい kieskeurig. ¶ 喧しく met veel lawaai; met veel drukte. ¶ 喧しく云ふ zich druk maken. ¶ やかましい靜かにしろ maak toch niet zoo'n lawaai! ¶ やかましい問題 een hevige kwestie. ¶ 稅關で喧しく言ふでせう ik denk, dat je moeilijkheden krijgt met de douane. ¶ 喧し屋 lastige kerel.

wakasu沸す

t.w. verhitten; koken. ¶ 湯を沸す water koken. ¶ 血を沸かす bloed aan het koken brengen; hevige opwinding veroorzaken.

uchinomesu打延めす

t.w. tot moes slaan; hevig afranselen.

tsuyoi强い

(強い) bn. (1) [強健] sterk; krachtig. (2) [堅牢] stevig; solide. (3) [力の] krachtig; gespierd. (4) [勇壯] dapper; moedig. (5) [激烈] hevig. ¶ 強く云ふ met nadruk zeggen; den nadruk leggen. ¶ 強める versterken. ¶ 強めて言ふ nog sterker zeggen. ¶ 強み kracht. ¶ 強さ kracht; intensiteit; hevigheid; sterkte. ¶ 電流の強さ stroomsterkte.

tsūku痛苦

zn. hevig pijn v.

tsūkon痛恨

zn. hevige ergernis v.; ernstige grief o.; wrok m.

tsūin痛飮

(痛飲) zn. drinkgelag o. ¶ 痛飮する hevig drinken.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <hevig>
ハード hādo (1) hard; (2) vinnig; hevig; zwaar; (3) hard; zwaar; moeilijk; lastig; (4) [comp.] hardware; apparatuur; (5) Hurd
ヘヴィ hevi (1) inspanning; krachtinspanning; effort; [sportt.] sprintje; (2) zwaar; veel wegend; (3) zwaar; hevig; erg; aanzienlijk; lastig; moeilijk; (4) intens; inspannend
ken (a) gezond; kloek; (b) hevig; enorm
凄まじい susamajii (1) ontzaglijk; verschrikkelijk; vreselijk; ontzagwekkend; ontzettend; afschuwelijk; afgrijselijk; gruwelijk; (2) geweldig; enorm; heel erg; buitengewoon; hevig; formidabel; (3) verbluffend; ongelofelijk; verbazingwekkend; verbazend
切実に setsujitsuni hevig; ernstig; fel; intens; scherp; acuut
setsu (1) uit [= teken op schakelaars van elektrische apparatuur]; (2) innig; van ganser harte; met hart en ziel; vurig; dringend; oprecht; hartgrondig; gemeend; (3) duidelijk voelbaar; gevoelig; hevig; heftig; intens; (4) precair; hachelijk; penibel; kritiek; heikel; netelig; (a) snijden; (b) wrijven; over elkaar doen schuiven; (c) precies passen; (d) dringen; dringend; intens; (e) [notatiesysteem om de uitspraak van een Chinees karakter aan te geven]
geki (1) toneelkunst; kunst van de opvoering van toneelstukken; acteerkunst; kunst van het toneelspelen; (2) drama; toneel; toneelspel; toneelstuk; theaterstuk; theater; (3) hevig; enorm; fel; (a) hevig; druk; sterk; (b) spel; drama; (c) schouwburg
大風が吹く ōkazegafuku sterk; fel; hevig; hard waaien; stormen
強い tsuyoi (1) sterk; krachtig; stout; stevig; impressief; [m.b.t. klap] hard; [m.b.t. houding] ferm; [m.b.t. verzet] duchtig; geducht; hevig; [m.b.t. band] hecht; [m.b.t. gevoel] intens; [m.b.t. geur] scherp; [m.b.t. uitspraak] kras; [m.b.t. geest;geloof enz.] kloek; [m.b.t. bries] stijf; [m.b.t. drank] zwaar; (2) bestand (tegen); gehard tegen; -bestendig; goed tegen [drank;alcohol enz.] kunnen [direct voorafgegaan door ni に]; (3) sterk (in); goed (in); kundig (in); bekwaam (in); bedreven (in)
強烈 kyōretsu zwaar; hard; hevig; sterk; intens; krachtig
思いっ切り omoikkiri (1) heftig; hevig; krachtig; energiek; (2) afschuwelijk; afgrijselijk; vreselijk; verschrikkelijk; ontzettend; gruwelijk; (3) naar hartelust; zonder zich te beperken; (4) met alle macht; uit alle macht; (5) grondig; door en door; compleet; volledig
思い切り;思いきり omoikiri (1) berusting; gelatenheid; geestestoestand waarbij men alle hoop opgegeven heeft; het afzien van iets; (2) besluit; beslissing; voornemen; (3) heftig; hevig; krachtig; energiek; (4) afschuwelijk; afgrijselijk; vreselijk; verschrikkelijk; ontzettend; gruwelijk; (5) naar hartelust; zonder zich te beperken; (6) met alle macht; uit alle macht; (7) grondig; door en door; compleet; volledig
急性 kyūsei acuut; dringend; kritisch; ernstig; hevig; intens
恐ろしい osoroshii (1) vreselijk; verschrikkelijk; angstwekkend; afgrijselijk; afgrijslijk; affreus; gruwelijk; ontzettend; beestachtig; beestig; (2) hevig; geweldig; woest; wild; (3) erg; geweldig; ontzaglijk; ontzagwekkend
手痛い teitai (1) hevig; zwaar; serieus; geducht; duchtig; (2) pijnlijk; schrijnend; nadelig; schadelijk; nefast
散々 sanzan (1) enorm; erg; hevig; uiterst; geweldig; ontzettend; ontzaglijk; ontstellend; (2) vreselijk; verschrikkelijk; afschuwelijk; gruwelijk; afgrijselijk; wreed; ellendig; bitter; meedogenloos; ongenadig; niets ontziend; (3) vergruisd; verbrijzeld; in kleine stukjes uiteengevallen; totaal verwoest; (4) enorm; vreselijk; geweldig; erg; zeer; ontzettend; diepgaand; ernstig; grondig; door en door
暴れる abareru zich agressief gedragen; hevig; wild tekeergaan; flink huishouden; amok maken; [Barg.;volkst.] rauzen
染み染み;沁み沁み shimijimi [m.b.t. spijt;leedwezen] diep; [m.b.t. berouw] hevig; [m.b.t. aanvoelen] scherp; intens; zeer sterk; zwaar; ernstig; doorvoelend; doorvoeld; met gevoel; gevoelvol; [m.b.t. luisteren;(be)kijken enz.] goed; door en door; aandachtig
渇望 katsubō [fig.] dorst; hunkering; hevig; vurig; sterk verlangen; begeerte; zucht; smacht
渇望する katsubōsuru dorsten; hevig; vurig; sterk verlangen; hunkeren; snakken; smachten
geki (1) super-; mega-; kei-; buitengewoon …; enorm …; extreem …; (a) hevig; heftig; geweldig; (b) aanmoedigen; (c) hoog oplopen; intenser worden
激しい;烈しい;劇しい hageshii (1) hevig; streng [b.v. kou]; scherp; vinnig; intens; zwaar [b.v. storm]; geducht; hard; stevig [b.v. ruzie]; flink; duchtig; fel [b.v. temperament]; fiks; kras; (2) onstuimig; heftig; geweldig; vehement; vurig; stormachtig; fervent; razend; hartstochtelijk [b.v. liefde]; verwoed; verhit [b.v. strijd]; van je welste; hels
激しく hageshiku hard; intensief; sterk; stevig; zwaar; flink; fiks; krachtig; hevig; heftig; fel; vurig; vinnig; woest; onstuimig; stormachtig; verwoed; razend; fanatiek; hartstochtelijk; wild; intens; verhit; geducht; duchtig; vehement; geweldig; hels; erg; verschrikkelijk; vreselijk; dat het een aard had; als een gek; van je welste
激烈 gekiretsu (1) hevigheid; heftigheid; felheid; verbetenheid; barheid; vinnigheid; verwoedheid; vurigheid; onstuimigheid; woestheid; furie; geweld; wildheid; intensiteit; (2) hevig; heftig; geweldig; fel; verbeten; bar; vinnig; verwoed; vurig; onstuimig; woest; furieus; wild; intens; extreem; zeer krachtig; violent; verschrikkelijk
激闘 gekitō hevige; zware; harde strijd; hevig; zwaar; hard gevecht
激闘する gekitōsuru hevig; fel vechten; zwaar; hard strijden; verwoed strijd leveren
熱情的 netsujōteki gepassioneerd; vurig; ijverig; bezield; hartstochtelijk; heftig; fervent; gloeiend; gloedvol; hevig; verwoed
熱烈 netsuretsu vurig; ijverig; gloedvol; fervent; hevig; hartstochtelijk; gepassioneerd; enthousiast; geestdriftig
熾烈 shiretsu fel; hevig; zwaar; hard; vinnig; heftig; scherp; bits
(1) energiek; heftig; onstuimig; (2) woest; fel; (a) wild; ruw; ruig; (b) fel; hevig; geweldig; verwoed
猛し takeshi (1) dapper; moedig; stoutmoedig; onverschrokken; (2) energiek; hevig; woest; (3) bemoedigd; gerustgesteld; (4) uitstekend; schitterend; (5) [~き事] uiterste; al het mogelijke; maximum
猛烈 mōretsu hevig; heftig; intens; sterk; zwaar; hard; geweldig; krachtig; stormachtig; wild; fel; verwoed; vurig; verhit; verschrikkelijk; vreselijk; ontzettend; ontzaglijk
猛烈な mōretsuna hevig; heftig; intens; sterk; zwaar; hard; geweldig; krachtig; stormachtig; wild; fel; verwoed; vurig; verhit; verschrikkelijk; vreselijk; ontzettend; ontzaglijk
猛烈に mōretsuni (1) hevig; heftig; verwoed; intens; uiterst; geweldig; keihard; hard; zwaar; krachtig; fel; vinnig; vurig; energiek; zeer fanatiek; furieus; onwijs; buitengewoon; als een bezetene; dat het een aard heeft; als geen ander; als de bliksem; als een gek; dolle; uit alle macht; (2) vreselijk; verschrikkelijk; ontzettend; afschuwelijk; geweldig; erg; ontstellend
獰猛 dōmō (1) felheid; hevigheid; heftigheid; verwoedheid; woestheid; wildheid; vinnigheid; grimmigheid; (2) fel; hevig; heftig; woest; verwoed; wild; vinnig; grimmig
甚い itai (1) hevig; krachtig; fel; heftig; ferm; (2) prachtig; gaaf; prima; super; (3) […~] enorm …; buitengewoon …
甚く itaku (1) zeer; erg; fel; hevig; intens; enorm; geweldig; bijzonder; buitengewoon; ongemeen; (2) [~…ず] niet erg; niet zo; niet al te; niet bijster
甚だしい hanahadashii zwaar; enorm; geweldig; van je welste; grof [bv. vergissing]; schromelijk; flagrant; intens; fel; bar; vehement; hevig; hard; streng [bv. koude]; ernstig; kapitaal; extreem; razend
tsū (1) pijn hebben; pijn doen; -algie; (2) psychisch lijden; (3) hevig; intens
痛切 tsūsetsu scherp; doordringend; bijtend; vinnig; hevig; fel; ernstig; serieus
痛切な tsūsetsuna scherp; doordringend; bijtend; vinnig; hevig; fel; ernstig; serieus
痛切に tsūsetsuni scherp; vinnig; hevig; fel
荒々しい arārashii (1) wild; woest; ruw; geweldig; onstuimig; heftig; hevig; stormachtig; (2) boers; onverfijnd; lomp; onbehouwen
荒々しく arārashiku (1) wild; woest; ruw; geweldig; heftig; hevig; stormachtig; (2) boers; onverfijnd; lomp; onbehouwen
荒立つ aradatsu (1) hevig; woest worden; hoog oplopen; [波が] hoog rijzen; (2) verergeren; ingewikkelder worden; gecompliceerd worden; (3) woeden; razen; zich woest gedragen; hevig tekeergaan
ketsu (1) [Oosterse geneesk.] lichaamsvocht; [i.h.b.] bloed; (a) bloed; (b) bloedband; (c) hevig; verwoed; (d) levendig; vief
koku (1) hard; cru; wreed; zwaar; streng; scherp; fel; vinnig; (a) streng; wreed; erg; (b) hevig; fel
酷い hidoi (1) wreed; hard; verschrikkelijk; gruwelijk; enorm; ontzettend; vreselijk; onmenselijk; slecht; gemeen; duivels; donders; heidens; verduiveld; verduveld; verdomd; deksels; drommels; [気分が] bedonderd; beroerd; belabberd; (2) erg; guur; [~寒さ] bitter; bar; zwaar; flink; hevig; geweldig; [~発言] straf; van je welste; [~批評] scherp
酷評する kokuhyōsuru scherp; fel; heftig; hevig; vernietigend; vinnig (be)kritiseren; scherp hekelen; gispen; afbreken; afkraken; afkammen; kraken; [fig.] geselen; [fig.] op de korrel nemen; [fig.] schieten op; [fig.] tegen ~ aan schoppen
鋭い;尖い surudoi (1) scherp; scherpsnijdend; spits; puntig; scherpgepunt; scherpgekant; (2) [fig.] scherp; [m.b.t. woorden;kritiek;opinie;opmerking enz.] grievend; stekelig; striemend; vinnig; spits; bits; vlijmscherp; bijtend; fel; heftig; schril; pinnig; priemend; schrijnend; poignant; cassant; navrant; [m.b.t. pijn] stekend; vlijmend; snijdend; hevig; (3) scherp; scherpzinnig; snedig; spits; kien; pienter; schrander; vernuftig; fijnzinnig; doordringend; ad rem
非常 hijō (1) nood; noodgeval; emergency; uitzonderlijkheid; (2) buitengewoon; bijzonder; ongewoon; ongemeen; buitengemeen; extreem; immens; enorm; grandioos; verschrikkelijk; onbegrijpelijk; (3) [~に] (heel) erg; heel; zeer; buitengewoon; buitengemeen; hevig; enorm; ongemeen; ongewoon; geweldig; ontzaglijk; intens; vehement; extreem; bijzonder; uitzonderlijk; mateloos; danig; hoogst; zeerst; uiterst; in hoge mate; ontzettend; razend; verschrikkelijk; vreselijk; bot; bar; … tot-en-met; reuze …; machtig; uitermate; bovenmate; buitenmate; hooglijk; deerlijk; grotelijks; schromelijk; angstig [klein enz.]; [inform.] ontiegelijk; [inform.] hartstikke; [inform.] onwijs; [inform.] stierlijk; dol-; [inform.] oer-; over-; steen-; [inform.] kei-
非常に hijōni (heel) erg; heel; zeer; buitengewoon; buitengemeen; hevig; enorm; ongemeen; ongewoon; geweldig; ontzaglijk; intens; vehement; extreem; bijzonder; uitzonderlijk; mateloos; danig; hoogst; zeerst; uiterst; in hoge mate; ontzettend; razend; verschrikkelijk; vreselijk; bot; bar; ~ tot-en-met; reuze ~; machtig; uitermate; bovenmate; buitenmate; hooglijk; deerlijk; grotelijks; schromelijk; [scherts.] angstig [klein enz.]; [inform.] ontiegelijk; [inform.] hartstikke; [inform.] onwijs; [inform.] stierlijk; dol-; [inform.] oer-; over-; steen-; [inform.] kei-
高度 kōdo (1) hoogte; (2) sterkte; kracht; krachtigheid; intensiteit; (3) hoge mate; grote mate; hoog peil; (4) sterk; krachtig; intens; hevig; in hoge graad; in hoge mate; (5) geavanceerd; hoog ontwikkeld; gesofisticeerd; gesofistikeerd; (6) in hoge mate; in grote mate; in hoge graad; in een hoog peil
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.25 sec. jiten.nl: 17 treffers, warandict: 53 treffers (zoekopdracht: 'hevig'). 
2005-2026